Author Archives: Sebastian Sullivan

De positivistische misvatting

Wat weten we over de hierboven afgebeelde “dame van Simpelveld”? Je kunt het opsommen. Ze woonde in de buurt van het Zuid-Limburgse Simpelveld, want daar is de sarcofaag gevonden. Ze droeg sieraden, want die zijn in de grafkist aangetroffen. Ze werd gecremeerd, want haar stoffelijke resten lagen daar eveneens in. Dit zijn de harde feiten.

Auguste ComteAuguste Comte

Harde feiten: dat was wat de Franse filosoof Auguste Comte aan het begin van de negentiende eeuw centraal wilde stellen in de menswetenschappen. Die harde feiten moesten dan worden verbonden in de wetmatige verbanden. Hij noemde deze aanpak “positivisme” en zo is het gekomen dat het wetmatige verklaringsmodel waarover ik vorige week schreef wordt aangeduid als “positivistisch”. Ook de nadruk op waarneembare feiten wordt aangeduid met deze uitdrukking. Wat ik opsomde in de eerste alinea zijn dan de positieve feiten over de dame van Simpelveld.

Het lijkt op het eerste gezicht verstandig vooral te kijken naar de concrete feiten, maar er zitten diverse addertjes onder het gras. Eén daarvan is dat niemand van ons ooit een oudhistorisch feit heeft gezien. Het moet worden gededuceerd uit de “neerslag”: de bronnen die erover zijn geschreven, de vondsten, eventueel de wél waarneembare gevolgen. Een feit is dus een reconstructie, wat niet wil zeggen dat je er niet op mag vertrouwen dat, pakweg, Cheops een piramide heeft laten bouwen en dat de Atheners de Perzen hebben verslagen bij Marathon.

Speculeren

Een tweede probleem is dat er meer feiten zijn geweest dan we kunnen reconstrueren. Als ik Romes Germaanse Oorlogen reconstrueer, beschik ik over enkele bronnen: Cassius Dio beschrijft de campagnes van 12, 11, 10 en 9 v.Chr., Velleius Paterculus die van 5, 6 en 10 n.Chr., en Tacitus vermeldt die van 3 v.Chr. en 14, 15 en 16 n.Chr. Pak een willekeurige historische atlas en u ziet die campagnes ook keurig afgebeeld. Lees een boek als Bosman & Lenderings De rand van het Rijk en u leest wat er in de bronnen staat, met een commentaartje erbij. Het probleem is dat er méér moet zijn gebeurd en dat we het niet weten. De fout die Bosman en ik maakten is dat we ons beperkten tot dat wat we (vrij) zeker wisten. Dat staat, met een woord van de Britse archeoloog Anthony Snodgrass, bekend als de positivistische misvatting.

Je zou minimaal ook moeten speculeren over wat niet is overgeleverd: de known unknowns. Een deel daarvan is verantwoord. Ik durf wel voor mijn rekening te nemen dat de nabestaanden van de dame van Simpelveld rijk zijn geweest, want anders kon je zo’n unieke sarcofaag niet laten maken. Ze zal ook wel in een groot landhuis hebben gewoond, waar knechten en slaven het werk deden. Haar kleren zullen niet goedkoop zijn geweest. Afgaande op de normale demografische gegevens zal ze rond haar vijftiende zijn getrouwd met een man van vijfentwintig en had ze zes kinderen, waarvan er drie moeten zijn overleden voor hun moeder.

Deze speculaties zijn verantwoord omdat we de dame van Simpelveld kunnen vergelijken met mensen uit haar eigen tijd en haar eigen omgeving. We hebben echter meer vragen. Een simpel voorbeeld: kon deze vrouw beschikken over haar eigen bezittingen? Nu wordt het lastiger. Wat we denken te weten van het Romeinse Recht is gebaseerd op het Corpus Juris, een verzameling die in de zesde eeuw is aangelegd in het vroege Byzantijnse Rijk. De juristen baseerden zich op een oudere collectie, die was samengesteld in Beiroet, nutrix legum. Die was weer gebaseerd op het recht zoals het in de vroege derde eeuw had gegolden in Italië.

Je kunt zeggen dat het Corpus Juris relevant is voor de Lage Landen omdat het beter is dan niets. Je kunt ook een vergelijking maken: deze tekst benutten voor de dame van Simpelveld is zoiets als uitspraken doen over de juridische status van pakweg Judith Leyster aan de hand van een in 1870 gemaakte samenvatting van het Italiaanse privaatrecht uit de vroege achttiende eeuw. Of om een ander voorbeeld te geven: het is zoiets als een film maken over de Friese vorst Radboud en de lacunes in je kennis te vullen met Vikingsaga’s en Griekse mythen over Amazones. Ik zou geneigd zijn dit niet te beschouwen als speculatie maar als flauwekul.

~ Jona Lendering

Jona Lendering is historicus, webmaster van Livius.org en docent bij Livius Onderwijs. Hij publiceerde verschillende boeken. Zie ook zijn blog: mainzerbeobachter.com

Bron

Nieuwe geschiedenisboeken, verschenen en besproken in week 13 (2019)

Wekelijks verschijnen er nieuwe geschiedenisboeken. Van lijvige studies tot publieksboeken en van naslagwerken tot historische strips. Op Historiek plaatsen we veel voorpublicaties en we bespreken zoveel mogelijk titels, maar alles bespreken is ondoenlijk. Daarom hebben we de rubriek ‘signalementen’. Hier plaatsen we wekelijks een bericht met daarin recent verschenen en besproken titels.

| Signalementen week 14 >>>

Hitlers jongste hoop - Gerard GroeneveldHitlers jongste hoop. Nazipropaganda voor de jeugd

In Hitlers Duitsland werd geen propagandamiddel onbeproefd gelaten om de geestdrift onder de jeugd op te stoken. De continuïteit van het Derde Rijk hing immers van hen af. Die propaganda was succesvol: veel jongeren bleven tot het bittere einde geloven in de heilstaat die de Fu?hrer hun jarenlang had voorgehouden. Zelfs als dat ten koste van hun eigen leven ging.
Voorpublicatie: Nazipropaganda voor de jeugd
Meer informatie / bestellen

