Author Archives: Sebastian Sullivan

Achtjarig meisje vindt ruim duizend jaar oud zwaard

In Zweden heeft een achtjarig meisje een zwaard gevonden dat zeker duizend jaar oud is. Het meisje, Saga Vanecek, was met haar ouders op vakantie in Jönköping en vond het zwaard tijdens het zwemmen in een meer, Vidöstern. Het 85 centimeter lange voorwerp zat daar op ongeveer vijftig centimeter diepte vast in de modder.

Fibula die recent werd gevondenFibula die recent werd gevondenHaar vader dacht aanvankelijk dat het om een stok ging, maar al snel bleek het in werkelijkheid om een zwaard te gaan. De familie nam contact op met een nabijgelegen museum dat het voorwerp nader liet onderzoeken. Het wapen is goed bewaard gebleven. Zo zit bijvoorbeeld de schede van leer en hout deels nog aan de kling vast.

Volgens het museum Jönköping is de ontdekking waarschijnlijk te danken aan de droogte. Hierdoor stond het water van het meer namelijk uitzonderlijk laag. Het wapen is zeker duizend jaar oud, maar mogelijk nog enkele honderden jaren ouder. De komende tijd wordt nog meer onderzoek gedaan in het meer waar het zwaard is gevonden.

Onlangs werd in de omgeving al een deel van een fibula (mantelspeld) uit circa de vierde eeuw na Christus gevonden.

Ook interessant: Het Zwaard van Ommerschans – Ceremonieel zwaard uit de bronstijd
…en: Het zwaard van Damocles – Herkomst van de uitdrukking

  • Wapens
  • Zwaarden
  • Zweden

Bron

Zomertijd en wintertijd, waarom en sinds wanneer?

In de nacht van zaterdag 30 op zondag 31 maart wordt de klok weer een uur vooruit gezet. Het is dan weer zomertijd. Hoe lang doen we dat al, de klok verzetten, en waarom eigenlijk?

In Nederland zijn winter- en zomertijd in 1977 ingevoerd. Voor die tijd had men het jaren zonder gedaan. In de zomer hoefde de klok niet vooruit en in de winter niet achteruit. Geen ‘nacht van de nacht’ en in de zomer geen ‘gebroken nacht’.

William Willet – The Waste of DaylightWaarschijnlijk was de Amerikaanse geleerde Benjamin Franklin (1706-1790) de eerste die voorstelde eens serieus na te denken over hoe er effectief om kon worden gegaan met het daglicht. In 1784 schreef hij het satirische artikel “An Economical Project for Diminishing the Cost of Light”. De geleerde schreef dat hij op een dag om zes uur ´s ochtends wakker geworden was, naar buiten had gekeken en gezien had dat de zon al op was. Bovendien constateerde hij dat de zon op dat vroege uur ook al licht gaf. Verspilling, meende Franklin die stelde dat mensen ontzettend veel kaarsen en geld konden besparen als ze in de zomer een paar uur ‘eerder’ zouden leven. Zijn artikel was vooral humoristisch bedoeld. In de praktijk werd er niets mee gedaan.

William Willett en de Zomertijd

De eerste die met een echt serieus plan kwam voor zomer- en wintertijd was de Brit William Willett (1856–1915). In 1907 kwam hij met het plan om de klok in de lente op vier opeenvolgende zondagen steeds twintig minuten vooruit te zetten. Op zondagen in september zou de klok dan weer steeds twintig minuten teruggezet moeten worden.

Willett schreef in zijn brochure The Waste of Daylight onder meer het volgende:

“Everyone appreciates the long light evenings. Everyone laments their shrinkage as Autumn approaches, and nearly everyone has given utterance to a regret that the clear bright light of early morning, during Spring and Summer months, is so seldom seen or used.”

Velen namen met interesse kennis van het plan van Willett, maar er werd niets mee gedaan.

Eerste Wereldoorlog

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de zomertijd door de Duitsers voor het eerst echt ingevoerd. De oorlog was duur en om kolen te besparen besloot Duitsland op 30 april om één uur voor middernacht de zomertijd in te voeren. Ook in de bezette delen van België en Frankrijk werd dit ingevoerd. Nederland volgde het voorbeeld een dag later. Engeland voerde de zomertijd drie weken nadien ook in.

Tijdens het interbellum was er geen zomer- of wintertijd. In de Tweede Wereldoorlog ging Nederland op bevel van de Duitsers van de Amsterdamse Tijd over op de Midden-Europese Tijd. De klok moest één uur en veertig minuten vooruit worden gezet zodat het in Nederland even laat zou zijn als in Duitsland. In 1946 werd de zomertijd afgeschaft. In 1977 werden zomer- en wintertijd echter opnieuw ingevoerd. Dit vanwege de oliecrisis. Door in de zomer langer gebruik te maken van het zonlicht, zou er energie bespaard worden.

Lees ook: Boer Braat, de man die de zomertijd haat
…en: Machtiger dan de zon
…en: Benjamin Franklin (1706-1790) – Amerikaans multitalent

Video van het Klokhuis over Zomertijd en Wintertijd:

  • Benjamin Franklin
  • Winter

Bron

Ongeschonden graftombe opgegraven in Nemea

Bij opgravingen bij Nemea op de Peloponnesos hebben archeologen een intacte tombe uit het vroege Myceense tijdperk (1650-1400 voor Christus) blootgelegd. Volgens het Griekse ministerie van Cultuur is het graf een van de grootste die in deze regio werd gevonden.

De tombe werd ontdekt op een Myceense begraafplaats in Aidonia. Het graf onderscheidt zich door een korte maar zeer brede weg, een wijde opening en een ronde koepelvormige ruimte die op sommige plekken zes meter hoog is.

Foto: Griekse ministerie van CultuurFoto: Griekse ministerie van Cultuur

Vier kuilen

Foto: Griekse ministerie van CultuurFoto: Griekse ministerie van CultuurOp de vloer van de grafkamer bevonden zich vier kuilen die waren bedekt met grote stenen platen – een element dat volgens het ministerie verwijst naar vroege Myceense graven. In die putten vonden de archeologen de oudste graven en serviesgoed van gedecoreerd aardewerk. Ook troffen ze sieraden, kralen van verschillende materialen, spelden, bronzen messen en zwaarden, tientallen pijlpunten van koper, obsidiaan en vuursteen en andere prestigieuze voorwerpen aan.

