Author Archives: Sebastian Sullivan

Groot onderzoek naar Romeinse villa Voerendaal

In Voerendaal bevinden zich de resten van een monumentaal Romeins villa complex uit de tweede of derde eeuw na Christus. Deze villa Voerendaal-Ten Hove is verreweg de grootste van Nederland: de gevel van het Romeinse gebouw mat wel 190 meter. Afgelopen week presenteerden de provincie Limburg, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en het Limburgs Museum in Venlo plannen voor een groot onderzoek naar deze vindplaats.

Romeinse ijzeren sleutel, Villa Voerendaal-Ten Hove. In Romeinse huizen werd de huisraad opgeborgen in kasten en kisten, die waren voorzien van een slot (Limburgs Museum)Romeinse ijzeren sleutel, Villa Voerendaal-Ten Hove. In Romeinse huizen werd de huisraad opgeborgen in kasten en kisten, die waren voorzien van een slot (Limburgs Museum)De villa lag langs een belangrijke Romeinse weg, de Via Belgica, en was een belangrijk knooppunt in het netwerk van handel in agrarische producten. Vanwege die functie, en zijn omvang, is de villa volgens de deelnemende partijen van internationale betekenis.

Het is ook de enige villa waarvan vast is gesteld dat er een aquaduct (waterleiding) aanwezig was. Al sinds de negentiende eeuw worden er opgravingen verricht op het terrein, maar die onderzoeken zijn nooit eerder in samenhang bestudeerd. De RCE:

“Het is een archeologische schatkist die nu voor het eerst wordt geopend. Met het komende onderzoek kan eindelijk het verhaal van dit enorme Romeinse complex worden verteld. Een aanvankelijk klein, lokaal boerenbedrijfje groeide uit tot een grootschalig agrarisch complex dat graanvoorraden leverde aan Romeinse grenstroepen. Wie zorgde voor die verandering? Wie woonden er? Hoe leefden ze? Veel vragen waar archeologen na een grondige uitwerking en analyse van de eerder gedane vondsten een antwoord op hopen te geven.”

Het onderzoek gaat drie jaar duren en wordt financieel ondersteund door de rijksoverheid en de provincie Limburg.

Overzicht van boeken over het Romeinse Rijk

Bron

Dalia Grinkeviciute, een veertienjarig meisje in de Siberische Goelag

Het deze week verschenen

Schaduwen over de toendra

(Ambo|Anthos) van Dalia Grinkeviciute is het aangrijpende oorlogsdagboek van een veertienjarig meisje in een Siberische

goelag

. Op eenentwintigjarige leeftijd weet Dalia de goelag te ontvluchten en keert ze terug naar Litouwen. Daar zet ze haar ervaringen uit het strafkamp op papier. Ze begraaft de aantekeningen in haar achtertuin, uit angst voor represailles van de KGB. Pas in 1991, vier jaar na Dalia’s overlijden, wordt het dagboek bij toeval gevonden. Op Historiek een fragment uit het werk dat in Litouwen tot de literaire

canon

behoort en in één adem genoemd wordt met Solzjenitsyn, Primo Levi en

Anne Frank

.

Schaduwen over de toendra

In de zevende Joodse barak is Gamzienė gestorven. Een knappe Jodin van veertig. Voormalig fabrikante. In het Altajgebied woonden we in dezelfde barak. Ze was een sympathieke en hartelijke vrouw, en ze hield intens van haar zoon Nolja, een lange, slanke, zeer begaafde en intelligente achttienjarige jongen. Iedere avond zat ik met Nolja naast de kachel. In die tijd leden we nog geen honger en leefden we in de illusie van een spoedige terugkeer. Nolja sloot zijn ogen en zong met zijn diepe bas. […]

‘Hij is ziek, en omdat hij er al zo lang ligt zijn zijn tenen bevroren’

Tamulevičius gaat met zijn brigade naar de zevende barak om Gamzienė op te halen. Naast haar ligt haar zoon. Hij is ziek, en omdat hij er al zo lang ligt zijn zijn tenen bevroren. Nu heeft hij gangreen in zijn voeten. Luizen kruipen over het gezicht en de borst van Gamzienė, ze springen over op haar zoon en de man rechts naast haar. Tamulevičius heeft een stuk brood op haar borst ontdekt dat de stervende vrouw tussen haar lompen had verstopt. Ook op het brood krioelt het van de luizen. Tamulevičius steekt zijn hand uit en grist het brood weg, schudt snel de luizen eraf, en het verdwijnt in zijn mond. De lompen van Gamzienė zijn tegen de ijskoude stenen muur vastgevroren. […]

Goelag-barak (CC BY-SA 3.0 - 	Pudelek - wiki)Goelag-barak (CC BY-SA 3.0 – Pudelek – wiki)

Een zware, uitputtende, volkomen normale werkdag is voorbij. Ik zit bij de kachel, waarin zoals altijd de gestolen planken liggen te branden. Links en rechts worden straffen uitgedeeld, maar je moet nou eenmaal blijven stelen, en daarom gappen we om de beurt. We gaan altijd met z’n tweeën, zodat een de wacht kan houden. Alleen Nausėdienė gaat nooit mee, zij kan het niet opbrengen, haar hele wezen verzet zich ertegen – ze heeft zelfs nooit een staatsvod ontvreemd. Ze is niet veranderd. In het begin verbaasden we ons over haar, het zwarte schaap in onze ogen, later werden we er kregelig van dat ze zo gewetensvol was. Wij zouden zelfs nog het dak van Sventickis’ huis af hebben gesloopt. Ze werd niet boos op ons, maar trouw aan haar principes als ze was zei ze slechts: ‘Geloof me, ik kan het niet.’ En dus vielen we haar niet lastig, alleen al omdat ze nu eenmaal een bijzonder mens was.

Wachttoren van een Goelag-kampWachttoren van een Goelag-kamp – ccOp de eerste kerstdag, nog voor we met het hout de oever van de rivier hebben bereikt, steekt er een sneeuwstorm op. We kunnen niet met lege handen terugkeren. En onze terugkeer wordt een nachtmerrie. Het pad is dichtgesneeuwd, overal liggen bergen verse, zachte sneeuw waarin we wegzakken. We kunnen niet op onze benen blijven staan, wankelen, vallen en komen vast te zitten in ons tuig. De wind zwiept van opzij, smijt onze slee met hout om, rukt de balken van het tuig los, en alles vliegt in de gierende wind nog een paar meter verder door de lucht. We raken van het pad.

Op ons daalt de duisternis van de poolnacht neer. We zien elkaar in het donker niet meer en veranderen langzaam in standbeelden van sneeuw en ijs. Sneeuw in je handschoenen, je nek, je broek. Totoraitytės tenen bevriezen: ze heeft oude vilten laarzen vol gaten. Ze slingert in het touw heen en weer, kan niet meer trekken, kan nauwelijks nog lopen. We willen de boel al laten staan en op ons eigen houtje verdergaan – dat zou hoe dan ook beter zijn dan samen te creperen. Misschien dat iemand het in deze kerstnacht dan nog haalt? Maar Krikštanienė – die geweldige vrouw, die moedig is als een man, die nooit haar tegenwoordigheid van geest verliest – maant ons om bij elkaar te blijven. Korte tijd later bereiken we Konstantinovka, en met tegenwind in het gezicht slepen we ons langzaam voort naar Trofimovsk. De sneeuwstorm blaast ons nog een paar keer met slee en al omver, maar de berg, ons Golgota, is al snel bedwongen.

Vanagas keurt ons werk – hij schat het door ons meegebrachte hout met zijn blote oog en zegt dat we de hele boel naar het veld voor de school moeten brengen. De laatste tweehonderd meter tot het veld zijn de ergste. Dan houden we eindelijk stil en zijn lang bezig om ons van tuig en touwen te ontdoen. Wij met ons vijven, zonder een woord te zeggen, zwijgend.

‘Ik zal me overal doorheen slaan. Ik had nooit gedacht dat ik zo sterk aan het leven hing.’