Wahibre-em-achet en andere Grieken - Landverhuizers in de OudheidWahibre-em-achet en andere Grieken – Jona Lendering

Historicus Jona Lendering vertelt in ‘Wahibre-em-achet en andere Grieken’, het Themaboekje van de Week van Klassieken 2019, over de tienduizenden migranten in de Oudheid. De Griek Wahibre-em-achet was er daar één van. Als de inscriptie van zijn sarcofaag in het RMO in Leiden niet de namen had vermeld van zijn ouders, Alexikles en Zenodota, zou niets ons hebben doen vermoeden dat hij van Griekse afkomst was. Op hun reizen namen de migranten nieuwe ideeën mee, maar gevaarlijke ziektes werden ook via de reizende massa verspreid.
Fragment: De Oudheid, waarom?
Meer informatie / bestellen

Napoleon Inspiratie voor hedendaags management en leidinggevenNapoleon. Inspiratie voor hedendaags management en …

Zakelijk management is nauw verwant aan politiek en militair leidinggeven. Succes is het resultaat van een sterke strategie, constante evaluatie en de juiste antwoorden hierop: dit vat Napoleon Bonaparte perfect samen. Bovendien is hij voor hedendaagse leiders extra interessant omdat hij op zoveel gebieden actief is geweest: HR, marketing, financieel beleid, operationele leiding, … Napoleon-kenner en communicatieconsultant Johan Op de Beeck vertelt hoe de weergaloze successen – en ook de fouten – van Napoleon meer dan tweehonderd jaar later managers kunnen inspireren.
Bespreking: Managementlessen van Napoleon Bonaparte
Meer informatie (+ video) / bestellen

Provinciale politiekProvinciale politiek. De provincies democratisch getoetst

Maakt het iets uit op welke partij je stemt bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten? Kunnen provinciebesturen wel uitvoering geven aan de wensen van kiezers? Dat zijn cruciale vragen voor wie de democratische kwaliteit van de provincies wil bepalen. Opmerkelijk genoeg is hierover tot nu toe nauwelijks gepubliceerd. Als provincies al aandacht krijgen, dan is het bijvoorbeeld vanwege de vraag of de provinciale bestuurslaag nog moet blijven bestaan tussen gemeenten en Rijk.
Fragment: Een historische schets van het provinciaal bestuur
Bespreking: Blik op een vrijwel onbekende bestuurslaag
Meer informatie / bestellen

Marie AntoinetteMarie Antoinette. Portret van een middelmatige vrouw

Marie Antoinette (1755-1793) was de jongste dochter van keizer Frans I Stefanus en keizerin Maria Theresia van Oostenrijk. Op 19 april 1770, op 14-jarige leeftijd, trouwt ze met de Franse dauphin (kroonprins), Lodewijk XVI Augustus. Stefan Zweig beschrijft wat er gebeurt in de koninklijke slaapkamer, aan het hof en in de extravagante wereld van het lustpaviljoen Trianon. Daarnaast vertelt hij nauwgezet van de gepassioneerde liefde tussen Marie Antoinette en de Zweedse graaf Hans Axel von Fersen, de revolutie, de ontsnapping naar Varennes, de gevangenis in de Conciergerie en Marie Antoinettes tragisch einde onder de guillotine.
Meer informatie / bestellen

De kinderen van PimDe kinderen van Pim – Joost Vullings

Na de moord op Pim Fortuyn in 2002 verloor de lpf, de politieke partij die begin deze eeuw hard op weg was de grootste van Nederland te worden, niet alleen haar naamgever maar ook haar grote blikvanger. Plots stonden alle camera’s gericht op zijn politieke nazaten, zesentwintig lpf-Kamerleden die elkaar nauwelijks kenden. Verweesd, onervaren maar vol bravoure besloten ze het avontuur aan te gaan en mee te gaan regeren. Het bleek het startpunt van een turbulente politieke soap waar hoogoplopende onderlinge ruzies uiteindelijk leidden tot de ondergang van de partij.
Meer informatie / bestellen

Blijf hun namen noemenBlijf hun namen noemen – Simon Stranger

Een ontluisterende familiegeschiedenis in de Tweede Wereldoorlog
Het is 1941. Een doodgewone woning in Trondheim, Noorwegen, wordt in beslag genomen door de nazi’s en omgedoopt tot hoofdkwartier van de gehate Gestapo-agent Henry Oliver Rinnan. Het huis wordt bezet door de Rinnan gang, die in de kelder honderden gevangenen op gruwelijke wijze verhoort, martelt en vermoordt. Vijf jaar na de oorlog, krijgt het huis nieuwe bewoners: een jong, Joods stel met hun kinderen, die opgroeien in dezelfde kamers waarin slechts enkele jaren daarvoor nog gruwelijke taferelen plaatsvonden.
Meer informatie (+ video) / bestellen

RSC Anderlecht: 110 jaar voetbaltraditieRSC Anderlecht: 110 jaar voetbaltraditie

RSC Anderlecht is een begrip in het Belgische en Europese voetbal. De club heeft sinds de stichting in 1908 inderdaad een rijke geschiedenis opgebouwd: ze won tot nog toe 34 landstitels, negen Bekers van België en drie Europese Bekers. En ze leverde tal van spelers af van vaak internationale klasse. Dit boek brengt een up-to-date en geschiedkundig goed onderbouwd overzicht in negen chronologische delen van de clubgeschiedenis, nu in 2018 de club 110 jaar bestaat. Aan de belangrijkste spelers en bestuursleden zijn aparte kaderteksten gewijd.
Meer informatie / bestellen