De Myceense beschaving, bekend om zijn vorstelijke staten, stedelijke organisatie, verfijnde kunst en schrift, had zijn bloeiperiode in Griekenland van de zeventiende tot twaalfde eeuw voor Christus.

~ Natascha Neef – Parakalo

Nog enkele foto’s uit het graf:

Foto’s: Griekse ministerie van Cultuur – ΥΠΠΟΑ

Overzicht van boeken over de Oude Grieken en Oud Griekenland

  • Graf
  • Griekenland

Bron

Fata morgana (luchtspiegeling) – Betekenis en herkomst

Een fata morgana kennen we als een luchtspiegeling, iets wat je denkt te zien, maar er in feite niet is. Waar komt dit woord precies vandaan?

Betekenis van fata morgana

De tovenares Morgana,  halfzus van koning Arthur - Anthony Frederick Sandys (Publiek Domein - wiki)De tovenares Morgana, halfzus van koning Arthur – Anthony Frederick Sandys (Publiek Domein – wiki)De term fata morgana houdt in dat je iets ziet dat in het echt niet bestaat. Een luchtspiegeling dus. Dit optisch bedrog – dat zich vooral voordoet in woestijnen en op hete wegen – doet zich voor als er in de lucht sprake is van grote temperatuursverschillen.

Herkomst van de term

Fata morgana is ontleend aan het Latijn en betekent letterlijk ‘de fee Morgana’. Fata is gerelateerd aan het Latijn ‘fatum’ (lot) en duidt de ‘godin van het lot’ aan. Over ‘Morgana’ lopen de theorieën uiteen. Een standaard verklaring is dat dit begrip duidt op een ‘luchtspiegeling in de Straat van Messina’ en, zo lezen we in het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands

“…dat hij gegeven zou zijn door de Noormannen, die in de elfde eeuw de Arabieren van Sicilië verdreven, en die de in de Straat van Messina voorkomende luchtspiegelingen aan tovenarij toeschreven en er de naam van Morgana, tovenares en zuster van koning Arthur, aan verbonden.”

Kortom: tovenarij door de heks Morgana (Morgan le Fay), een heks uit de legendes van Arthur – ze was een van de zussen van ridder Arthur – ten tijde van de middeleeuwen. Maar naast deze uitleg circuleert er nog een andere verklaring van ‘fata morgana’. Deze verklaart het begrip als afkomstig uit een ouder Arabisch sprookje. Ook hier betrof het een heks die luchtspiegelingen kon creëren. Morgana zou volgens deze verklaring van het Arabische begrip margān (koraal) zijn afgeleid, dat weer op het Griekse margarítēs / márgaron (parel) teruggaat.

Keltische godin

Een andere mogelijke verklaring van het ‘morgana’ uit de term ‘fata morgana’ is de Keltische godin Morrigan, de godin van de dood en de verwoesting. Deze godin wordt soms – met name door Ieren – geopperd als herkomst van het begrip. Als een soort heks was deze godin in staat om meerdere gedaanten aan te nemen en mensen te misleiden.

Ook interessant: Herkomst van ‘hocus, pocus, Pilatus pas’
…en: Het verschil tussen mythen, sagen, sprookjes en legendes

Bronnen

Internet
-http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/fatamorgana
-https://www.encyclo.nl/begrip/Fata%20Morgana
-https://nl.wikipedia.org/wiki/Fata_morgana_(luchtspiegeling)
-https://www.irishtimes.com/news/manipulations-of-morgana-1.102943
-https://www.dbnl.org/tekst/weil004kuns01_01/weil004kuns01_01_0006.php#f0119
-https://www.merriam-webster.com/dictionary/fata%20morgana
-http://keltische-en-germaanse-mythologie.clubs.nl/nieuws/detail/34245_oude-keltische-godin-morrigan
-https://nl.wikipedia.org/wiki/Morgana

Bron

Oudste wan van Nederland gevonden in Vlaardingen

Bij opgravingen in Vlaardingen is een wan, een platte mand die gebruikt werd om het kaf van het koren te scheiden, uit het jaar 300 voor Christus gevonden. Volgens Museum Vlaardingen gaat het daarmee om de oudste wan van Nederland.

De vondst is gedaan tijdens werkzaamheden aan het tracé van de Blankenburgverbinding in Vlaardingen. De vondst is extra bijzonder omdat de wan gevonden is in een gebied waar in de ijzertijdmensen op het veen woonden. Museum Vlaardingen:

“Tot voor kort dacht men dat het veen te nat was voor akkerbouw en dat de boeren toen alleen konden leven van de veeteelt. De vondst van de wan toont aan dat deze boeren ook graan hebben verbouwd. De wan is zo goed bewaard gebleven doordat hij op de bodem van een kreek terecht is gekomen waarna hij bedekt is geraakt door een dik kleipakket.”

Een boer scheidt het kaf van het koren met een wan (Jean-François Millet, ca. 1846)Een boer scheidt het kaf van het koren met een wan (Jean-François Millet, ca. 1846)

Boerderij

In de buurt van de wan zijn ook sporen van een boerderij uit dezelfde periode aangetroffen. Vermoed wordt dat de gebruikers van de wan hier woonden. Volgens archeologen is de boerderij destijds helemaal gesloopt en werd het sloopmateriaal hierna gebruikt om een pad aan te leggen. Al eerder zijn er in Vlaardingen vondsten gedaan van nederzettingen uit de ijzertijd in het veen.

“De vele vondsten wijzen erop dat het veen in de vierde en de derde eeuw een aantrekkelijke plek voor bewoning moet zijn geweest.”

Met een bewoningsdichtheid van 25 tot 35 mensen per vierkante kilometer was het gebied destijds vrij docht bewoond. Omdat het natte veen zorgt voor een goede conservering van de bewoningsresten, is het gebied voor archeologen buitengewoon interessant.

Uitdrukking: Het kaf van het koren scheiden

  • Boerderij

Bron

Alfons XIII en het regentschap van Maria Christina van Oostenrijk

Gedurende de laatste decennia van de negentiende eeuw worstelde Spanje met zijn roemruchte koloniale verleden, dat met de nederlaag in de Spaans-Amerikaanse oorlog voorgoed teneinde kwam. Cultuurpessimisme stak de kop op bij een aantal intellectuelen, die door de filosoof Ortega y Gasset betiteld werd als de Onheilsgeneratie. Tijdens het regentschap van Maria Christina van Oostenrijk, die als zodanig aantrad omdat troonopvolger Alfons XIII nog een baby was, kwamen belangrijke veranderingen aan de orde, zoals de wet op vereniging, pogingen om het leger te reorganiseren en de vormgeving van een nieuwe civiele orde.