Vanagas is allang terug in zijn keet. Of we het hout hier nou lossen of niet, niemand die het ziet. En dan moeten ze later maar het tegendeel bewijzen… Een moment later brengen we onze slee weer in beweging – naar onze barak. Nausėdienės hart zal zich waarschijnlijk samentrekken, maar god nog aan toe, ook zij zal het fijn vinden dat ze zich met kerst aan het petroleumvatkacheltje kan warmen. Onderweg stuiten we op directeur Mavrin, gehuld in een bontjas. Hij zal wel denken dat we het hout naar de ziekenbarak brengen. Binnen vijf minuten is onze slee leeg en het hout in onze barak. Het kacheltje gloeit. Drie roebel verdiend en eigen hout op de koop toe.

In de barak met zijn pantser van ijs struikel ik alweer ergens over… een weerzinwekkende damp… de stank van urine. We zijn door en door verkleumd, er zit rijp op onze gezichten – grote, witte vlekken. We wrijven ze in met sneeuw. Op mijn taille heb ik wonden.

Schaduwen over de toendra - Dalia Grinkeviciute (€21.99)Schaduwen over de toendra – Dalia Grinkeviciute (€21.99)Krikštanis wil het hout wel hakken. ‘Barniškienė, haal je kind hier weg, ik moet hout hakken.’ Achter me ligt het stamblok waarop we het hout hakken; er ligt iets wits op. Ik loop ernaartoe, buk me en vind op de tast het dode lichaam van een klein kind. De kleine Barniškiukas is vandaag gestorven.
‘Ik weet niet waar ik met hem naartoe moet.’
‘Schuif hem gewoon onder de brits.’
Een moment lang schemert er witachtig een kinderlichaam voor mijn ogen en verdwijnt dan. Albertas komt onze barak in. Hij wil afscheid nemen en geeft iedereen een hand. Ik zit bij het vuur. Albertas gaat naast me zitten, steekt een sigaret op en geeft me iets van zijn tabak. Ik draai ook een saffie. We zwijgen.

‘Ik ben blij, Dalia, dat ik deze hel straks achter me laat. In het kamp van Stolby zal het niet slechter zijn, erger kan niet. Mijn moeder is er niet meer. Die drie jaar strafkamp kom ik wel door. Daarna keer ik terug naar het leven. Dan zullen wij, Dalia, léven. Heerlijk leven. Ik zal me overal doorheen slaan. Ik had nooit gedacht dat ik zo sterk aan het leven hing.’
Albertas brengt zijn gezicht heel dicht bij het mijne en voegt er nadrukkelijk aan toe: ‘Wij zijn jong, wij zullen leven, wij gaan het redden.’

~ Dalia Grinkeviciute

Boek: Schaduwen over de toendra – Dalia Grinkeviciute
Ook interessant: De Goelag Archipel: een hard gelag

Bestel dit boek bij:

Bladervideo: Schaduwen over de toendra

Bron

Methode en belang van het onderzoek

Door het onderzoek naar zowel hedendaags als antiek genetisch materiaal is het mogelijk uitspraken te doen over bijvoorbeeld de relatie tussen de diverse leden van de Achttiende Dynastie van Egypte, waarvan de mummies over zijn. Ook kunnen we uitspraken doen over bepaalde antieke ziektes – Ötzi zou doodziek zijn geworden van melk – en het uiterlijk van mensen. Het belang van dit soort onderzoek voor het begrip van antieke migraties is groot en ik heb het behandeld in Wahibre-em-achet en andere Grieken, dat momenteel bij de corrector ligt en op 4 april wordt gepresenteerd.

Ook al spreken we van DNA-revolutie, dat is eigenlijk niet helemaal juist, want er is een tweede laboratoriumtechniek met een (minimaal voor migratie) even groot potentieel: het isotopenonderzoek. Dit vergt even wat uitleg maar de conclusies zijn echt leuk.

1.

Atoomkernen bestaan uit protonen en afhankelijk van het aantal daarvan hebben de elementen een naam. Eén proton is het element waterstof, twee protonen is helium en zo voort. Daarnaast zijn er in de atoomkernen neutronen en dat zijn er niet altijd even veel. De zevenendertig protonen van het element rubidium krijgen meestal gezelschap van achtenveertig neutronen – dat heet dan 85Rb omdat er in totaal vijfentachtig protonen en neutronen zijn – maar soms zijn er minder of meer neutronen. Atomen met een verschillende massa worden aangeduid als isotopen.

Marie CurieMarie Curie ontdekte dat allerlei isotopen instabiel zijn. Na verloop van tijd vallen ze uiteen in stabielere atoomkernen. Daarbij komt straling vrij. Zo verandert in de kern van 87Rb een neutron in een proton, waarna we te maken hebben met negenenveertig neutronen en achtendertig protonen, en dus met een ander element: het stabiele strontium. Of, om precies te zijn, 87Sr. Dit is een voorbeeld van wat bekendstaat als radioactief verval en de snelheid waarmee het gebeurt wordt meestal aangeduid als de halfwaardetijd. In het gegeven voorbeeld is die heel erg laag: voordat van een monster 87Rb de helft is omgezet in 87Sr, is een kleine vijftig miljard jaar verstreken. Dat is drie keer zou oud als het heelal, dus als iemand zou zeggen dat 87Rb eigenlijk stabiel is, dan heeft ’ie een punt. Desondanks zijn er gebieden waar het betrekkelijk veel voorkomt, namelijk als het afkomstig is uit lang geleden gevormd, rubidium bevattend gesteente, en zijn er ook gebieden waar het minder vaak voorkomt.

2.

Strontium heeft chemische eigenschappen die lijken op calcium. Daardoor kan in planten, die strontiumhoudende mineralen uit de bodem opnemen, in een molecuul de plaats van calcium zijn overgenomen door strontium en zo terechtkomen in de botten en het tandglazuur van plantenetende dieren. Aangezien de bodem niet overal hetzelfde is samengesteld, is ook de aanwezigheid van 87Sr niet dezelfde.

En nu de grote truc: je kunt iemands tandglazuur, dat zich vormt in de jeugd, vergelijken met iemands botten, die gedurende een heel leven worden gevormd en dus de omgeving documenteert waar hij is overleden. Als iemand nooit is verhuisd, is het percentage 87Sr (in verhouding tot een stabiele isotoop als 86Sr) hetzelfde. Is het echter anders, dan is hij verhuisd vanuit een gebied met een merkbaar andere samenstelling.

Een van de eerste keren dat dit soort onderzoek werd uitgevoerd, betrof het gebeente van enkele in Vlaanderen vereerde, vroegmiddeleeuwse heiligen, waarvan het heiligenleven vermeldde dat ze niet waren begraven in hun geboortestreek. Dat werd bevestigd door het isotopenonderzoek. Een ronduit verbluffende conclusie kon worden getrokken over een rund dat om het leven is gekomen tijdens de slag in het Teutoburgerwoud: het was geboren in Italië, over de Alpen gekomen toen de Romeinen oprukten naar de Donau, later teruggekeerd naar Italië en uiteindelijk dus aan zijn einde gekomen bij Kalkriese.

(Dit soort onderzoek is mogelijk omdat rundergebitten iets anders in elkaar zitten dan die van mensen, waardoor je er meer mee kunt doen dan alleen een vergelijking van geboorte- en sterfgebied. Het fijne weet ik hier ook niet van.)

3.

Wat geldt voor strontium, geldt ook voor lood, dat eveneens een aanwijzing biedt voor de ouderdom van deze of gene bodem. Andere elementen, zoals koolstof en zuurstof, zijn weer te verbinden met omgevingsfactoren als de nabijheid van de kust, fotosynthese of de hoogte. Als we het hebben over multi-isotoop-onderzoek, is er, zoals de naam al aangeeft, gekeken naar diverse elementen.

Mapping Migrations - Proefschrift van Lisette M. KootkerMapping Migrations – Proefschrift van Lisette M. KootkerZelfs in een kleine regio als Nederland zijn verschillen aan te wijzen en in het recente proefschrift van Lisette Kootker is een van de conclusies dat in de laatste eeuwen v.Chr. mensen over betrekkelijk grote afstanden hebben gereisd. Zo blijkt ongeveer de helft van de bevolking van het Nederlandse rivierengebied niet lokaal te zijn opgegroeid. Voor andere gebieden en tijdvakken was het weer anders.