 Eer tegen eerEer tegen eer – Rolf Hage

Een cultuurhistorische studie van schaking tijdens de Republiek, 1580-1795
De bekendste schaking tijdens de Republiek was die van Catharina van Orliens in 1664. Zij werd 17 maart ’s avonds op hardhandige wijze uit het huis van haar familie in Den Haag ontvoerd door Johan Diederik de Mortaigne. Deze geruchtmakende zaak is een van de 200 casussen uit de periode 1580-1795 die Rolf Hage verzamelde. Tot nu toe onderscheiden historici en juristen schaking in gewelddadige ontvoering en ‘doorgaan’, waarbij de jonge vrouw aan het vertrek meewerkte.
Meer informatie (+ video) / bestellen

Voorbij het geheugen Een familiegeschiedenisVoorbij het geheugen. Een familiegeschiedenis

Wanneer Maria Stepanova op zoek gaat naar de geschiedenis van haar joods-Russische familie stuit ze op dokters, architecten, bibliothecarissen, accountants en ingenieurs die voorbestemd waren om slachtoffer te worden van vervolging en onderdrukking. Gek genoeg overleefde iedereen de verschrikkingen van de twintigste eeuw. Stepanova’s voorouders waren stuk voor stuk onopvallende figuren die in een roerige tijd probeerden een onspectaculair leven te leiden. De zoektocht naar haar familiegeschiedenis zet Stepanova aan het denken. Wie of wat getuigt van mensen en dingen die verdwijnen? Zijn herinneringen aan het verleden eigenlijk wel te bewaren?
Meer informatie / bestellen

Meer geschiedenisboeken:

  • Koopmanszoon Michiel Heusch op Italiëreis – Marijke van der Wal
  • De republiek der vrije geesten – Peter Neumann (+ video)
  • Vergeten verzetshelden. Een onderzoek naar het onderduikershol Anloo
  • ‘Neu Turkestan’ en ‘Handschar’ aan het front – Islamitische soldaten uit de Kaukasus …
  • De aardappelcentrale. Een monumentenman op oorlogspad – Atte Jongstra (+ video)
  • Alberto Giacometti. Een modern avontuur – Sébastien Delot

| Signalementen week 14 >>>

Bron

Ruim honderd Romeinse munten gevonden in beekdal Brabantse Aa

Twee broers hebben in de winter van 2017 ruim honderd Romeinse munten gevonden in het dal van de Brabantse Aa. Dat meldt de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) dat in oktober onderzoek heeft gedaan naar de bijzondere vondst.

Denarii, sestertii en assen

Gebroeders van Schaik in actie. Foto: RCE.Gebroeders van Schaik in actie. Foto: RCE.Wim en Nico van Schaijk vonden de munten in de winter van 2017 op enkele meters afstand van de Aa ter hoogte van Berlicum (gemeente Sint-Michielsgestel). Ze lagen in een zone van 50 bij 50 meter op een locatie waar de bovengrond was afgegraven voor een natuurontwikkelingsproject van waterschap Aa en Maas, ook wel het Dynamisch beekdal de Aa genoemd. Het gaat om vier zilveren denarii en 103 voornamelijk bronzen sestertii en assen.

Voorlopig onderzoek door Dr. Liesbeth Claes (Universiteit Leiden) wijst uit dat de munten geslagen zijn vanaf de regeerperiode van keizer Vespasianus (69 na Chr.) tot aan keizer Marcus Aurelius (180 na Chr.). Daarnaast is er één Republikeinse munt van de muntmeester Calpurnius (90 vr. Chr.) gevonden. Opvallend detail is dat een groot deel van de munten met een dikke korst ijzer bedekt was. Ze zijn afkomstig uit een zandlaag met zeer veel natuurlijke brokken ijzer. Dit wijst er volgens de onderzoekers op dat ze oorspronkelijk in een relatief nat gebied lagen.

Proefsleuf

In oktober heeft de Rijksdienst een proefsleuf gegraven om meer inzicht te krijgen in de oorspronkelijke context van de munten. Belangrijke vragen waar het onderzoek antwoord op moet geven zijn: waar en wanneer de munten precies zijn begraven en vooral waarom. De broers van Schaijk hebben met de metaaldetector geassisteerd en nog twee munten gevonden. In de sleuf is de insnijding van een oudere, inmiddels dichtgeraakte, beekbedding vastgesteld, waarin Romeins aardewerk is gevonden. Waarschijnlijk was hier in de Romeinse tijd al een beek en mogelijk zelfs een voorde. Een voorde is een doorwaadbare plaats van een beek of rivier.

Door de verspreiding van de munten en de relatief grote tijdsperiode van hun afkomst, lijkt het niet om een eenmalige actie te gaan. Het is waarschijnlijker dat de munten gedurende een langere periode in de nattigheid terecht zijn gekomen. Misschien deed men in de Romeinse tijd voor de oversteek een schietgebedje en offerden ze, zodra de overkant veilig bereikt was, een muntje als dank? Maar andere verklaringen zoals verlies of geloof in de goddelijke kracht van de beek worden ook niet uitgesloten.

Voorspellingen

De komende maanden worden de resultaten van het onderzoek verder uitgewerkt. Daarnaast krijgt waterschap Aa en Maas tips over hoe zij de vindplaats het beste kunnen beheren. Het onderzoek maakt volgens de RCE duidelijk hoe belangrijk het is dat vondsten door vrijwilligers en particulieren gemeld worden bij Portible Antiquities of the Netherlands (PAN). Dat is een samenwerkingsproject van de Vrije Universiteit met onder meer de Rijksdienst en NUMIS.

Overzicht van boeken over het Romeinse Rijk

Bron

Een filosofische geschiedenis van de inhaligheid

Een van de grootste menselijke hartstochten is hebzucht. De laatste jaren staat deze menselijke eigenschap volop in de belangstelling. Zo doken de media bovenop de hebzucht in de bankenwereld na de financiële crisis van 2008.