De opmerkelijke troonopvolging en regentschap

Antonio Cánovas del CastilloAntonio Cánovas del CastilloOp 24 november 1885, aan de vooravond van het overlijden van koning Alfons XII, vond een belangrijke ontmoeting plaats tussen de twee grote politieke figuren in het Spanje van die tijd: Antonio Cánovas del Castillo en Práxedes Sagasta. Cánovas – op dat moment premier – als leider van de Partido Conservador en Sagasta van de Partido Liberal. Beide politici hadden er belang bij dat er na de dood van Alfons XII geen strubbelingen zouden ontstaan over de opvolging. Alfons XII was twee keer getrouwd geweest. Zijn eerste vrouw overleed kort na hun huwelijk en zijn tweede echtgenote, Maria Christina van Oostenrijk, schonk hem bij zijn leven twee meisjes.

Op het moment van overlijden van Alfons XII was Maria Christina zwanger en dat bracht een ongekende situatie met zich mee. Wanneer de nakomeling een meisje zou zijn, zou het geen probleem opleveren om de eerstgeborene uit te roepen tot erfopvolgster, maar wanneer dat gedaan zou zijn en de nakomeling bleek een jongetje, zou er een ernstig belangenconflict zijn ontstaan en juridisch moeilijk de aanwijzing van de eerstgeborene ongedaan te maken. De nakomeling zag het levenslicht op 17 mei 1886 en het was een jongetje, Alfons XIII.

Cánovas en Sagasta kwamen overeen dat Maria Christina het regentschap op zich zou nemen ter bestendiging van de bestaande monarchie die onder druk stond van carlisten en republikeinen. Tevens besloten zij tot een regeringswisseling. Cánovas droeg het premierschap over aan Sagasta, geheel in de traditie van de tien jaar eerder door Cánovas ontwikkelde doctrine van het turnismo dat voorzag in een regelmatige wisseling van de regeringsmacht. Dit alles onder de conditie dat de onder gezag van Cánovas ontwikkelde grondwet van 1876 gehandhaafd bleef. Deze afspraken staan bekend als het Pacto de El Pardo. Maria Christina werd een vooral representatieve rol toebedacht. Zij bleef buiten het politieke strijdgewoel en slechts bij een regeringswisseling benoemde zij formeel de nieuwe ministers. Ook zou zij enkele belangrijke wetten afkondigen. Haar politieke opvattingen lagen het dichtst bij die van Sagasta die gedurende haar regentschap langdurig aan de macht was.

De regering Sagasta 1885-1890

Nadat Sagasta invloedrijke figuren – zoals Sigismundo Moret en Eugenio Montero Ríos – uit de in 1881 van de Partido Liberal afgescheiden Izquierda Dinástica, weer aan zich had weten te binden, probeerde zijn kabinet een aantal belangrijke hervormingen door te voeren. De verkiezingen van 1886, geheel in stijl van het turnismo waarin verkiezingsfraude niet werd geschuwd, brachten Sagasta een royale meerderheid in het parlement en dus lag de weg open naar nieuwe, progressief-liberale wetgeving. Het eerste succes was de aanvaarding van de wet op vereniging die in 1887 tot stand kwam en waarin niet alleen het recht op associatie werd vastgelegd, maar ook het recht op collectieve acties. Deze wet werd internationaal geprezen vanwege haar vooruitstrevend karakter en is van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van de arbeidersbeweging. Zij was een flinke steun in de rug bij de oprichting van vakorganisaties zoals die van de Unión General de Trabajadores (UGT) in 1888.

Een heet hangijzer vormde de poging tot hervorming van het leger. Cánovas del Castillo had bij zijn eerste aantreden de krijgsmacht nadrukkelijk onder burgerlijk gezag geplaatst met de koning als symbool ervan door creatie van de rey-soldado (koning-soldaat), maar hij betaalde er een hoge prijs voor: geen bemoeienis van burgerlijke autoriteiten met interne zaken van het leger. En toch was dat hard nodig, want het leger was slecht georganiseerd, telde veel te veel officieren, het kende een antiek systeem van rekrutering, de soldij was laag en het was qua gevechtskracht absoluut geen partij voor de legers van andere mogendheden. Minister van Oorlog Manuel Cassola stelde zich twee dingen ten doel: creatie van een autonoom en efficiënt functionerend leger naar Pruisisch model en het oplossen van de sociale problemen waarmee soldaten te maken hadden. Van al zijn wetsvoorstellen deed die van de invoering van algemene dienstplicht wel het meeste stof opwaaien. Daarmee beoogde Cassola het systeem van rekrutering af te schaffen dat afkoping of vervanging mogelijk maakte waardoor armen altijd de klos waren.

Essentieel was de gedachte – benadrukt door de jonge liberaal José Canalejas – dat iedereen gelijk is voor de wet en dat dit dus ook van toepassing is op jonge mannen die de plicht hebben hun vaderland te verdedigen. Over het complete pakket van wetsvoorstellen werden in de Cortes meer dan tweehonderd redevoeringen gehouden en ook buiten het parlement kreeg het enorme aandacht in de pers en in de vele tertulias (gesprekskringen) die Spanje rijk was. Het verzet tegen Cassola was hevig en in juni 1888 trad hij af. Zijn opvolger, Tomás O’Ryan y Vázques probeerde vervolgens om samen met de inmiddels tot het kabinet toegetreden Canalejas te redden wat er te redden viel en bepaalde per decreet dat eervolle bevorderingen en bijbaantjes voortaan vermeden werden. Ook voerde hij een nieuw systeem van bevorderingen in dat promotie op grond van verdiensten in oorlogstijd mogelijk maakte. Dat nam niet weg dat de hervormingen voorlopig van de baan waren en de militairen kans hadden gezien het burgerlijk gezag buiten de kazernepoorten te houden. Zij hadden zich in feite weten te ontwikkelen tot een politieke pressiegroep van formaat die ook beschikte over een persorgaan waarin zij stelling namen tegen de hervormingen en zich opwierpen als beschermers van het vaderland. Zo werden de zich roerende arbeidersbeweging en het opkomend antimilitarisme in de militaire pers fel aangevallen.