Een voorbeeld dat het nieuws haalde: in 2015 identificeerde Nico Roymans bij Kessel, waar de Maas en Waal samenkomen, de resten van wat een antiek slagveld lijkt te zijn geweest. Tenminste vier van de mensen die hier gewelddadig om het leven zijn gekomen, blijken niet afkomstig uit het rivierengebied, wat past bij de hypothese dat dit de plaats is geweest waar Julius Caesar twee stammen uitmoordde die afkomstig waren uit Germanië. Nu was de helft van de bevolking daar niet in de regio geboren, dus we zouden wel meer gegevens willen hebben. Eigenlijk zouden we het liefst willen dat we niet vier maar veertig mensen konden onderzoeken en dat we niet concludeerden dat ze niet uit het rivierengebied kwamen, maar dat ze uit pakweg het Roergebied kwamen. Desondanks staat toch maar mooi vast dat deze mensen niet afkomstig waren uit de regio. Tien jaar geleden zouden we niet van zulke inzichten hebben durven dromen.

~ Jona Lendering

Jona Lendering is historicus, webmaster van Livius.org en docent bij Livius Onderwijs. Hij publiceerde verschillende boeken. Zie ook zijn blog: mainzerbeobachter.com

Het proefschrift van Kootker kunt u

hier

downloaden. De Nederlandse samenvatting is

daar

en begint op blz.254. Kootker is een van de spreeksters op “Oog op de Oudheid 2019”, op dinsdag 9 april in het RMO.

Bron

Proletariërs en proletariaat – Betekenis en herkomst

Het begrip proletariër is afkomstig uit de Romeinse Tijd. In de Oudheid vormden proletariërs de onderklasse van de Romeinse samenleving, het zogeheten proletariaat. Wat is de precieze betekenis en herkomst van het begrip proletariërs?

Betekenis van de term

Voorblad van het communistisch manifest van Karl Marx en Friedrich EngelsVoorblad van het communistisch manifest van Karl Marx en Friedrich EngelsProletariërs golden in de tijd van de Romeinen als de onderklasse van niet-adelijke personen. Zij vormden de klasse van de armen, bezitslozen, of iets letterlijker: proleten. Proleten waren mensen die niets anders hadden dan hun kinderen. Ze hadden geen burgerrechten en beschikten evenmin over eigen grond.

In het boek Wetenswaardig allerlei. Bijdragen tot algemeene kennis (1922) gaf Teunis Pluim (1864-1931) een kernachtige omschrijving van de proletariër:

“De Romeinsche koning Servius Tullius (578-534 v.Chr.) deelde de bewoners naar hun vermogen in vijf klassen in. Zij, die zóó weinig bezaten, dat zij niet eens in de laagste klassen vielen, werden proletariërs genoemd. Het woord is afgeleid van “proles” = nakomelingschap, daar zij alleen door hun kinderen (als soldaten) den staat van dienst konden zijn.”

De proletariërs vormden een klasse naast de klasse van patriciërs: de gegoede stand, de adel. Deze patriciërs hadden de bestuurlijke macht in handen en bezaten burgerrechten en grond. Tussen beide klassen in werd nog de klasse onderscheiden van de plebejers. Zij waren meestal boeren of vaklieden met een eigen stuk grond, hadden wel burgerrechten en werden beschermd door het Romeinse recht.

“Proletariërs aller landen verenigt u!”

Het begrip ‘proletariër’ werd in de negentiende eeuw beroemd toen Karl Marx en Friedrich Engels deze term gebruikten in hun Manifest van de Communistische Partij (1848) hun beschrijving van het communisme. Het manifest had de quote ‘Proletariërs aller landen verenigt u’ op de omslag staan en eindigde met dezelfde oproep aan arbeiders:

“Proletariërs aller landen verenigt u!”

Lees ook: Plebs & patriciër: herkomst en betekenis

Bronnen

Internet
-http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/proletarier
-http://romeinen.info/servius-tullius-de-tragische-koning-578-534-v-chr/
-https://www.encyclo.nl/begrip/proletari%C3%ABr
-https://www.ensie.nl/memo/proletarier

  • Oudheid
  • Rome
  • Taaltrivia

Bron

De Nederlandse opgraving op Tell Deir Alla (1960-1967)

De oudheidkundige beschikt over teksten en over vondsten. Die twee soorten data documenteren op verschillende manieren hetzelfde verleden. Ze zijn allebei lastig. De geschreven bronnen veronderstellen een wereld, een wereldbeeld en een vormentaal die grondig afwijken van de onze; ze zonder doordachte uitlegstrategie (“hermeneuse”) lezen is zoiets als bij de Ronde van Frankrijk gaan zoeken naar de man met de hamer. Archeologische vondsten zijn dan weer ambigu en zeggen alleen maar iets als je gerichte vragen stelt. Oudheidkunde is geen kwestie van “Data, data, speak to me!” De data zeggen pas iets als je een vraag en een methode hebt.

Daarbij komen de problemen van de wisselwerking tussen deze twee soorten bewijsmateriaal, zoals bij de chronologie. Die is voor de archeologie voor een deel gebaseerd op het aardewerk, dat aanvankelijk werd gedateerd aan de hand van geschreven bronnen. Simpel voorbeeld: als we daarin lezen dat de Assyriërs het koninkrijk Israël rond 724 v.Chr. onder de voet liepen, dan zal het Assyrische vaatwerk dat in Megiddo is opgegraven wel dateren van na dat jaar. De teksten bieden in deze redenering dus een ijkpunt voor de aardewerkchronologie. Lange tijd probeerden oudheidkundigen op deze wijze ook een chronologie te bouwen voor eerdere perioden in het Israëlisch-Palestijnse verleden, maar dat is niet gelukt. Inmiddels is de verhouding tussen tekst en vondst omgedraaid: de aardewerkchronologie wordt zoveel mogelijk gebaseerd op laboratoriumtechnieken, daarmee bepalen wetenschappers het verhaal over de Brons- en IJzertijd, en pas daarna wordt gekeken hoe de teksten daarbinnen passen.

Tell Deir Alla

Een eerste stap in die richting werd gezet in Tell Deir Alla in Jordanië, waar de Leidse onderzoeker Henk Franken (1917-2005) in de jaren zestig onderzoek deed, speciaal gericht op de aardewerkchronologie. Aan zijn werk is een heel leuk boek gewijd, We graven hier niet de Bijbel op! van Margreet Steiner en Bart Wagemakers.

In een eerste hoofdstuk wordt de politieke situatie geschetst: het VN-mandaat over Palestina was in 1948 beëindigd, de staat Israël was gesticht en Jordanië had de westelijke Jordaanoever geannexeerd. Ook al lag het centrale deel van de Jordaanvallei, waar Tell Deir Alla lag, nu binnen de grenzen van Jordanië, het was weleens makkelijker geweest om de bijbelse landen te bezoeken. Los daarvan was dit gebied wat achtergebleven. Eén van de voorwaarden die de eigenaar van de vindplaats stelde, was dat Nederland een waterzuiveringsinstallatie voor het dorp bouwden. Pas toen daarover een akkoord was bereikt, konden de archeologen hun tenten opslaan bij Tell Deir Alla. Dat van die tenten moet u overigens letterlijk nemen.

Robert Mortimer WheelerRobert Mortimer WheelerEen van de leuke trekken van dit onderzoek was dat de archeoloog van dienst als theoloog was geschoold. Franken was echter bijgeschoold door Katherine Kenyon, die aan de overkant van de rivier in Tell es-Sultan opgroef, het antieke Jericho. Zij is degene die de door de Britse archeoloog Mortimer Wheeler ontwikkelde kwadrantenmethode introduceerde in wat destijds nog de bijbelse archeologie heette. Hierbij wordt een terrein verdeeld in een reeks vierkante opgravingsputten, waardoor het horizontale vlak van de eigenlijke opgraving eenvoudig valt te relateren aan het profiel in de vier aangrenzende dammetjes. Hier werd een nieuwe wetenschappelijke standaard geïntroduceerd en Franken had zich geen betere inleiding tot de archeologie kunnen wensen.