Verbeelding van de hebzucht - Gravure van Jacob Matham, ca. 1587Verbeelding van de hebzucht – Gravure van Jacob Matham, ca. 1587Hebzucht is niet alleen beperkt tot de bankenwereld, zo stelt filosoof Jeroen Linssen in zijn recent verschenen boek Hebzucht. Een filosofische geschiedenis van de inhaligheid (VanTilt, 2019). Linssen, geboren in 1960, is als universitair hoofddocent sociale en politieke filosofie verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Eerder schreef hij onder meer een boek over het gedachtegoed van de geschiedfilosoof Michel Foucault, getiteld Het andere van het heden denken. Filosofie als actualiteitenanalyse bij Michel Foucault (2005).

Een historisch-filosofische speurtocht vanaf de Middeleeuwen tot nu

Sinds midden jaren 1980 doet in de westerse wereld niet alleen de bancaire sector, maar ook de gewone burger volop mee aan de graaicultuur door boven zijn stand te leven. Geld lenen, hoge hypotheken afsluiten: het kan niet op. Waar komt deze hebzucht vandaan? Is hebzucht per definitie slecht, of zitten er ook nuttige aspecten aan deze eigenschap? Geschiedenis en filosofie kunnen helpen om op deze vragen een antwoord te geven en het fenomeen hebzucht in historisch perspectief te plaatsen, aldus Linssen:

“Met een aanleiding in de actualiteit is dit boek dus voornamelijk een historisch-filosofische speurtocht. Ik ga op zoek naar de intellectuele en vooral de filosofische opvattingen over de hebzucht vanaf de elfde eeuw tot nu. Het gaat dus niet over al die lieden die in de voorbije tien eeuwen hun hebzucht hebben botgevierd. Het gaat niet om de geschiedenis van ‘het grote graaien’ zelf. (…) Het is een geschiedenis van het filosofisch denken over hebzucht. Grofweg kan men zeggen dat de filosofische reflecties zich in twee richtingen bewogen. Aan de ene kant probeerde men de hebzucht op religieuze, morele of politieke gronden in te dammen, terwijl men anderzijds, veelal op basis van economische redenen, poogde aan de hebzucht meer ruimte te geven.” (10)

Linssen begint zijn boek in de elfde eeuw, toen de economie in Europa na eeuwenlange neergang weer begon op te krabbelen en de steden opkwamen. Vanaf deze tijd namen handel en bedrijvigheid sterk toe.

Vanaf toen begonnen er ook polemieken over hebzucht. ‘De nieuwe commercie viel slecht bij de middeleeuwse christenheid’, zo stelt Linssen. Theologen als Gregorius de Grote en later Maarten Luther beriepen zich op de Bijbel om hun punt te maken: ‘Jullie kunnen niet God dienen en de Mammon’ (Mattheüs 6:24) en op de notie dat het voor rijken moeilijk is om in de hemel te komen (Lucas 18:24-25).

Maar ook baseerden schrijvers zich op Plato en Aristoteles, die beiden beweerden dat rijkdom geen doel op zich mag zijn. Goederen en geld waren volgens deze Griekse filosofen geen doel op zich, maar middelen om te kunnen leven.

Interessant is de constatering van Linssen dat diverse intellectuelen in de middeleeuwen een verschuiving hebben opgemerkt in kritische aandacht voor de zeven hoofdzonden die in de zesde eeuw door Gregorius de Grote waren benoemd. De kritiek verschoof van hoogmoed (superbia) als grootst mogelijke zonde, naar kritiek op averitia (hebzucht) als grootste der zeven hoofdzonden. Onder meer Johan Huizinga in Herfsttij der Middeleeuwen (1919) en in zijn kielzog historicus Jacques le Goff viel dit op.

Strijd tussen de geldzakken en de geldkisten, Pieter van der Heyden (Publiek Domein - wiki)Strijd tussen de geldzakken en de geldkisten, Pieter van der Heyden (Publiek Domein – wiki)

Adam Smith: interactie tussen hebzucht en hoogmoed

De ‘vader van het liberalisme’ Adam Smith, wiens gedachtegoed over hebzucht in hoofdstuk vier aan bod komt en bepalend was voor het economisch denken in de tijd van de Verlichting (de achttiende eeuw), was er juist een balans tussen het menselijk streven naar hebzucht en menselijke hoogmoed.

In Smiths optiek waren mensen hebzuchtig en streefden ze naar rijkdom om daarmee meer aanzien te krijgen. Hebzucht uit eigenbelang. In deze opvatting is er dus sprake van een wisselwerking tussen hoogmoedig gedrag en de jacht naar meer rijkdom.

Maar bij Smith is dit eigenbelang niet verkeerd. Hij begreep dat mensen een afkeer hadden van hoogmoed en ijdelheid, maar hij beklemtoonde ook de positieve aspecten van eigenbelang en hebzucht:

“Hoe zelfzuchtig de mens ook wordt geacht te zijn, er zijn onweerlegbaar enige principes in zijn natuur die hem belangstelling geven voor de voorspoed van anderen, en hun geluk ook voor hem noodzakelijk doen zijn, ook al ontleent hij daar verder niets aan behalve het genot het te mogen aanzien.” (206)

Hebzucht - Een filosofische geschiedenisHebzucht – Een filosofische geschiedenisHebzucht keurde Smith wel af, maar hij beschouwde deze negatieve variant als de hebzucht die tegen het vrijmarktdenken inging. Eigenbelang keurde hij goed, omdat dit principe economische schade en verlies kan voorkomen.

Slot

Linssen heeft een boeiend en leerzaam boek geschreven, waarin hij het morele, filosofische en politieke denken over hebzucht en eigenbelang goed in kaart brengt. We maken in het boek kennis met alle grote denker op dit gebied. Naast de al genoemde filosofen, theologen en schrijvers, komen tal van anderen aan bod. Het gedachtegoed van Johannes Calvijn, Thomas More (bekend van het boek Utopia), Bernard Mandeville, David Hume of Thomas Hobbes: Linssen blijkt van alle (economische) markten thuis te zijn. Dit boek is dan ook een aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in filosofie en economie.