Manuel Alonso MartínezManuel Alonso MartínezEen ander politiek zwaarwegend punt voor de Partido Liberal was de vormgeving van een nieuwe civiele orde. Al eerder – in 1870 – was een wetboek van strafrecht tot stand gekomen, maar er was in 1885 een sterke behoefte eindelijk te komen tot een hecht Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe handelswet kwam tot stand die beter aansloot op de behoeften van de moderne liberaal-kapitalistische maatschappij en na lange discussies in de Cortes werd de wetgevende arbeid van het kabinet Sagasta bekroond met de aanvaarding van het Burgerlijk Wetboek in 1889. In dit proces was de bijdrage van minister van Justitie Alonso Martínez als voorzitter van de commissie ter voorbereiding van de wet van doorslaggevende betekenis. Hoewel de liberalen streefden naar uniformering bleken zij bereid rekening te houden met de bestaande wetgeving op provinciaal niveau: de erfenis van een verleden waarin Spanje als staat niet bestond en zich in de diverse rijken op het Iberisch schiereiland zich verschillende rechtssystemen (fueros) hadden ontwikkeld. Behalve het Burgerlijk Wetboek schreef Alonso Martínez geschiedenis door de juryrechtspraak in te voeren, een wens van de progressieven die jarenlang was tegengehouden door conservatieve politici.

Tenslotte was er de invoering van het algemeen kiesrecht voor meerderjarige mannen (vanaf 21 jaar) in 1890. Dit was een onderwerp dat altijd hoog op de progressief-liberale agenda had gestaan en tijdens de revolutionaire jaren in de grondwet van 1869 ook al eens was ingevoerd. Formeel betekende de herinvoering van het algemeen kiesrecht een bevestiging van het democratisch gehalte van de Spaanse natie, maar in de praktijk bleef het turnismo de overhand houden met de daarbij behorende grootschalige manipulaties van verkiezingsuitslagen. Nog altijd heerste er controle van bovenaf en was van politieke invloed van het volk maar weinig sprake.

Spanje tijdens de koloniale oorlogen

In de jaren negentig van de negentiende eeuw raakte Spanje verwikkeld in een strijd met zijn koloniën in het Caribisch gebied, een strijd die culmineerde in de Spaans-Amerikaanse oorlog van 1898 waarover eerder is gepubliceerd op deze site. Voor de hand ligt de vraag waarom Spanje zich liet meeslepen in een oorlog met de oppermachtige VS. Uit militair oogpunt stond dat gelijk aan zelfmoord, want het overwicht van de Amerikanen was enorm. Het antwoord daarop is gelegen in de destijds heersende mening dat het voeren van deze ongelijke strijd noodzakelijk was om de Spaanse monarchie van de ondergang te redden. Verdediging van het Spaanse erfgoed stond centraal, niet alleen bij Sagasta, maar zeker ook bij regentes Maria Christina. Verlies van de koloniën was daaraan ondergeschikt.

Het liep zoals men had verwacht, strijdend ging Spanje ten onder, maar de monarchie, gepersonifieerd in de jonge koning Alfons XIII, bleef intact. De president van de Spaanse Senaat en voorzitter van de onderhandelingsdelegatie in Parijs verzuchtte:

‘Alles is teloor gegaan, behalve de monarchie’.

Binnenslands werd over deze kwestie uiteraard verschillend gedacht. Voorstanders ervan, die zich uitdrukten in patriottische bewoordingen, deden dat niet zozeer uit liefde voor het koningshuis, dan wel uit eigenbelang. Het waren vooral de grootgrondbezitters, handelaren en de Catalaanse industriëlen die profiteerden van hun monopolieposities. De graanverbouwers van Castilië namen een wat gematigder positie in en gaven vanuit hun verbondenheid met het gedachtegoed van de Partido Liberal steun aan de pogingen van Sagasta om Cuba te behouden door verlening van autonomie.

Tegenstanders van de oorlog waren natuurlijk te vinden onder de gewone bevolking die zuchtte onder de extra belastingen ter financiering ervan en die door de midden- en hogere klassen konden worden ontdoken. De carlisten ontpopten zich weliswaar als echte patriotten, maar hoopten dat een militaire nederlaag de kansen van hun troonpretendent zou vergroten. Wie zich openlijk verzette tegen de oorlog was Pi y Margall, oud-premier en afgevaardigde in het parlement die de wreedheden van de oorlog hekelde en een duidelijk antikolonialistisch beleid voorstond. Hij vormde een kleine minderheid in het politieke krachtenveld en werd alleen gesteund door republikeinen en socialisten. Laatstgenoemden voerden campagne tegen de oorlog, vooral na de dood van Cánovas en hun leider Pablo Iglesias – oprichter van de PSOE – publiceerde tal van artikelen in het blad El Socialista waarin hij blijk gaf van pacifistische opvattingen en zich een fervent tegenstander toonde van het kolonialisme. Het leidde tot een aantal grote samenkomsten in steden als Gijón, Santander en Madrid waarbij arbeiders demonstreerden tegen de oorlog in de wetenschap dat zij moesten bloeden voor de belangen van de heersende klassen.

Alejandro LerrouxAlejandro LerrouxDe anarchisten bevonden zich in een lastige positie, want al eerder hadden zij getoond geweld niet te schuwen. Niettemin was de oorlog voor een aantal anarchisten het aangrijpingspunt om zich te presenteren als een alternatieve beweging van antimilitaristische en antinationalistische signatuur. Voor hen was het ook het moment om kracht bij te zetten aan hun eisen voor onafhankelijkheid van Cuba en op te komen voor de rechten van een aantal anarchisten die opgesloten zaten in de gevangenis van Montjuic (Barcelona) en daar blootstonden aan ernstige martelingen. Demonstraties waren uitgelopen op een heftige reactie van de overheid toen in juni 1896 een onbekende een bom wierp tijdens de viering van Sacramentsdag in een van de straten van de stad wat twaalf doden en tal van gewonden veroorzaakte.