Nu wilde hij een eigen opgraving en dus begon het bureaucratische spel. De diverse subsidiënten hadden elk zo hun belangen, de Jordaanse autoriteiten en de landeigenaar eveneens, terwijl Franken wilde werken met een duidelijke wetenschappelijke vraag: hij streefde naar een betere aardewerkchronologie. Deze onderzoeksopzet was niet helemaal onbijbels – ze heeft te maken met het vaststellen van de historiciteit van de Intocht van Jozua – maar was toch vooral archeologisch. Vandaar de titel van het boek van Steiner en Wagemakers: We graven hier niet de Bijbel op!

Het zou ironisch genoeg wel gebeuren, en wel op twee manieren. Eén daarvan viel te voorzien. Franken wilde een goede chronologie hebben omdat alleen als de archeologie een eigen verhaal kon vertellen, de wetenschap een kader had om de wereld en het verleden te begrijpen waarnaar de Bijbel verwijst. Lang voordat de koolstofdatering een werkelijk duidelijke chronologie voor de Levant bood – en sommige kwesties zijn nog altijd niet opgelost – begreep Franken het eigenlijke wetenschappelijke probleem.

Bileam

Toen het onderzoek eenmaal liep, vond Franken wat hij niet zocht: een muur waarop met inkt een tekst was geschreven die een bijbels personage noemde, namelijk Bileam. Dit was de man die door de koning van de Moabieten was ingehuurd om een vervloeking uit te spreken over de Hebreeën, die van Egypte op weg waren naar het Beloofde Land. Op het moment suprême kon Bileam, zo lezen we in Numeri, alleen maar een zegen uitspreken die later messiaans zou worden uitgelegd. Nu door de archeologie bekend was hoe de toenmalige wereld eruit zag, beschikken we over een kader om de bijbelse teksten te lezen. Het lijkt er sterk op dat de joodse auteur van Numeri, die wel contacten zal hebben gehad met het heiligdom in Jeruzalem, een kans zag een sneer uit te delen naar de concurrentie aan de overzijde van de Jordaan.

We graven hier niet de Bijbel op! beschrijft de opgraving in de jaren zestig. Het deed me plezier en verdriet te zien dat sommige zaken destijds echt beter waren dan nu. De huidige, tot irrelevantie doorgespecialiseerde sub-sub-sub-disciplines waren er nog niet. De theoloog die werkte als archeoloog is niet het enige voorbeeld; Steiner en Wagemakers vermelden ook archeologen van het Biologisch-Archeologisch Instituut in Groningen, vooral bekend om onderzoek in het noordwesten van Europa, die kwamen werken in het Nabije Oosten.

We graven hier niet de Bijbel op! De Nederlandse opgraving op Tell Deir Alla (1960-1967)We graven hier niet de Bijbel op! De Nederlandse opgraving op Tell Deir Alla (1960-1967)Kortom, onderzoek naar mijn hart. En ook een boek naar mijn hart, want de lezer krijgt niet alleen wat conclusies toegeworpen maar maakt kennis met het eigenlijke onderzoek. Ik beken dat ik graag iets meer zou hebben gelezen over de wijze waarop de bewoners van het dorpje reageerden op de aanwezigheid van de Nederlandse equipe, omdat ik weet dat er behoorlijk wat wordt geroddeld, omdat er cultuurconflictjes zijn en omdat de bevolking haar eigen manieren heeft om met archeologen om te gaan. Ik kan me echter voorstellen dat Steiner en Wagemakers het te ver vonden voeren ook nog een Jordaanse dorpssociologie op te nemen.

Kortom, We graven hier niet de Bijbel op! is een aanrader en het beste Nederlandse boek over archeologie uit 2018.

~ Jona Lendering

Jona Lendering is historicus, webmaster van Livius.org en docent bij Livius Onderwijs. Hij publiceerde verschillende boeken. Zie ook zijn blog: mainzerbeobachter.com

Boek: We graven hier niet de Bijbel op!

Bron

Heimwee naar Bourgondië

Als de lezer het nieuwe boek van Bart van Loo over de geschiedenis van de Bourgondiërs als ‘aartsvaders’ van de Lage landen dichtslaat, dan blijven er twee gevoelens over. Het eerste is dat hij of zij een heerlijk boek heeft gelezen, verteld door ja, een rasverteller, zoals de achterkaft van het boek al aankondigt. Met zijn aanstekelijke humor en fijne beeldspraken doet Van Loo dat verhaal over al die exotische Bourgondische vorsten met hun archaïsche namen (Filips de Stoute, Jan zonder Vrees, Filips de Goede, Karel de Stoute, Maria de Rijke) nog eens helemaal uit de doeken. Het leest lekker weg. Daarover verderop meer. Het andere gevoel is dat de Vlaamse schrijver, Frankrijkkenner en humorist, ook een boodschap heeft: wat jammer dat Bourgondië definitief voorbij is, het had ook heel anders kunnen lopen. Er zit in Bart van Loo’s dikke turf, vooral in de slothoofdstukken, een beetje spijt, een beetje heimwee misschien wel.

Vlaams verdriet

Karel de StouteKarel de StouteWat als het nu es anders gelopen was en aan het einde van de vijftiende eeuw vorstin Maria de Rijke alias Maria van Bourgondië niet van haar paard gedonderd was? Wat als haar zoon Filips de Schone in 1506 niet al op zijn 28ste was overleden? Had het Bourgondische rijk met als kern Vlaanderen, Brabant, Zeeland en Holland dan kunnen voortbestaan? Had de scheiding tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden kunnen worden vermeden? Zou dan ‘Vlaanderen’ niet het belangrijkste gewest zijn gebleven? Of … wat als na de val van Napoleon – zo’n vierhonderd jaar later – die tweede poging om beide lage landen terug te rijgen in dat ene Bourgondische gewaad niet in 1831/39 was stuk gelopen op Belgische branie en Hollandse houterigheid? Met dat heimwee biedt Van Loo een typisch Vlaams perspectief op die eerste staatsvorming in de lage landen: het had allemaal anders kunnen lopen, die Bourgondische eenwording was al met al zo gek nog niet, de scheiding tussen Noord en Zuid was vermijdbaar, pijnlijk en spijtig.

Dat Vlaamse verdriet is voor een Noord-Nederlander moeilijk invoelbaar. Hier is heimwee afwezig. Na dat eerste staatsontwerp met dat stempel van de Bourgondiërs volgde immers een tweede, dat van de Republiek der Zeven Provinciën. Dat ontwerp beviel boven de grote rivieren uitstekend. Het Groot Privilege van 1477 als eerste ‘grondwet’ van de Lage Landen werd vrijwel vergeten, in de zestiende eeuw moeiteloos ingeruild voor de Acte van Verlatinghe en de Unie van Utrecht. Weliswaar werd in 1815 de hereniging met het zuiden geaccepteerd maar over de nieuwe scheiding in 1839 mokte en murmelde alleen koning Willem I heel lang. Misschien dat de geschiedenis van Bourgondië daarom voor Nederlanders exotisch blijft, te Frans, sterk Vlaams, maar … Nederlands?

Bornholm

Dan naar het verhaal, dat zoals gezegd zeer leesbaar is. Maar … het duurt wel even voor Van Loo op gang komt. De neiging om alles te willen vertellen is nooit zo’n goed idee voor een historicus. Van Loo keert terug naar de jaren rond het begin van de jaartelling toen de eerste proto-Bourgondiërs zich vanaf het Deense Oostzee-eiland Bornholm door Polen en Duitsland spoedden om eeuwen later aan de oevers van de Rhône en Saone eindelijk hun tenten op te slaan. Daar breidden ze hun rijk uit, krompen dan weer eens in, liepen een zware nederlaag op tegen de Hunnen, maar verspreidden desondanks hun genen dermate succesvol dat het Scandinavische haplogen Q – aldus Van Loo – er nog altijd terug te vinden is. We hebben dan nog zo’n duizend jaar te gaan voor we bij het eigenlijke verhaal zijn. De aanloop is kortom lang.