~ Enne Koops

Boek: Jeroen Linssen – Hebzucht. Een filosofische geschiedenis van de inhaligheid (2019)

Bestel dit boek bij:

Bron

Resten 2000 jaar oude waterput gevonden bij onderzoek Ring Utrecht

Archeologen hebben naast de snelweg A27 bij Houten recent verschillende archeologische vondsten gedaan. Het gaat onder meer om potscherven, Romeinse mantelspelden, munten, een medaillon en een schoenzool. Het meest bijzondere is de vondst van een oude waterput uit de late IJzertijd met daarin een aantal houten planken. Dat meldt Rijkswaterstaat.

De opgraving vond plaats naar aanleiding van de aanpassing van de A27/A12 Ring Utrecht. De gevonden put is zorgvuldig uitgegraven en de planken zijn voorzichtig vervoerd naar het conserveringsatelier van de archeologen. Daar wordt de vondst onderzocht en worden de best geconserveerde planken bewaard voor de toekomst. Een exact jaartal aan het hout en de waterput geven is op dit moment nog niet mogelijk. Archeologen denken dat ze uit de tweede eeuw na Christus dateren.

Mogelijk maakt de Romeinse waterput nog onderdeel uit van de inheems-Romeinse nederzetting ‘Houten-Doornkade’, die in de jaren negentig aan de oostzijde van de A27 is opgegraven.

  • Utrecht
  • Waterputten

Bron

Pieter de Kempeneer (1503- ca.1580)

Pieter de Kempeneer werd in het begin van de zestiende eeuw te Brussel geboren in een kunstminnende familie van tapijtwevers. Als schilder was hij voornamelijk werkzaam in Italië en Spanje waar hij met zijn overwegend religieus geïnspireerde schilderstukken grote faam verwierf onder de naam Pedro de Campagῆa. Een kennismaking met een man die in zijn kunstwerken op meesterlijke wijze religie en geloof een plaats wist te geven binnen de toen heersende tijdsgeest.

Jeugdjaren en opleiding

Kruisiging - Pieter de Kempeneer, Louvre (Publiek Domein - wiki)Kruisiging – Pieter de Kempeneer, Louvre (Publiek Domein – wiki)Pieter’s talent voor de schilderkunst kwam al vroeg tot uiting en onder impuls van zijn vader ging hij al op jeugdige leeftijd in de leer bij Barend van Orley (ca. 1488-1541), één van de meest toonaangevende kunstschilders en ontwerpers van kartons voor wandtapijten uit het Brusselse. Na zijn schildersopleiding bij van Orley reist de Kempeneer naar Italië waar hij kennis maakt met de renaissancestijl van het ‘Cinquecento’. Hij raakt er bevriend met kardinaal Grimani, de zoon van de Doge van Venetië en kunstliefhebber die zijn mecenas en beschermheer wordt. Na de dood van Grimani reist de Kempeneer verder door naar Rome waar hij voor het eerst in aanraking komt met het werk van Rafaël (1483-1520) dat hem in zijn verder oeuvre blijvend zal beïnvloeden.

Verder weten we uit vermeldingen in onder andere het schildershandboek van Francisco Pacheco (1564-1644) en het “Groot Schilderboeck” van de Luikse kunstschilder Gerard de Lairesse (1640-1711) dat hij in 1530 meewerkte aan één van de cartouches op een triomfboog die te Bologna werd opgericht naar aanleiding van Karel V’s keizerskroning door paus Clemens VII. Het is onduidelijk hoelang en waar de Kempeneer daarna nog in Italië verbleef, wel is zeker dat hij zich enige tijd later in het Spaanse Sevilla vestigde en daar zijn naam wijzigde in Pedro de Campaῆa.

De Spaanse periode

De Kempeneer verwierf in Sevilla met zijn religieus getinte schilderstukken die vaak gekenmerkt waren door een expressief kleurenpalet algauw grote naamsbekendheid en richtte er samen met de Spaanse maniëristische kunstschilder Luis de Vargas (1502-1568) een schildersacademie op. Luis de Morales (ca. 1509-1586), bijgenaamd “El Divino” (letterlijk: ‘De godellijke’) omwille van zijn begeestering voor mystieke religieuze schilderwerken, wordt tot één van zijn bekendste leerlingen gerekend.

Verscheidene werken van de Kempeneer uit die periode zijn te bezichtigen in buitenlandse musea zoals onder meer de “Onze-Lieve-Vrouw van de Zeven Smarten” (Musée des Beaux Arts in Besançon), “De graflegging van Christus” (Academia Carrara in het Italiaanse Bergamo), “De bekering van Maria Magdalena” (National Gallery in Londen), “Portret van een vrouw” (Städel Museum Frankfurt am Main), “De kruisiging van Christus” (Musée du Louvre) en “De Zeven Deugden” (Museo Nacional de San Carlos in Mexico-stad).

Kruisafneming - Pieter de Kempeneer, Musée Fabre (Publiek Domein - wiki)Kruisafneming – Pieter de Kempeneer, Musée Fabre (Publiek Domein – wiki)

Zijn meest bekende realisatie, om niet te zeggen zijn ‘magnum opus’, is echter ongetwijfeld het meer dan drie meter hoge altaarstuk dat in een meesterlijk coloriet de kruisafneming van Christus voorstelt en nu in de ‘Sacristia Mayor’ van de kathedraal van Sevilla hangt. Ter parenthesis: in 1882 maakte de bekende beeldhouwer en schilder van historische en religieuze genrestukken, Constantin Meunier (1831-1905), er in opdracht van de Belgische regering een waarheidsgetrouwe copie van voor het Museum van Schone Kunsten van België in Brussel.