Niet in staat om de dader te vinden, arresteerde de politie 400 mensen van linkse huize. Zij werden opgesloten in het kasteel van Montjuic en op de meest gruwelijk manieren gemarteld. Tegen 28 van hen werd de doodstraf geëist en voor 59 levenslange gevangenisstraf. In de hoofdstad wed lauw gereageerd op deze gruwelijke gebeurtenissen in Catalonië, maar wel leidden ze tot reacties in Frankrijk dat op dat moment worstelde met de Dreyfus-affaire. Het was Alexander Lerroux, de toenmalige directeur van de krant El País, die de wreedheden van Montjuic keer op keer aan de kaak stelde wat leidde tot demonstraties in tal van Spaanse steden. Lerroux ondernam een twintigtal reizen door het land om overal een lans te breken voor de gevangenen van Montjuic. Er heerste een opgewonden sfeer die de Italiaanse anarchist Angiolillo ertoe bracht naar Spanje te reizen om terroristische acties te ondernemen. Hij drong zonder enige moeite 8 augustus 1897 het kuuroord van Santa Águeda binnen waar hij vervolgens met drie pistoolschoten premier Cánovas del Castillo het leven benam.

De anarchist Angiolillo vermoordt Castillo (CC BY-SA 3.0 - Ginés, V. - wiki)De anarchist Angiolillo vermoordt Castillo (CC BY-SA 3.0 – Ginés, V. – wiki)

Het regeneratiedenken rond de eeuwwisseling

De processen van Montjuic eindigden in 1900 met slechts één vrijspraak waarna er heftige debatten werden gevoerd in de kranten door een nieuwe generatie van intellectuelen die zich verzetten tegen de bestaande orde en blijk gaven van hun republikeinse opvattingen, hun antiklerikalisme en antimilitarisme. Het waren de pleitbezorgers van een regeneratie, het herstel van het in hun ogen decadente Spanje dat diende af te rekenen met het verleden en met een politiek systeem dat gecorrumpeerd was door het turnismo van Cánovas. Twee stromingen dienen te worden onderscheiden, die van intellectuelen en politici die een heldere, objectieve en wetenschappelijk verantwoorde vernieuwing voorstonden en de stroming van schrijvers en kunstenaars die hun eigen, subjectieve opvattingen lieten prevaleren en zich uitten in literaire geschriften. Deze laatste stroming, met een van de belangrijkste vertegenwoordigers Joaquín Costa, wordt doorgaans de Generatie van ’98’ genoemd.

Francisco SilvelaFrancisco SilvelaHet besef dat Spanje de bakens had te verzetten en vooral in moreel opzicht schoon schip moest maken, heerste algemeen en ook in de Partido Conservador, de schepping van Cánovas del Castillo, werd dit idee door velen gedragen. Vooraanstaande figuren als Antonio Maura en Francisco Silvela, beiden zeer gelovige rooms-katholieken, pleitten vanuit die overtuiging ervoor om een eind te maken aan de verkiezingsfraudes bewerkstelligd door de plaatselijke caciques, lokale machthebbers die elke verkiezingsuitslag naar hun hand konden zetten. Zij vonden dat de politiek haar waardigheid moest hervinden. Daarnaast waren zij ervan overtuigd dat Spanje als Europese mogendheid pas serieus kon worden genomen wanneer de financiën op orde waren en het land weer kon beschikken over een volwaardig leger.

In maart 1899 vond weer een wisseling van de macht plaats en werd Sagasta opgevolgd door de conservatief Silvela met aan diens zijde de vanwege zijn verdiensten gedurende het Spaans-Amerikaanse conflict zeer populaire Camilo de Polavieja als minister van Oorlog. Polavieja vertegenwoordigde de gevestigde orde, maar was met Silvela van oordeel dat het logisch was om in het kader van een politiek van regeneratie, voorrang te verlenen aan de versterking van het leger. Dat voornemen stuitte echter op weerstand van de sober ingestelde Raimundo Fernández Villaverde, de minister van Financiën, die het op orde brengen van de rijksfinanciën belangrijker vond dan het doen van investeringen in de krijgsmacht. Zijn restrictief beleid betekende tevens dat er geen tegemoetkomingen konden worden gedaan aan de wensen van de Catalaanse industriëlen en Castiliaanse graanhandelaren, die vervolgens stelling namen tegen de regering Silvela. De regering ging ten onder. Ondanks de breed gevoelde noodzaak voor regeneratie bleken de onderlinge tegenstellingen te groot om handen en voeten te geven aan hervormingen.

Joaquín CostaJoaquín CostaDe andere stroming van regeneratiedenkers bestond zoals aangegeven uit een groep schrijvers en artiesten waartoe vooraanstaande intellectuelen behoorden als Joaquín Costa, Miguel de Unamuno, Ramón Menéndez Pidal, Ramón María del Valle-Inclán en Ramiro de Maeztu. Door sommigen wordt de filosoof José Ortega y Gasset ook tot de Generatie van ’98’ gerekend, maar zelf noemde Ortega deze de Onheilsgeneratie en hoorde hij in feite tot de optimistischer gestemde beweging die aan het begin van de Eerste Wereldoorlog van zich deed spreken: de Generatie van ’14’ ofwel de generatie van de hoop. En inderdaad, de generatie van 98 was er een die zich pessimistisch toonde over de kansen van Spanje om er weer bovenop te komen en meende dat de Spanjaarden daarvoor niet de capaciteiten bezaten. Costa verwoordde deze kijk op Spanje in zijn in 1901 gepubliceerde werk Oligarquia y caciquismo. Daarvoor had hij ervaring opgedaan op bestuurlijk vlak en als leider van de Nationale Liga van Producenten tal van hervormingsprogramma’s op agrarisch, economisch en bestuurlijk terrein ontwikkeld. Maar hij had ondervonden dat voor alle spelers op economisch gebied het hemd nader was dan de rok en elke poging verouderde systemen te veranderen schipbreuk leed op het laten prevaleren van het eigen- of groepsbelang.

Het einde van het regentschap van Maria Cristina

In maart 1901 nam Sagasta opnieuw de touwtjes in handen nadat de opvolger van Silvela, de conservatief Marcelo Azcárraga, kort aan de macht was geweest met als enige doel om het huwelijk te regelen van prinses María de las Mercedes, de oudste dochter van regentes Maria Christina, met Karel Maria van Bourbon-Sicilië, zoon van een carlist. Dit huwelijk werd een staaltje van rooms-katholiek machtsvertoon en stond in scherp contrast met de antiklerikale beweging die aan betekenis toenam binnen de Partido Liberal van Sagasta. In een beroemd geworden debat hekelde Sagastas’ partijgenoot José Canalejas de vijf politieke uitgangspunten van de Partido Conservador: reactie, klerikalisme, militarisme, regionalisme en kapitalisme. Vanaf die tijd groeide onder liberalen vooral het antiklerikale gedachtegoed als antwoord op de decennialange politiek waarmee de Partido Conservador ruim baan had gegeven aan de clerus.