Valois-Bourgondië op haar sterkst, ±1475 (CC BY-SA 4.0 - Marco Zonali - wiki)Valois-Bourgondië op haar sterkst, ±1475 (CC BY-SA 4.0 – Marco Zonali – wiki)Maar dan krijgt deze geschiedenis ook wel vaart. Ik pik er een paar elementen uit. Typerend voor Bourgondië bij al die voortdurende uitbreidingen en opsplitsingen, erfopvolgingskwesties en -drama’s, huwelijken, oorlogen en dynastieke zorgen was het uiterlijk vertoon. Ze beheersten de fijne kneepjes van grandeur, propaganda, indruk maken en imponeren tot in hun vingertoppen. Kosten speelden geen rol, de rijke steden van Vlaanderen trokken hun beurzen wel als ze tenminste niet genadeloos door de hertogelijke mangel gehaald wilden worden. De reiskaravaan waarmee ze langs hun vele hoven trokken, was een kijkspel van je welste. Fouragisten namen meubelen, wandtapijten en beddengoed mee, sleepten waterkannen aan, pookten het haardvuur op, legden stro op de vloer en regelden logies voor het hooggeëerd gevolg; een tweede ploeg pakte bij vertrek alles weer in en ruimde op. Narren en minstrelen zorgden voor een lach en een traan, een maarschalk roste de paarden, bakkers, schenkers, fruiteniers dienden culinaire hoogstandjes op; herauten rechtvaardigden al die pracht en pronk door te verwijzen naar de juiste titels en genealogische huzarenstukjes van hun meesters.

Ander punt: een Vlaams schrijver kan ook niet om taal heen. De Bourgondiërs spraken Frans en zouden Vlaanderen een taalregime opleggen dat pas in de negentiende eeuw werd afgeschud. Toch was taal ook in de late middeleeuwen al wel een dingetje. Zo nodig verzoetten de hertogen hun fiscale aanslagen op de Vlaamse burgers door een mondje Diets te spreken. Toch zouden de lokale talen al in de dertiende eeuw uit hun schulp kruipen. Vlaanderen ging daarin voorop: van de 2000 Middelnederlandse teksten van voor 1300 is 70% Vlaams, 7% Hollands en 11% Brabants. Eind dertiende eeuw populariseerde Jacob van Maerlant, de man die “met twee handen tegelijk kon schrijven”, de volkstaal verder. Met de ijver voor het eigene kwam de afkeer van het vreemde. Van Maerlant muntte “wat wals is, vals is”, hij vond de Franse dichters van zijn tijd maar fantasten, al liet hij zich ook door hen inspireren. De flamingant Hendrik Conscience maakte er in de negentiende eeuw van: “Wat wals is vals is. Slaat al dood”. Het is een echo van de geschiedenis die voor de meeste Nederlandse lezers nieuw zal zijn.

Misogyn

Miniatuur van Christine de Pizan, aan het werk in haar studeerkamer (Publiek Domein - wiki)Miniatuur van Christine de Pizan, aan het werk in haar studeerkamer (Publiek Domein – wiki)Voor de Bourgondiërs waren prinsessen vooral instrumenten om hun aanzien en rijkdom te vergroten – zo snel als enigszins kon zochten ze geschikte, rijke partners. Eenmaal getrouwd was het taak van de dames zo snel mogelijk zonen te baren en verder niet te veel te mekkeren. Bourgondië was een ‘fallocratische maatschappij’, schrijft Van Loo. Toch namen Filips de Stoute en Jan zonder Vrees rond 1390 Christine de Pisan in dienst. Ze schreef gedichten, filosofische en politieke essays en nam het voor vrouwen op, die waren, schreef ze, vaak “intelligenter, vlugger van begrip en scherpzinniger dan menig man”.

Natuurlijk was ze een uitzondering. Naast minachting en onderdrukking vierde ook de hoofse liefde triomfen. Die bleef adellijke dames op een voetstuk zetten, waar jonge ridders om heen zwierven; bevallige jongedames wierpen hen hun adellijke zakdoeken toe.

Vaders en zonen

Het meest dramatische deel van het boek is het slot, als van Loo toekomt aan de verhouding tussen de succesvolle hartenjager Filips de Goede en zijn even getalenteerde maar hyper kuise en snel gekrenkte zoon Karel de Stoute. Hoogtepunt is als Filips na een vermetel ‘nee’ van zijn zoon uit het lood geslagen is, er vandoor gaat en dagen onbereikbaar is. Hij stuurt zijn paard en zichzelf letterlijk het bos in. Vader en zoon verzoenden zich maar het vertrouwen was weg. Filips zou in de jaren daarna geleidelijk de greep op zijn rijk verliezen en min of meer dementeren. Eenmaal aan de macht zou de getroebleerde Karel Russische roulette gaan spelen met zijn rijk: tot drie keer dolven zijn legers het onderspit tegen Zwitserse landsknechten. Karel luisterde niet naar raadgevers, meer dan wat dan ook zon hij op wraak en eerherstel. Het kostte hem, in de slag bij Nancy van 5 januari 1477, uiteindelijk het leven. Het was een klap die de dynastie niet meer te boven kwam. De Franse koning zag zijn kans schoon en pikte het Franse stamland van het Bourgondische rijk meteen in. Zo ging dat in die dagen.

Groot Privilege

Karel’ s dochter Maria de Rijke moest na de dood van haar vader meteen concessies doen aan de steden die de dure oorlogen zat waren en tekende nog in hetzelfde jaar het Groot Privilege: het gaf de Staten Generaal, die al in 1464 voor het eerst bijeen gekomen waren, veel macht. Maria trouwde met Maximiliaan van Oostenrijk, een Habsburger, die keizer van het Duitse rijk zou worden. Maria en zoon Filips de Schone overleden jong, Filips vrouw Johanna de Waanzinnige was niet regeringsbekwaam. In 1515 kreeg Karel V de macht. Karel voelde zich nog Bourgondiër, maar moest zich er bij neerleggen dat de zuidelijke provincies Frans bleven. Zijn zoon Filips II had er geen boodschap meer aan. Bourgondië werd daarmee uitgeboend.

De Bourgondiërs - Bart Van LooDe Bourgondiërs – Bart Van LooEr komt nog veel meer langs: het mecenaat van schrijvers, schilders (Van Eyck!), miniaturisten; de leescultuur, de gildes en de lakenhandel, de opkomst van Brugge, Gent en Antwerpen en – met mate – ook steden en landsdelen uit het Noorden. Van Loo vertelt een boeiend verhaal en stelt – zie begin – goede vragen. En dat alles in een … ja, Bourgondische stijl, met alle pracht en praal en verbale overdaad die daar bij horen. Af en toe leiden de krullen af van de lijn in het verhaal, er valt wel eens een haar te veel in de boter. Misschien moet die lezer ook helemaal geen al te gestroomlijnd verhaal willen, maar zich laten meevoeren op de stroom van alle meanders, die Van Loo’s grote voorganger Johan Huizinga al zo mooi typeerde als ’s ‘levens felheid, toen de wereld vijf eeuwen jonger was’.

~ Joost Eskes

Boek: De Bourgondiërs – Bart van Loo

Bestel dit boek bij:

Bart Van Loo over zijn boek ‘De Bourgondiërs’:

Bron

Middeleeuwse liefdesring gevonden in Utrecht

Bij het Meldpunt Archeologie van Landschap Erfgoed Utrecht is onlangs een bijzondere vondst gemeld: een gouden liefdesring uit de Middeleeuwen. Een dergelijke ring is volgens de instelling nog niet eerder in Nederland gevonden. Het gaat hierbij om een ‘black letter posy ring’ gemaakt in de periode 1375-1550. Een soort liefdespoëziering met een dichtregel of motto in gotisch schrift dat voornamelijk in Engeland werd gemaakt en gebruikt.