Een greep uit zijn verder oeuvre

Sint-Nicolaasretabel, Mezquita van Pieter de Kempeneer (CC BY-SA 3.0 es - Zarateman)Sint-Nicolaasretabel, Mezquita van Pieter de Kempeneer (CC BY-SA 3.0 es – Zarateman)Naast het schilderen op doek was de Kempeneer eveneens actief als retabelschilder. Tot zijn mooiste creaties behoren het Sint-Nicolaasretabel in de Mezquita van Córdoba en een polychroom altaarretabel vervaardigd in samenwerking met Antonio de Alfian (fl. 1539-1587) dat de “De Zuivering van de Heilige Maagd” uitbeeldt en in de “Capilla del Mariscal” van de kathedtaal in Sevilla staat opgesteld.

Laatste levensjaren in Brussel

In het najaar van 1562 keert hij terug naar zijn geboortestad waar hij voor de gerenommeerde tapijtweverij van Frans Ghieteels verschillende kartons schildert voor diens wandtapijten. Hij vervaardigt er onder meer in opdracht van abt François d’Avroult van de Gentse Sint-Pietersabdij de ontwerpen voor een tiendelige tapijtenreeks over het leven van de apostels Petrus en Paulus.

Voor een andere Brusselse tapijtenmanufactuur maakte hij de kartons voor een achtdelige reeks van wandtapijten die de Joodse opstanden verhalen tegen de Romeinse keizers Vespasianus en Titus. De volledige tapijtenreeks is te bekijken in het “Museo degli Arazzi flamminghi” in Marsala.

Aanbidding der Wijzen - Pieter de KempeneerAanbidding der Wijzen – Pieter de KempeneerDe Kempeneer zou tot aan het einde van zijn leven werkzaam blijven in Brussel. Zijn veelzijdig oeuvre maakt dat hij zonder meer kan beschouwd worden als één van de meest getalenteerde en invloedrijkste kunstschilders van zijn tijd.

~ Rudi Schrever
Brusselse stadsgids | Rondleidingen op aanvraag | rudi.schrever@skynet.be

Boekenrubriek: Biografieën van kunstenaars

Bron

Westfriese boeren zorgden in Bronstijd samen voor inrichting landschap

Boeren maakten in de Bronstijd al bewuste keuzes bij de inrichting van hun land en het landschap in West-Friesland, en die keuzes zijn verrassend anders dan gedacht. De mensen woonden in boerendorpjes en vormden een hechte gemeenschap waarin veel werd samengewerkt. Dat concludeert Wouter Roessingh in zijn proefschrift ´Dynamiek in beeld. Onderzoek van Westfriese nederzettingen uit de bronstijd´ dat hij volgende week verdedigt aan de Universiteit Leiden.

In zijn dissertatie worden de onderzoeksgegevens van oude opgravingen samengebracht en de organisatie en de dynamiek van nederzettingen in West-Friesland gedurende de Bronstijd beschreven. Zo ontstaat een beeld van de organisatie van het boeren bestaan destijds.

Het oostelijk deel van West-Friesland was in de Midden- en Late Bronstijd (ca. 1600-800 v.Chr.) een, langdurig bewoond, dichtbevolkt gebied met vele boerendorpjes. Dit in tegenstelling tot wat eerder werd gedacht. Door de uitzonderlijk goede conserveringsomstandigheden in dit voormalig kwelderlandschap is de regio een schatkamer voor overblijfselen uit die tijd. De dorpjes zijn vaak vele generaties lang bewoond en hierdoor is voor archeologen een ‘gestapeld landschap’ bewaard gebleven. In zijn studie ontrafelt Roessingh, archeoloog bij ADC ArcheoProjecten, deze complexe stratigrafie en brengt daarmee een dynamisch cultuurlandschap in kaart.

Inrichting van het landschap

Nieuwe boerderijen werden regelmatig op dezelfde plaats als de voorgangers gebouwd en ook de vele sloten, gegraven om terreinen af te bakenen en het land droog te houden, werden lange tijd onderhouden door samenwerking en afstemming. Dit stabiele landschap wordt op een bepaald moment opgegeven en de functies van terreinen veranderde. Op plaatsen waar eerst boerderijen stonden, werden bijvoorbeeld akkers ingericht. Door de lange bewoningsduur van terreinen en de goede conservering en herkenbaarheid van grondsporen zijn de Westfriese vindplaatsen bij uitstek geschikt om deze dynamiek in beeld te brengen.

~ ADC ArcheoProjecten

De studie: Dynamiek in beeld – Onderzoek van Westfriese nederzettingen uit de bronstijd

Bron

Georgische soldaten in Leusden geïdentificeerd na DNA-match

Door een DNA-match is de identiteit vastgesteld van twee Georgische soldaten op het Sovjet Ereveld in Leusden. Het onderzoek is uitgevoerd door het Nederlands Forensisch Instituut. Het is voor het eerst dat met behulp van DNA onomstotelijk de identiteit van een formeel nog ‘onbekende soldaat’ op het Sovjet Ereveld is vastgesteld.

Pido Tsjoliasjvili (Foto: Stichting Sovjet Ereveld)Pido Tsjoliasjvili (Foto: Stichting Sovjet Ereveld)De Amersfoortse onderzoeker Remco Reiding van de Stichting Sovjet Ereveld over het onderzoek:

“In twee gevallen weten we nu honderd procent zeker wie er in het graf ligt. Het opschrift ‘onbekende soldaat’ kan op hun grafsteen worden vervangen door hun eigen naam.”

Het betreft Pido Tsjoliasjvili en Anton Gviniasjvili. Reiding bezocht namens de stichting deze week Georgië om de twee families persoonlijk het nieuws te kunnen vertellen. In 2016 had Reiding bij mogelijke nabestaanden in Georgië al DNA afgenomen. Reiding bekommert zich al twintig jaar om de 865 soldaten op het Sovjet Ereveld en hun families. Door jarenlang bronnenvergelijk had hij eerder met grote waarschijnlijkheid de namen achterhaald van de vijftien op het Sovjet Ereveld begraven Georgiërs.