~ Willem Peeters

Overzichtspagina geschiedenis van Spanje
Overzicht van boeken over de geschiedenis van Spanje

Bron

Romeinse brug ontdekt bij Utrecht

Bij archeologisch onderzoek in Leidsche Rijn bij Utrecht is een Romeinse brug ontdekt. De brug was onderdeel van de doorgaande weg op zuidoever van de Rijn, waar vanaf 40 na Chr. een reeks forten de grens van het Romeinse rijk bewaakte. Dat meldt de gemernte Utrecht.

De brug is aangelegd om de grensweg over een zijriviertje van de Rijn te leiden. Alle zestien eikenhouten brugpijlers zijn bewaard gebleven. De nieuwe opgraving ligt in Strijkviertel, nabij sportpark Rijnvliet.

Het gaat volgens archeologen om een zogenaamde ‘paaljukbrug’, gedragen door een rooster van vier bij vier palen. Ook de twee landhoofden waar de brug op uitkwam zijn voor een deel bewaard. Opvallend is het gebruik van basaltbrokken uit de buurt van Bonn om de landhoofden te beschermen tegen erosie. Het materiaalgebruik wijst erop dat de brug kan zijn gebouwd tijdens een van de grote bouwcampagnes langs de Romeinse grens (limes) in het jaar 100 of 125.

Basalt waarmee de brug aan de oever was bevestigd (Foto Gemeente Utrecht)Basalt waarmee de brug aan de oever was bevestigd (Foto Gemeente Utrecht)

Precies twintig jaar geleden is ook al een dergelijke paaljukbrug ontdekt in Leidsche Rijn, toen in Velthuizen, enkele kilometers westelijk van de nieuwe opgraving. Die brug dateerde uit het jaar 125 en was, net als de nu gevonden brug, 5,20 m breed – precies achttien Romeinse voeten.

Ook interessant: De Romeinse limes
Boek: Romeinse sporen – Het relaas van de Romeinen in de Benelux

  • Brug
  • Utrecht

Bron

Geschiedenis van de Boekenweek

Het is weer tijd voor de Boekenweek. Thema van dit jaar is De moeder de vrouw. Sinds 1930 worden in Nederland Boekenweken gehouden, dit met als doel de rol van het boek in de samenleving te verstevigen.

Mijn moeders strijd - Murat IsikMijn moeders strijd – Murat IsikHet boekenweekgeschenk van 2019 is geschreven door Jan Siebeling Gerritsen en heeft als titel Jas van belofte. Van 23 tot en met 31 maart geven boekverkopers dit boek gratis weg bij aankoop van ten minste 12,50 euro aan Nederlandstalige boeken. Op zondag 31 maart kan er gratis gereisd worden met de trein wanneer men het boekenweekgeschenk meeneemt.

De schrijver Murat Isiks schreef daarnaast een essay over de emancipatiestrijd van zijn moeder, Aynur. Zijn werd begin jaren vijftig van de vorige eeuw geboren in een arm Zaza-dorp in Oost-Turkije. Ze verzet zich lange tijd tegen haar ouders die haar willen uithuwelijken. Tot de druk zo hoog oploopt dat ze wel moet trouwen en ze begin jaren tachtig terechtkomt in de Amsterdamse Bijlmer, waar ze sociaal geïsoleerd raakt. Tegen de verwachtingen in besluit Aynur zich toch te emanciperen.

Het begin van de Boekenweek

In 1930 kwam tijdens de eerste Boekenweek het jubileumboekje De uitgever en zijn bedrijf uit. Dit boekje werd uitgegeven ter ere van het vijftigjarig bestaan van de Nederlandsche Uitgeversbond. Een jaar hierna was er geen boekenweek, maar in 1932 verscheen er voor het eerst een echt Boekenweekgeschenk. Het boek had de toepasselijke titel Geschenk.

Na dit eerste officiële boekenweekgeschenk verscheen er vrijwel ieder jaar een boekenweekgeschenk tijdens de Boekenweek. Alleen tijdens de Tweede Oorlog verschenen er enkele jaren geen geschenken. In 1941 verscheen er nog wel een Boekenweekgeschenk, maar op last van de Duitse bezetter werd het boek op 1 maart 1941 uit de handel genomen. Vermoedelijk omdat een van de schrijvers van de uitgave Novellen en Gedichten, Victor van Vriesland, van Joodse komaf was.

Doorgaans is het Boekenweekgeschenk een novelle. Tot en met de jaren zeventig verschenen er naast het officiële Boekenweekgeschenk ook enkele uitgaven voor de schoolgaande jeugd. Sinds 1987 verschijnt er naast het Boekenweekgeschenk ook een essay waarin vaak dieper ingegaan wordt op het thema van de Boekenweek.

Anonieme uitgaven

Oeroeg van Hella Haassse verscheen aanvankelijk anoniemOeroeg van Hella Haasse verscheen aanvankelijk anoniem

In de jaren ’40, ’50 en ’60 werden de Boekenweekgeschenken vaak anoniem op de markt gebracht. Dit in het kader van een prijsvraag. Onbekend was dus wie het boek geschreven had. Het Boekenweekgeschenk van 1948 bijvoorbeeld, het Oeroeg waaraan nu vrijwel iedereen direct de naam Hella Haasse koppelt, verscheen ook anoniem. In het Boekenweekgeschenk was een lijst van mogelijke auteurs opgenomen. De ontvanger van het geschenk kon per briefkaart laten weten wie volgens hem of haar de auteur van de novelle was.

De Boekenweekgeschenken worden uitgegeven door stichting CPNB. In het verleden werd dit gedaan onder de naam De Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels.

Essay bij de Boekenweek 2019: Mijn moeders strijd – Murat Isik

  • Boekenweek
  • CPNB
  • Hella Haasse
  • Oeroeg

Bron

Romeinse wachttoren gevonden in Krommenie

Bij opgravingen in Krommenie hebben archeologen de resten van een wachttoren blootgelegd. Gemeentelijk archeoloog van Zaanstad Piet Kleij weet vrijwel zeker dat het om een Romeinse wachttoren gaat. Daarmee zou het gaan om de meeste noordelijke Romeinse (militaire) nederzetting op het vaste land.