De teksten die in deze ringen werden gegraveerd waren vaak lieve teksten – in het genre ‘denk aan mij’, ‘vergeet niet wie je lief hebt’ of ‘ik houd alleen van jou’ – maar soms treft men er ook grappige, cynische of meer cryptische teksten in aa

n. De nu gevonden ring valt in die laatste categorie en is zelfs zo cryptisch dat onderzoekers nog niet weten of het raadsel van de liefdesring opgelost gaat worden.

Raadsel

Aan de binnenzijde van de ring staan de woorden Amours portent mon cuer à mon ami, ofwel ‘Liefde voert mijn hart naar mijn lief’ gegraveerd. Er is hier gebruik gemaakt van de mannelijke uitgang voor ami en niet de vrouwelijke (à mon amie) wat betekent dat de liefde aan een man gericht is. Maar in de Middeleeuwen werden deze liefdesringen in principe door een man aan een vrouw gegeven, bijvoorbeeld als trouwring, en werd dus een vrouwelijke uitgang gebruikt.

Foto van de ring (Alexander van de Bunt, Landschap Erfgoed Utrecht)Foto van de ring (Alexander van de Bunt, Landschap Erfgoed Utrecht)

Niet alleen de tekst maar ook de gebruikte afbeeldingen en dichtregel roepen vragen op. Er is tot nu toe nog geen overgeleverd Frans gedicht gevonden waar deze versregel aan te koppelen is. En ook bestaan er geen parallellen van de tekstregel of de afbeeldingen met andere posy-ringen die bijvoorbeeld te zien zijn in het British Museum. Landschap Erfgoed Utrecht:

“Kijkend naar de afbeelding rijst de vraag: gaat het hier om een type jachthond als teken van trouw, of over een panthere d’amour – een liefdespanter met Christelijke betekenis? Op dit moment worden er een aantal theorieën of interpretaties verder onderzocht en gebundeld tot een artikel. Maar of het raadsel van deze geliefden ooit helemaal opgelost wordt? Wie zal het zeggen.”

De vindplaats wordt op verzoek van de anonieme vinder niet bekend gemaakt.

Ook interessant: De ring van Polykrates – Het verhaal volgens Herodotus
Overzicht van boeken over de Middeleeuwen

Bron

De onheilspellende radioactieve wolk uit Tsjernobyl

Bij uitgeverij Ambo|Anthos verschijnt deze week het boek

Nacht in Tsjernobyl

van Adam Higginbotham. De auteur beschrijft hierin het verhaal van de grootste kernramp ooit. In de vroege morgen van 26 april 1986 ontploft een van de vier reactoren van de kerncentrale in

Tsjernobyl

. Duizenden mensen sterven; miljoenen in Oost-Europa en ver daarbuiten worden blootgesteld aan gevaarlijke radioactieve straling. De ramp betekende een keerpunt in het denken over nucleaire energie, luidde indirect ook de ondergang van de Sovjet-Unie in en markeerde daarmee het einde van de

Koude Oorlog

. Op Historiek een fragment uit het boek, over de onheilspellende wolk die na de ramp over Europa trok.

De dood van een wereldrijk: De wolk

Hemelwaarts gedragen door een zuil van verzengende hitte uit de verwoeste kern en verplaatst door behulpzame winden, had de onzichtbare stralingswolk sinds zijn ontsnapping uit het kadaver van eenheid vier duizenden kilometers afgelegd.

Beschadigde reactor in Tsjernobyl (Soviet Authorities - wiki)Beschadigde reactor in Tsjernobyl (Soviet Authorities – wiki)Vrijgekomen in het geweld van de explosie, was hij de stille nachtlucht in gerezen tot een hoogte van zo’n 1500 meter. Daar werd hij gegrepen door krachtige winden uit het zuiden en zuidoosten, die hem met snelheden tussen de 50 en 100 kilometer per uur noordwestwaarts door de Sovjet-Unie meesleurden, richting de Oostzee. De wolk bevatte het instabiele xenon-133, microscopische fragmentjes van bestraald grafiet en deeltjes die uit zuivere radioactieve isotopen bestonden, waaronder jodium-131 en cesium-137, die zoveel hitte genereerden dat ze de lucht om zich heen verwarmden en als honderdduizenden minuscule luchtballonnetjes voortzweefden. In het hart van de wolk zat circa 20 miljoen curie aan radioactiviteit. Toen de Sovjetwetenschappers op zondag 27 april eindelijk regelmatige luchtmetingen gingen doen op de plaats des onheils was het onzichtbare monster al weggeglipt, zodat ze niets wisten over zijn omvang of intensiteit. Hun metingen brachten slechts zijn staart aan het licht. Binnen 24 uur had hij Scandinavië bereikt.

Zondag 27 april 1986, 12:00 uur. Rosø, Denemarken

Zondag rond het middaguur legde een automatisch meetapparaat in het Nationaal Laboratorium van Risø, ten noorden van Roskilde, geruisloos de aankomst van de wolk in Denemarken vast. Maar het was zondag en de metingen bleven onopgemerkt. Een soldaat op het meetstation Kajaani van de Finse strijdkrachten mat die avond een abnormale toename in de achtergrondstraling. Hij meldde dat aan het operationeel centrum in Helsinki, maar er werd verder geen actie ondernomen. Laat op de avond stuitte de pluim boven Zweden op regenwolken, en dat vocht begon zijn besmettende stoffen te absorberen en te concentreren.

Toen de regen uiteindelijk uit de wolken viel, rond de stad Gävle, zo’n 200 kilometer ten noorden van Stockholm, was hij zwaar radioactief.

Maandag 28 april 1986, 07:00. Forsmark, Zweden

Op maandagochtend 28 april zat Cliff Robinson even voor zeven uur te ontbijten in de koffiekamer van de kerncentrale Forsmark, 65 kilometer ten zuidwesten van Gävle aan de Botnische Golf. Robinson, een negenentwintigjarige Brits-Zweedse technicus in het radiochemisch lab van de centrale, ging iedere ochtend naar zijn werk in een bus die ook bouwvakkers naar Forsmark bracht, waar ze een grote ondergrondse opslagplaats voor kernafval aan het bouwen waren.

‘De twee mannen snapten er niets van en besloten dat het apparaat kapot was’

Toen Robinson zijn koffie ophad, ging hij naar de kleedkamer om zijn tanden te poetsen. Op de terugweg liep hij langs een stralingsmeetpunt en het alarm ging af. De technicus, nog half in slaap, snapte het niet. Hij was net aangekomen en nog niet in het reactorblok geweest; hij kon onmogelijk besmet zijn. Er kwam een lid van het stralingsbeschermingspersoneel op het alarm af, aan wie Robinson uitlegde wat er was gebeurd. Hij liep nog eens door de detector. Ook nu weer rinkelde de bel. Maar bij de derde poging bleef de monitor stil. De twee mannen snapten er niets van en besloten dat het apparaat kapot was. Misschien stond de alarmdrempel verkeerd ingesteld. De stralingscontroleur liet Robinson gewoon weer aan de slag gaan. Het apparaat kon later worden gerepareerd.

De radioactiviteit in Tsjernobyl wordt gemeten. Bron: Publiek domein.De radioactiviteit in Tsjernobyl wordt gemeten. Bron: Publiek domein.

Toevallig hield Robinson zich in het laboratorium bezig met het meten van radioactiviteit binnen het gebouw van Forsmark 1 en in zijn uitstoot. De reactor was pas zes jaar oud maar werd geplaagd door technische foutjes. Lekkende splijtstofstaven hadden die winter al voor kleine hoeveelheden radioactiviteit in de omgeving gezorgd. Zijn maandagochtendroutine bracht hem eerst naar de hoogste niveaus van de centrale om monsters uit de ontluchtingsschoorsteen te nemen en die in het lab te analyseren. Dat duurde even. Rond negen uur ging hij weer naar beneden voor nog een kop koffie. Maar toen hij het stralingsmeetpunt naderde, werd zijn weg geblokkeerd door een lange stoet medewerkers, die allemaal het alarm activeerden. Nu stond Robinson pas echt versteld. Hij nam een schoen van een collega, stopte die in een plastic zak om kruisbesmetting te voorkomen en ging terug naar het lab. Hij zette de schoen op de germaniumdetector, een gevoelig apparaat dat gammastralen meet, en dacht te moeten gaan wachten.