De groep was op 20 april 1945 in Beverwijk door de nazi’s gefusilleerd na diefstal van 88 handgranaten. De Georgiërs waren in 1941 aan het Oostfront krijgsgevangen gemaakt door de Duitsers. In 1943 werden ze naar Nederland gebracht om de kust bij Zandvoort en op Texel te verdedigen.

Opening van de graven

Anton Aleksandrovitsj Gviniasjvili (Foto: Stichting Sovjet Ereveld)Anton Aleksandrovitsj Gviniasjvili (Foto: Stichting Sovjet Ereveld)Op Reidings initiatief hebben de betrokken autoriteiten recent ingestemd met het openen van de vijftien graven in Leusden, om DNA van de gevallen Georgische soldaten te kunnen afnemen. De Bergings- en Identificatie Dienst van de Koninklijke Landmacht heeft de klus geklaard. Daartoe moest eerst de aarde boven de houten buiten-kisten worden verwijderd, waarna de zinken binnen-kisten konden worden geopend.

De Georgiërs waren in 1945 nabij hun executieplaats op Fort aan de Sint Aagtendijk begraven. In 1946 waren ze daar geëxhumeerd, in zinken kisten gelegd, en naar Leusden overgebracht. Hierdoor zijn hun stoffelijke overschotten intact gebleven.

De afgelopen jaren is Reiding vaker naar Georgië gereisd om bij mogelijke nabestaanden DNA af te nemen. Het afnemen is voor de nabestaanden een emotionele gebeurtenis. Reiding:

“Families wachten vaak al 75 jaar. Ze willen zo graag weten wat er met hun vader of opa is gebeurd. Door mijn DNA-afname komt het verlossende antwoord wel heel dichtbij. Toch moet ik altijd weer een slag om de arm houden. Het is immers pas een feit bij een honderd procent match.”

Boek: Kind van het ereveld – Remco Reiding

  • DNA
  • Russisch ereveld

Bron

Gevonden: 500 jaar oud skelet met zijn laarzen nog aan

Archeologen hebben in de modder van de rivier de Theems een skelet van ongeveer vijfhonderd jaar oud gevonden. Bijzonder is dat de kniehoge laarzen van de man bewaard zijn gebleven terwijl de rest van de kleding volledig is vergaan.

De ontdekking is gedaan in Bermondsey, in het zuiden van Londen, door archeologen van MOLA Headlind Infrastructure. Het skelet lag met zijn gezicht naar de grond gericht en zijn rechterarm boven het hoofd. Archeologen vermoeden daarom dat de man gevallen is of geduwd werd.

De laarzen van de man (MOLA)De laarzen van de man (MOLA)

Zwaar werk

Gezien het soort laarzen dat bij het skelet zijn gevonden, lijkt het waarschijnlijk dat de man in de haven bij de Theems werkte, mogelijk als dokwerker, zeevaarders of visser. Van zeelieden is bekend dat die in deze periode vaak kniehoge laarzen droegen. Het is niet waarschijnlijk dat de betreffende persoon op de modderige locatie begraven werd met zijn laarzen nog aan. In deze periode was leer namelijk nog zeer waardevol. Na overlijden werden dergelijke laarzen normaal gesproken hergebruikt. Het lijkt daarmee aannemelijker dat de man ter plekke verongelukte, mogelijk tijdens zijn werk.

Uit onderzoek van het skelet blijkt dat de man in de vijftiende of zestiende eeuw moet hebben geleefd en dat hij ongeveer vijfendertig jaar oud werd. Sporen in zijn ruggengraat en heupgewricht wijzen erop dat de man zwaar lichamelijk werk deed.

Boek: Dit is Londen – Leven en dood in een wereldstad

  • Londen

Bron

Arthur Briët (1867-1939) – ‘Rembrandt van de Veluwe’

Bij het Noord-Veluws Museum in Nunspeet noemen ze hem de ‘Rembrandt van de Veluwe’: Arthur Briët. Een kunstenaar die vooral naam maakte in het binnenhuisgenre. Het museum toont momenteel ruim honderd werken van de kunstenaar. Van intieme interieurstukken tot landschappen en van portretten tot sfeerbeelden uit voormalig Nederlands-Indië.

Meisje met lauwerkrans, 1889 - Arthur Briët (Collectie Wiegman)Meisje met lauwerkrans, 1889 – Arthur Briët (Collectie Wiegman)Arthur Briët werd op 25 januari 1867 op Java geboren, als zoon van predikant Paul Fredrik Willem Briët. De predikant overleed een jaar na de geboorte van zijn zoon. Moeder Susanna keerde hierna met de jonge Arthur terug naar Nederland, waar ze zich vestigde in Utrecht en hertrouwde.

Al op jonge leeftijd werd duidelijk dat Arthur Briët goed kon tekenen. Met zijn vriend Théodore van Lelyveld volgde hij lessen model tekenen en in zijn hbs-tijd illustreerde hij een dichtbundel van A.C.W. Staring. Die bundel is in Nunspeet te zien. Met een vriend richtte Briët in deze tijd verder een humoristisch tijdschriftje op waarvoor hij vanzelfsprekend ook veel illustraties maakte.

Kunstacademie

In 1884 meldde Briët zich bij de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen, waar hij onder meer werd onderwezen door Alexandre Struys en Charles Verlat. Kort tijd studeerde hij in Antwerpen ook samen met Vincent van Gogh. De twee woonden dicht bij elkaar en kenden elkaar goed. Briët was echter niet erg gecharmeerd van de stijl Van Gogh’s schilderstijl. Daarin stond hij niet alleen. Van Gogh stierf als een vrij onbekend man en kreeg pas na zijn dood erkenning van het grote publiek. Briët was bij leven al zeer succesvol. Hij exposeerde in Engeland, Sint-Petersburg, Amsterdam en Rome en was ook geliefd in Amerika.