De wachttoren is vierkant en had onderaan afmetingen van ongeveer drie bij drie meter. De bovenverdiepingen waren waarschijnlijk iets groter. De archeologen hebben twee van de vier hoekpalen blootgelegd en uitgegraven. Om de wachttoren heen stond een grote omheining van boomstammen, een palissade, die bijna een half voetbalveld omsloot. Volgens de onderzoekers is dat bijzonder groot voor een palissade rond een wachttoren. Meestal waren ze kleiner. De omheining is niet vierkant, zoals op veel andere plekken in Europa het geval was, maar vijfhoekig.

Zowel de grootte als de vorm van de palissade en de ligging van het geheel, buiten het Romeinse Rijk, zijn volgens de archeologen opmerkelijk. Dit geeft aan dat het een bijzondere vindplaats is. De gemeente Zaanstad:

“De Romeinen hebben de wachttoren en de omheining met zorg aangelegd. De toren staat in een veenmoeras en om daar te komen hebben ze een dichtgegroeide kreek uitgegraven zodat een kanaal ontstond dat aansloot op waterwegen die naar de bewoonde wereld leidden. Het terrein zelf hebben ze opgehoogd met kleiplaggen. De boomstammen zijn waarschijnlijk aangevoerd vanaf de duinen of vanuit het rivierengebied langs de Rijn. De bouw zal heel wat zweetdruppeltjes hebben gekost.”

Onder de palissade ontdekten de archeologen aardewerk, dat mogelijk nog ouder is. De hele wachttoren blootleggen lukt niet. Er ligt een grote elektriciteitskabel die een groot deel van Krommenie van stroom voorziet.

Datering

Bij de opgraving vonden de archeologen ook aardewerk zoals potten en kruiken (amforen). Gebaseerd op de vorm van dit aardewerk lijkt het erop dat de wachttoren uit de eerste helft van de eerste eeuw dateert. Verder onderzoek moet uitwijzen of deze datering kan worden aangescherpt. En ook wat de Romeinen nu eigenlijk te zoeken hadden in dit drassige veenmoeras.

Boek: Romeinse sporen – Het relaas van de Romeinen in de Benelux

Toegevoegd: Opmerking 24 oktober 2018

“In 1964 en 1965 werd hier reeds een opgraving verricht, door de plaatselijke AWN afd. en de ROB (Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek. Met de kennis van toen werd door archeologen Halbertsma en Bogaers vermoed dat het om een “Hain” ging, een inheemse sacrale plaats. Op grond van de zeer vele Romeinse vondsten, waaronder slingerkogels, en de karakteristieke funderingspalen, die op een toren wezen, had de heer E.J. Helderman (Westerheem XX N0.1, febr 1971) de theorie dat het “Hain” een militaire post moest zijn in de vorm van een kleine wachttoren met een palissade eromheen. Deze theorie kwam tot stand na uitvoerige discussies na bestudering van het materiaal, binnen het toenmalige bestuur. Er was toen door gebrek aan kennis van gelijksoortige objecten geen 100% zekerheid of het een Romeinse wachttoren was. Ter voorkoming van schatgraverij werd over de resultaten van de opgraving in die tijd geen publiciteit in de media gezocht. Wel werd er in Westerheem en in de vakliteratuur over geschreven.”

– Walter Prinsze (voormalig secretaris van de AWN afd. Zaanstreek-Waterland e.o.)

Bron

Provinciale politiek, blik op een vrijwel onbekende bestuurslaag

Afgelopen 20 maart vonden de verkiezingen voor de Waterschappen en de Provinciale Staten weer plaats: miljoenen Nederlanders maakten de gang naar het stemhokje om het bolletje van hun favoriete kandidaten met de rode potlood aan te kruisen. Hoewel het opkomstpercentage fors hoger was dan voorgaande jaren, besloten nog altijd miljoenen Nederlanders thuis te blijven.

Foto: CC/LuijtFoto: CC/Luijt
De Provinciale Staten zijn (om over de Waterschappen nog maar te zwijgen) namelijk voor velen een vreemde bestuurslaag, een ver-van-ons-bedshow. Daarom wordt in campagnetijd vaker gesproken over de verkiezing van de Eerste Kamer dan over provinciale politiek. Die Kamer wordt namelijk verkozen door de leden van de Provinciale Staten (de mensen op wie we daadwerkelijk stemmen!). Een truc om mensen maar naar de stembus te lokken dus.

Onbekend

Hoewel het jammer is dat veel landgenoten zich afgelopen woensdag niet geroepen voelden om te gaan stemmen, is het niet onbegrijpelijk: want hoe bekend is de provincie onder de bevolking nou eigenlijk? Wat doet de provincie überhaupt (naast het kiezen van de Eerste Kamerleden) en wat speelt zich af in de provinciale politiek? En – misschien wel de belangrijkste vraag – hoe werkt die provinciale democratie? Onbekend maakt onbemind.

In het recent verschenen boek Provinciale politiek wordt, jawel, de provinciale politiek in de wetenschappelijke spotlights geplaatst. Onder redactionele leiding van Hans Vollaard en Harmen Binnema bespreken verschillende auteurs tal van aspecten van de provinciale politiek: de turbulente geschiedenis van de provinciën, de ontwikkeling van het ambt van Commissaris van de Koning(in), het feitelijke functioneren van de provinciale politiek, de architectonische pracht en de representatieve waarde van de Statengebouwen, de mogelijkheden voor burgers om te participeren in de provinciale politiek, de democratische kwaliteit van provincies in recente jaren – alles komt aan bod. Daarmee wordt, voor het eerst, recht gedaan aan dit tot nu toe veronachtzaamde onderwerp.

Geschiedenis

Van sommige provincies, zoals het bisdom Utrecht, het hertogdom Brabant of het graafschap Holland, gaat de voorgeschiedenis terug tot in de middeleeuwen. Die gebieden, weliswaar verschillend in politieke constructie, hadden binnen het Heilige Roomse Rijk een zekere zelfstandigheid verworven. De latere Bourgondische en Habsburgse heersers probeerden echter de teugels aan te spannen: zij wilden de nu nog verschillende politieke eenheden meer uniformeren en centraliseren. Dat stuitte echter op enorme weerstand in de Staten-Generaal, de gezamenlijke vergadering van alle individuele Staten, die er, niet verrassend, op gebrand waren om hun lokale belangen, verkregen privileges en verworven vrijheden te verdedigen. Uiteindelijk verbond een aantal van die Lage Landen, die fel gekant waren tegen de Habsburgse centralisatiepogingen, zich in de Unie van Utrecht (1579). Die club besloot later, na tevergeefs naar een heerser voor dat verbond te hebben gezocht, het heft in eigen handen te nemen: de soevereiniteit zou blijven liggen bij de confederale constructie van die zeven provincies. De Republiek der Zeven Verenigde Provinciën was geboren (1588-1795).