‘Robinsons hart stond stil. Hij had nog nooit zoiets gezien’

Maar de resultaten kwamen verschrikkelijk snel, ze explodeerden in steile, groene pieken op het computerscherm. Robinsons hart stond stil. Hij had nog nooit zoiets gezien. De schoen was ernstig vervuild met het gehele spectrum aan splijtingsproducten dat gewoonlijk alleen in de kern van Forsmark 1 te vinden was: cesium-137, cesium-134 en kortlevende isotopen van jodium, maar ook een aantal andere elementen, waaronder kobalt-60 en neptunium-239. Hij besefte dat deze alleen konden zijn ontstaan doordat splijtstof aan de lucht was blootgesteld. Robinson belde onmiddellijk zijn baas, die het ergste vreesde en hem terugstuurde naar de ontluchtingsschoorsteen om nieuwe luchtmonsters te nemen.

Om 09.30 uur werd Karl Erik Sandstedt, de manager van de centrale, gewaarschuwd over de besmetting. Maar de leidinggevenden van Forsmark waren net zo verbijsterd als Robinson was geweest. Ze konden de besmetting niet tot een bron in de centrale herleiden, en toch kwamen de stralingsniveaus op de grond buiten overeen met wat bij dit weer te verwachten was bij een groot lek in een van Forsmarks reactors. Om halftien liet Sandstedt alle toegangswegen naar de centrale afsluiten. Plaatselijke autoriteiten deden uit voorzorg een waarschuwing uitgaan: de bevolking werd via de radio opgeroepen uit de buurt van Forsmark te blijven en de politie zette wegversperringen op. Dertig minuten later was Robinson nog steeds in het lab bezig met zijn nieuwe monsters toen hij in heel het gebouw sirenes hoorde loeien: de hele centrale werd geëvacueerd.

Een bord dat waarschuwt voor radioactiviteit bij een café in Pripyat - Publiek domein - wikiEen bord dat waarschuwt voor radioactiviteit bij een café in Pripyat – Publiek domein – wiki

Tegen die tijd waren er bij nucleaire en defensie-instanties in Stockholm echter meldingen binnengekomen over vergelijkbaar hoge besmettingsniveaus op een onderzoeksinstituut in Studsvik, 200 kilometer van Forsmark verwijderd. Luchtmonsters uit Stockholm vertoonden ook verhoogde straling en een isotopensamenstelling met deeltjes grafiet, wat op een rampzalig ongeval in een civiele reactor wees, maar een van een heel andere soort dan die van Forsmark. Tegen 13.00 uur had het Zweeds Nationaal Instituut voor Defensieonderzoek ook de heersende weerpatronen in het Oostzeegebied in kaart gebracht, met behulp van meteorologische berekeningen die waren ontwikkeld om het Gedeeltelijke Kernstopverdrag te helpen handhaven. Hieruit bleek onomstotelijk dat de radioactieve besmetting helemaal niet in Forsmark was ontstaan. Ze kwam van ergens buiten Zweden. En de wind blies vanuit het zuidoosten.

Maandag 28 april 1986, 11:00 uur. Moskou, Rusland

Rond elf uur ’s ochtends zat Gejdar Alijev in zijn kantoor in het Kremlin toen de telefoon ging en hij naar een noodvergadering van het Politbureau werd ontboden. Als vicepremier was Alijev een van de machtigste mannen van de Sovjet-Unie. Als voormalig hoofd van de Azerbeidzjaanse KGB, en als een van de twaalf stemmende leden van het Politbureau, was hij medeverantwoordelijk voor het nemen van ingrijpende beslissingen omtrent de koers van het wereldrijk. Maar op maandagochtend had zelfs Alijev slechts vagelijk iets gehoord over een kernongeval in Oekraïne. De Sovjetpers repte met geen woord over Tsjernobyl, en ook radio en tv zwegen erover. De autoriteiten in Kiev spanden zich zonder aansporing van Moskou al in om te voorkomen dat wetenschappers er lucht van zouden krijgen. Nadat instrumenten op het Botanisch Instituut in Kiev op zaterdag een scherpe toename van straling hadden geregistreerd, verschenen er KGB-agenten die de apparaten verzegelden…

‘…om paniek en de verspreiding van provocatieve geruchten te voorkomen’.

Tegen de tijd dat secretaris-generaal Gorbatsjov de noodvergadering bijeenriep om te bespreken wat er was gebeurd, besefte Alijev niettemin dat de straling weldra tot ver buiten de grenzen van de Sovjet-Unie zou worden opgemerkt.

Reuzenrad in Tsjernobyl / Pripjat - ccReuzenrad in Tsjernobyl / Pripjat – cc

De twaalf mannen, onder wie Alijev, premier Ryzjkov, chef Propaganda Aleksandr Jakovlev, Gorbatsjovs opkomende conservatieve opponent Jegor Ligatsjov en Viktor Tsjebrikov, hoofd van de KGB, troffen elkaar niet in de gebruikelijke vergaderzaal van het Politbureau, maar in het sombere kantoor van secretaris-generaal Gorbatsjov op de derde verdieping van het Kremlin. Ondanks een recente opknapbeurt, tapijten met prachtige patronen en een gewelfd plafond waaraan kristallen kroonluchters hingen, was de kamer spelonkachtig en onaangenaam. Iedereen was nerveus.
Gorbatsjov vroeg simpelweg:

‘Wat is er gebeurd?’

Vladimir Dolgich, de secretaris van het Centraal Comité die over de energiesector ging, vertelde wat hij wist op grond van zijn telefoongesprekken met Sjtsjerbina en de experts in Pripjat.. Hij beschreef een explosie, de verwoesting van de reactor en de evacuatie van de stad. De luchtmacht zette helikopters in om de verwoeste reactor onder zand, klei en lood te bedelven. Een wolk straling dreef zuidwaarts en westwaarts, en had Litouwen al bereikt. Informatie was nog steeds schaars, en tegenstrijdig: de strijdkrachten zeiden het een, wetenschappers iets anders. Nu moesten ze beslissen wat – en óf – ze de Sovjetbevolking op de hoogte moesten brengen van het ongeval.

Voor Gorbatsjov was dit een plotselinge en onverwachte test van de nieuwe openheid en het transparante bestuur die hij het Partijcongres een maand eerder had beloofd; sindsdien was glasnost niets meer dan een slogan geweest. ‘We moeten zo snel mogelijk met een verklaring komen,’ zei hij. ‘We mogen niet talmen.’

Nacht in Tsjernobyl – Adam HigginbothamNacht in Tsjernobyl – Adam HigginbothamDe oude reflexen van geheimhouding en paranoia zaten echter diep ingesleten. De waarheid over ongevallen die wellicht het Sovjetprestige aantastten of paniek onder de bevolking zaaiden, was altijd onderdrukt: de explosie in Majak in 1957 had officieel nog steeds niet plaatsgevonden; toen een piloot van de Sovjetluchtmacht in 1983 per abuis een jumbojet van Korean Air neerhaalde, waarbij alle 269 inzittenden omkwamen, ontkende de Sovjet-Unie aanvankelijk iets van het incident af te weten. En Gorbatsjovs greep op de macht bleef zwak en kwetsbaar voor het soort reactionaire revolutie dat Chroesjtsjov de kop had gekost. Hij moest voorzichtig zijn.

Hoewel het later in het officiële verslag van de vergadering leek alsof vrijwel iedereen vond dat er een openbare verklaring over het ongeval moest komen, beweerde Gejdar Alijev dat dat misleidend was. Volgens het verslag van de vicepremier bepleitte hij directe en totale eerlijkheid: heel Europa zou weldra weten dat er iets vreselijks was gebeurd, en deze ramp was gewoon te groot om weg te moffelen.