Straatveegster in Antwerpen - Arthur Briët (Foto Historiek)Straatveegster in Antwerpen – Arthur Briët (Foto Historiek)In Antwerpen zocht Arthur Briët zijn modellen graag op straat. Zijn schilderij van een Antwerpse straatveegster wordt beschouwd als een sleutelstuk in zijn oeuvre. Het Noord-Veluws Museum:

“Dit vanwege de aandacht voor het authentieke simpele leven. Zo anders dan geleerd op de Academie, maar wel in lijn met de aanhangers van Barbizon die vernieuwing in de kunst brachten.”

Na zijn vierjarige studie verliet de jonge kunstenaar Antwerpen met een Prix d’Excellence op zak voor een grand tour, waarbij hij onder meer Parijs, Rome, Florence, Venetië en Duitsland aandeed. Vervolgens bezocht Briët ook België. Kunstenaar Alexander Struys inspireerde hem daar om om zich te gaan toeleggen op het schilderen van de binnenhuizen van de minder welgestelden.

Nunspeet

Briët vestigde zich na zijn reizen in Brabant, waar hij zijn vrouw Johanna Sophia Antonia Vorsterman van Oijen leerde kennen. Hierna verkaste hij naar Nunspeet. Deze Veluwse plaats was in die tijd geliefd bij meer kunstenaars. Nunspeet stond bekend als een echte kunstenaarskolonie, een negentiende-eeuws verschijnsel dat zich vanuit Barbizon bij Parijs over heel Europa verspreidde. Deze kunstenaarsoorden speelden een grote rol in de toenmalige avant-garde van realisten en impressionisten. De kunstenaars verzetten zich tegen de ouderwetse historieschilderkunst en streefden naar de weergave van het ‘natuurlijke’ licht. In Nunspeet en Elspeet vormde zich ook een kunstenaarsgroep. Tussen 1890 en 1950 werkten er zo’n tweehonderd beeldende kunstenaars in deze regio.

Arthur Briët zou tot zijn dood in 1939 in Nunspeet wonen, aan de rand van de Zoom. Kenners beschouwen hem tegenwoordig als een van de meest vooraanstaande representanten van het kunstenaarsdorp.

Meisje met geit in graanveld - Arthur Briët (Collectie Westfries Museum)Meisje met geit in graanveld – Arthur Briët (Collectie Westfries Museum)

‘Het binnenuis’

In Nunspeet legde Briët zich met name toe op het vastleggen van ‘het binnenshuis’. Het Noord-Veluws Museum:

“De leefwereld van de arme mensen aan de rand van het dorp, de Zoom, is in die tijd aan het verdwijnen door de opkomende industrialisatie en ontginning. Een proeve van die bijna verloren tijd wil de gegoede burger wel aan de muur hangen.”

Schildershut van Arthur Briët in Nunspeet (via Noord-Veluws Museum)Schildershut van Arthur Briët in Nunspeet (via Noord-Veluws Museum)

Briët maakte al snel naam als meester in dit genre.

“Hij behandelt het interieur en de figuur met evenveel aandacht. Een vrouw doet een karweitje, een kind kijkt toe, een kip scharrelt rond: het zijn alledaagse kalme tafereeltjes die een staat van ‘zijn’ tonen waaraan de hedendaagse mens zich kan spiegelen.”

De kunstenaar woonde zelf aan de rand van de Zoom. Om zelf de regie te houden over de opstelling voor een schilderij richtte Briët een ‘schildershut’ op in zijn tuin, een replica van zo’n boerenvertrek. Later kocht hij zo’n huisje en verplaatste het naar zijn tuin.

In Nunspeet zijn niet alleen ‘binnenhuizen’ maar ook verschillende Veluwse landschappen te zien. Zoals meer kunstenaars uit de omgeving schilderde hij die deels ‘en plein air’. In de buitenlucht dus. Met zijn werk Gezicht op Elspeet in de sneeuw won hij in 1901 een kunstmedaille in Berlijn.

Gezicht op Elspeet in de sneeuw - Arthur Briët (Foto Historiek)Gezicht op Elspeet in de sneeuw – Arthur Briët (Foto Historiek)

Indië

Bijzonder in de tentoonstelling zijn ook verschillende werken die Briët in Nederlands-Indië maakte. Hij reisde in 1921 naar zijn geboorteland en bracht er onder meer het tropische buitenleven in beeld.

Werk van de kunstenaar bevindt zich tegenwoordig onder meer in de collecties van instellingen als het Gemeentemuseum in Den Haag, Drents Museum in Assen, Singer Laren en het Stedelijk Museum in Amsterdam. Veel van deze musea verleenden hun medewerking aan de tentoonstelling waardoor men in Nunspeet een vrij compleet beeld van de kunstenaar krijgt. Naast schilderijen en tekeningen zijn ook de schildersezel en het vermoedelijke palet van de kunstenaar te zien.

Rembrandt?

Portret van een man - Arthur Briët (via Noord-Veluws Museum)Portret van een man – Arthur Briët (via Noord-Veluws Museum)De bijnaam ‘Rembrandt van de Veluwe’ is handig door de makers van de tentoonstelling bedacht. Men sluit daarbij mooi aan bij het Rembrandt-jaar. Het museum vindt de titel passend aangezien Briët net als Rembrandt werkte met een sterk licht-donker contrast.

“Die speciale techniek is een belangrijk kenmerk van de stijl van Rembrandt, ‘clair-obscur’ genoemd, die weer geïnspireerd was door de bekende Italiaanse schilder Caravaggio. Ook in de hantering van zijn penselen is te zien dat hij veel had geleerd van Rembrandt. Briët combineert net zoals de grote meester zowel een naturalistische en impressionistische penseelstreek.”

Of de link met Rembrandt van Rijn terecht is, kunt u het beste zelf beoordelen. De tentoonstelling is in ieder geval meer dan de moeite waard.

Boek: Arthur Briët – Rembrandt van de Veluwe

Naar aanleiding van de tentoonstelling (23 maart t/m 29 september 2019) schreef Williëtte Wolters-Groeneveld een

monografie over Arthur Briët

.

Bron