Provinciehuis Zuid-Holland aan het Zuid-Hollandplein in Den Haag (Publiek Domein - wiki)Provinciehuis Zuid-Holland aan het Zuid-Hollandplein in Den Haag (Publiek Domein – wiki)Omdat er geen staatshoofd gevonden was, werd het hoogste gezag van de Republiek belegd bij de Staten-Generaal, een orgaan waarin alle provincies vertegenwoordigd waren en zij hun provinciale zelfstandigheid zo goed en zo kwaad mogelijk verdedigden.

Gedegradeerd tot postbus

Nou ja, “alle provincies”… verre van dat, eigenlijk. Het arme landschap Drenthe werd geen zitting in de Staten-Generaal vergund. En ook Limburg, Groningen, Noord-Brabant en Zeeuws-Vlaanderen vielen, als veroverde gebieden, rechtstreeks onder de Staten-Generaal en beschikten dus nauwelijks over zelfstandigheid.

De soevereiniteit van de provinciën brokkelde verder af door de introductie van de stadhouders, figuren afkomstig uit het adellijk huis van Oranje-Nassau. Die types hadden, als aanvoerders van het leger, een enorm gezag, en konden regeringsreglementen opleggen en ambtenaren in de provincies benoemen. De provincies boetten daardoor steeds meer aan belang in.

Met de vorming van een eenheidsstaat in de late achttiende eeuw zette die trend door: de langgekoesterde provinciale soevereiniteit werd grotendeels opgedoekt, het provinciale takenpakket beperkte zich vervolgens tot een voornamelijk administratieve functie en een door de Koning benoemde Commissaris hield de teugels strak, zowel qua formele bevoegdheden als financiële huishouding. Provincies werden min of meer gedegradeerd tot postbus, als een doorgeefluik van Rijkswetten aan gemeenten enerzijds en gemeentewensen aan het Rijk anderzijds.

Verzorgingsgebieden

Niet verrassend is het daarom dat afgelopen eeuw – en zeker in de jaren zeventig – het bestaansrecht van provincies ter discussie werd gesteld. Een tijd lang werd gewestvorming door samenwerking en samenvoeging van gemeenten gezien als remedie tegen bestuurlijke problemen; later wilde minister De Gaay Fortman de provincies zelfs opknippen in 24 zogenoemde verzorgingsgebieden met bestuurlijke samenwerking. Opvolger Wiegel nam dat idee, weliswaar in aangepaste vorm, over: het land zou verdeeld worden in 17 provincies.

“Het provinciale bestuur is als een gesloten oester, een op het eerste oog weinig aantrekkelijke, oninteressante schelp, maar die, diep verborgen, een waardevolle parel bevat.”

Al die plannen werden echter ten grave gedragen. Gemeentelijke herindelingen en intergemeentelijke regelingen werden het nieuwe recept om bestuurlijke problemen op te lossen. De provincies bleven bestaan.

Belang

Zeker de eerste paar, historisch ingestoken hoofdstukken, waarin onder andere de geschiedenissen van de provincies en het ambt van Commissaris van de Koning(in) worden beschreven, zijn meer dan de moeite waard voor Historiek-lezers. De latere hoofdstukken, over de democratische kwaliteit van de provincie, de toetsstenen daarvoor en de vele tabellen over opkomstpercentages en kiesdistricten, zijn theoretischer en daardoor, zeker voor de politicologische leek, wat taaier van aard. Desalniettemin, óók die hoofdstukken zijn erg relevante materie voor eenieder die het feitelijk functioneren van het hart van de provinciale politiek wil begrijpen.

Het belang daarvan is helder: zonder te weten hoe de provinciale democratie functioneert, doen we niet alleen de ruim 500 Statenleden, die afgelopen woensdag gekozen zijn, maar ook onszelf, als burgers van twaalf provinciën, ernstig tekort. Ook reikt het boek ons de instrumenten aan om met iets meer afstand naar de afgelopen verkiezingscampagne te kijken. Hoe centraal de Eerste Kamerverkiezing daarin ook stond, de échte provinciale politiek gaat over iets heel anders: over hoe Provinciale Staten de controle van Gedeputeerde Staten vormgeven, over de mate waarin het bestuur uitwerking kan geven aan de voorkeuren van burgers en over de manieren waarop burgers (aangespoord worden om) betrokken (te) zijn bij beleidsontwikkeling en –keuzes. De toekomst zal uitwijzen hoe de nieuw gekozen Statenleden zich hier rekenschap van geven. Dankzij dit boek kunnen we hen kritisch blijven volgen.

Gesloten oester

Provinciale politiekProvinciale politiek – Harmen Binnema & Hans VollaardHet boek werpt, zoveel is inmiddels wel duidelijk, licht op een vrijwel onbekende bestuurslaag. Het is verbazingwekkend hoe weinig onderzoek er tot nu toe gedaan is naar provincies – zeker omdat sommige provincies al langer bestaan dan de Nederlandse staat. Het gebrek aan – of de onvolledigheid van – wetenschappelijk materiaal zorgt er echter voor dat sommige bijdragen in Provinciale politiek minder de diepte in kunnen dan je, als lezer, zou willen. Het is daarom van harte te hopen dat dit boek bijdraagt aan het verder oplaaien van de interesse naar het functioneren- en de democratische gesteldheid van provincies. Niet alleen onder wetenschappers, maar ook onder mensen als u en ik.

Het provinciale bestuur is als een gesloten oester, een op het eerste oog weinig aantrekkelijke, oninteressante schelp, maar die, diep verborgen, een waardevolle parel bevat. Met het openslaan van dit boek vangen we een glimp van die glinsterende parel op, zien we gedurende tweehonderd pagina’s de schoonheid van de provinciale democratie in volle glorie – razend actueel, dit boek.

~ Mark Barrois

Boek: Provinciale politiek – De provincies democratisch getoetst
Fragment uit het boek: Een historische schets van het provinciaal bestuur

Bestel dit boek bij:

Bron