~ Adam Higginbotham

Boek: Nacht in Tsjernobyl – Adam Higginbotham
Ook interessant: Kernramp van Tsjernobyl (1986)

Bestel dit boek bij:

Animatie van de verspreiding van de Tsjernobyl-wolk:

Bron

Geduld, een beetje geluk en speurzin van een detectoramateur

In Nederland zijn tal van verzamelaars te vinden. Sommigen van deze speurzoekers gaan met een metaaldetector op stap. Zo ook Joost Klaassen. Al sinds zijn jeugd is Joost geïnteresseerd in geschiedenis. Ruim vijftien jaar geleden pakte hij voor het eerst de metaaldetector op. Dat ging wel eens bijna verkeerd, maar leverde ook prachtige vondsten op.

Interesse voor overblijfselen uit de oorlog

Aanvankelijk was Joost Klaassen, afkomstig uit Ermelo, aangesloten bij een club voor liefhebbers van metaaldetectie. Maar uiteindelijk vond hij dat te saai. ‘Het afzoeken van akkervelden aan de andere kant van Nederland om een paar muntjes te vinden’, aldus Klaassen, ‘is niet aan mij besteedt.’ Klaassen was meer geïnteresseerd in spullen en resten uit de Tweede Wereldoorlog, zoals munitie, wapens, helmen en soldatenriemen.

Pistool uit de collectie van Klaassen - Foto: Enne KoopsHet Canadese Enfield-pistool uit de collectie van Klaassen – Foto: Enne Koops

Klaassens zoektocht heeft hem naar de Veluwe, de regio rond Arnhem, Duitsland en Frankrijk gevoerd. En heeft veel opgeleverd. Een kijkje in zijn collectie laat zien dat hij – uiteraard gedemonteerde – granaathulzen, mortiergranaten, handgranaten en bommen heeft gevonden. Ooit stuitte hij met een neef op een landmijn, die ze tijdens het uitscheppen bijna activeerden. Een Duitse kogel zette Klaassens huis bijna in brand. Sinds dit soort incidenten is Klaassen voorzichtig geworden.

Prachtige vondst: een oude bijl van 4000 jaar oud

Prehistorische bijlkop uit de collectie van Klaassen - Foto: Enne KoopsPrehistorische bijlkop uit de collectie van Klaassen – Foto: Enne KoopsDe metaaldetector heeft nog veel andere vondsten opgeleverd. Een topstuk uit Klaassens collectie is een bijlkop uit de prehistorie. De bijl is door een professor onderzocht en blijkt 4000 jaar oud te zijn. Klaassen laat het puntgave bijltje, dat hij in de buurt van Ermelo vond, zien en glimt van trots. Naast deze bijl heeft hij talloze oude munten – voor Klaassen ‘bijvondsten’, omdat hij vooral munitie en wapens interessant vindt – uit de grond gehaald. Onder andere munten uit de Patriottentijd en de tijd van Napoleon. Maar ook oude VOC-munten die hij bij Hierden vond.

Schietstoelen en mitrailleurs

Klaassen leidt ons de kamer binnen waar zijn verzameld materiaal uitgestald staat. Diverse spullen, met name de wapens, zijn tweedehands aangekocht of zijn aan hem geschonken. In de collectie bevinden zich een stuk of tien geweren uit de Eerste Wereldoorlog en Tweede Wereldoorlog, twee enorme machinegeweren en enkele helmen (onder andere een Wehrmacht-helm die hij vond in het Reichswald). De wapens zijn allemaal onklaar gemaakt volgens EU-richtlijnen en voorzien van certificaten. Een topstuk uit Klaassens collectie is een Canadese Enfield-pistool dat in de regio van Putten is gebruikt rond de bevrijding. Hij kreeg het van een kennis, die het tijdens de Tweede Wereldoorlog had gevonden.

Deel van een vliegtuigvleugel als televisietafel (Foto Enne Koops)Deel van een vliegtuigvleugel als televisietafel (Foto Enne Koops)

Boeiend is verder de schietstoel uit een straaljager, die hij op Marktplaats kocht, en een stuk vliegtuigvleugel dat hij – in de woonkamer – als tafel gebruikt. Al met al laat Klaassens collectie zien wat veel geduld, een beetje geluk en speurzin allemaal kunnen opleveren.

~ Enne Koops

Lees ook: Archeologie in Nederland digitaal op de kaart
Overzicht van Boeken over archeologie en archeologische opgravingen

Granaat uit de collectie van Klaassen - Foto: Enne KoopsGranaat uit de collectie van Klaassen – Foto: Enne Koops

Bronnen

-Interview met dhr. Joost Klaassen te Ermelo, 20 februari 2019

Bron

April – Maand van de hofmakerij

Als je erop let, zie je de vogels elkaar nu volop het hof maken. Na de donkere en koude wintermaanden krijgen niet alleen de vogels, maar ook de mensen steeds meer interesse voor hun letterlijk opbloeiende omgeving en zeker ook voor hun medemensen. Het fenomeen ‘rokjesdag’ lijkt daar toch ook min of meer een uiting van te zijn.

Grasmaand

De maand april ontleent zijn naam aan het Latijnse woord ‘aperire’, wat ‘openen’ betekent. Dit verwijst naar het seizoen waarin de bomen en bloemen tot bloei komen en zich weer openen. Het is niet voor niets, dat deze maand van oudsher ook wel grasmaand of kiemmaand wordt genoemd. April is deze keer dus niet vernoemd naar een Romeinse godheid, zoals dat bij de drie voorafgaande maanden wel het geval is. Wél was deze maand in de Romeinse tijd gewijd aan Venus, de godin van de liefde. Ter ere van haar vonden er in deze maand grote feesten plaats.

Casper Luyken, Aprilis, uit serie Twaalf maanden van het jaar, 1700. Gravure en ets, gouache. Collectie Amsterdam Museum A_44731Casper Luyken, Aprilis, uit serie Twaalf maanden van het jaar, 1700. Gravure en ets, gouache. Collectie Amsterdam Museum A_44731

Serenade

Casper Luyken naar Jan Luyken, De musikant, 1694. Ets uit Het menselyk bedryf. Collectie Amsterdam Museum, A_15813.jpgCasper Luyken naar Jan Luyken, De musikant, 1694. Ets uit Het menselyk bedryf. Collectie Amsterdam Museum, A_15813.jpgDe ontluikende liefde is ook het thema, dat Casper Luyken voor zijn maandprent April gekozen heeft. Heel romantisch brengt een charmant geklede man onder het raam van zijn geliefde een serenade aan haar. Volgens het gedicht onder de prent kan de man in deze lieflijke nacht niet slapen en daarom verstoort hij haar rust met zijn muziek. Hij zal dit dagelijks voor haar blijven doen, totdat zij in het ‘verenveld’ oftewel in bed genoeglijk samen zullen zijn.

De verliefde jongeman begeleidt zichzelf op een speciale luit, een aartsluit zo te zien. Deze heeft niet, zoals een gewone luit, een achterover geknikte knoppenkast. De muzikant, uit het welbekende ‘beroepen’-boek Het Menselyk Bedryf (1694) van Jan en Casper Luyken, bespeelt wel een gewone luit. Het sterrenbeeld, dat in dit geval de stier zou moeten zijn en dat Casper Luyken bij de meeste maandprenten in een van de bovenhoeken heeft geplaatst, ontbreekt hier.

Aprilgrappen

De uitbeelding van de maand April door Cornelis Troost daarentegen is verbonden met de traditionele voor-de-gek-houderij op 1 april. De twee jongens hebben reuze lol. De één wijst op de vrouw die bij de boom staat te plassen. Iemand heeft een kruis op haar rug getekend. De andere jongen plast met een boogje in de mand van de op dat moment weerloze vrouw. De vrouw rechts heeft zonder het te merken een briefje met een ongetwijfeld spottende tekst op haar jak gespeld gekregen. En doet de pruikenmaker met de boosaardige grijns ook aan 1 april door een knecht de verkeerde de kant op te sturen?

~ Amsterdam Museum – Nel Klaversma

Zie hier berichten over andere maanden van het jaar

Cornelis Troost, April Straattafereel met aprilgrappen, 1742, gewassen pentekening. Collectie Amsterdam Museum TA 10327Cornelis Troost, April Straattafereel met aprilgrappen, 1742, gewassen pentekening. Collectie Amsterdam Museum TA 10327

  • Amsterdam
  • Nel Klaversma
  • Taalgeschiedenis

Bron