Category Archives: Uncategorized

Achtjarig meisje vindt ruim duizend jaar oud zwaard

In Zweden heeft een achtjarig meisje een zwaard gevonden dat zeker duizend jaar oud is. Het meisje, Saga Vanecek, was met haar ouders op vakantie in Jönköping en vond het zwaard tijdens het zwemmen in een meer, Vidöstern. Het 85 centimeter lange voorwerp zat daar op ongeveer vijftig centimeter diepte vast in de modder.

Fibula die recent werd gevondenFibula die recent werd gevondenHaar vader dacht aanvankelijk dat het om een stok ging, maar al snel bleek het in werkelijkheid om een zwaard te gaan. De familie nam contact op met een nabijgelegen museum dat het voorwerp nader liet onderzoeken. Het wapen is goed bewaard gebleven. Zo zit bijvoorbeeld de schede van leer en hout deels nog aan de kling vast.

Volgens het museum Jönköping is de ontdekking waarschijnlijk te danken aan de droogte. Hierdoor stond het water van het meer namelijk uitzonderlijk laag. Het wapen is zeker duizend jaar oud, maar mogelijk nog enkele honderden jaren ouder. De komende tijd wordt nog meer onderzoek gedaan in het meer waar het zwaard is gevonden.

Onlangs werd in de omgeving al een deel van een fibula (mantelspeld) uit circa de vierde eeuw na Christus gevonden.

Ook interessant: Het Zwaard van Ommerschans – Ceremonieel zwaard uit de bronstijd
…en: Het zwaard van Damocles – Herkomst van de uitdrukking

  • Wapens
  • Zwaarden
  • Zweden

Bron

Zomertijd en wintertijd, waarom en sinds wanneer?

In de nacht van zaterdag 30 op zondag 31 maart wordt de klok weer een uur vooruit gezet. Het is dan weer zomertijd. Hoe lang doen we dat al, de klok verzetten, en waarom eigenlijk?

In Nederland zijn winter- en zomertijd in 1977 ingevoerd. Voor die tijd had men het jaren zonder gedaan. In de zomer hoefde de klok niet vooruit en in de winter niet achteruit. Geen ‘nacht van de nacht’ en in de zomer geen ‘gebroken nacht’.

William Willet – The Waste of DaylightWaarschijnlijk was de Amerikaanse geleerde Benjamin Franklin (1706-1790) de eerste die voorstelde eens serieus na te denken over hoe er effectief om kon worden gegaan met het daglicht. In 1784 schreef hij het satirische artikel “An Economical Project for Diminishing the Cost of Light”. De geleerde schreef dat hij op een dag om zes uur ´s ochtends wakker geworden was, naar buiten had gekeken en gezien had dat de zon al op was. Bovendien constateerde hij dat de zon op dat vroege uur ook al licht gaf. Verspilling, meende Franklin die stelde dat mensen ontzettend veel kaarsen en geld konden besparen als ze in de zomer een paar uur ‘eerder’ zouden leven. Zijn artikel was vooral humoristisch bedoeld. In de praktijk werd er niets mee gedaan.

William Willett en de Zomertijd

De eerste die met een echt serieus plan kwam voor zomer- en wintertijd was de Brit William Willett (1856–1915). In 1907 kwam hij met het plan om de klok in de lente op vier opeenvolgende zondagen steeds twintig minuten vooruit te zetten. Op zondagen in september zou de klok dan weer steeds twintig minuten teruggezet moeten worden.

Willett schreef in zijn brochure The Waste of Daylight onder meer het volgende:

“Everyone appreciates the long light evenings. Everyone laments their shrinkage as Autumn approaches, and nearly everyone has given utterance to a regret that the clear bright light of early morning, during Spring and Summer months, is so seldom seen or used.”

Velen namen met interesse kennis van het plan van Willett, maar er werd niets mee gedaan.

Eerste Wereldoorlog

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de zomertijd door de Duitsers voor het eerst echt ingevoerd. De oorlog was duur en om kolen te besparen besloot Duitsland op 30 april om één uur voor middernacht de zomertijd in te voeren. Ook in de bezette delen van België en Frankrijk werd dit ingevoerd. Nederland volgde het voorbeeld een dag later. Engeland voerde de zomertijd drie weken nadien ook in.

Tijdens het interbellum was er geen zomer- of wintertijd. In de Tweede Wereldoorlog ging Nederland op bevel van de Duitsers van de Amsterdamse Tijd over op de Midden-Europese Tijd. De klok moest één uur en veertig minuten vooruit worden gezet zodat het in Nederland even laat zou zijn als in Duitsland. In 1946 werd de zomertijd afgeschaft. In 1977 werden zomer- en wintertijd echter opnieuw ingevoerd. Dit vanwege de oliecrisis. Door in de zomer langer gebruik te maken van het zonlicht, zou er energie bespaard worden.

Lees ook: Boer Braat, de man die de zomertijd haat
…en: Machtiger dan de zon
…en: Benjamin Franklin (1706-1790) – Amerikaans multitalent

Video van het Klokhuis over Zomertijd en Wintertijd:

  • Benjamin Franklin
  • Winter

Bron

Ongeschonden graftombe opgegraven in Nemea

Bij opgravingen bij Nemea op de Peloponnesos hebben archeologen een intacte tombe uit het vroege Myceense tijdperk (1650-1400 voor Christus) blootgelegd. Volgens het Griekse ministerie van Cultuur is het graf een van de grootste die in deze regio werd gevonden.

De tombe werd ontdekt op een Myceense begraafplaats in Aidonia. Het graf onderscheidt zich door een korte maar zeer brede weg, een wijde opening en een ronde koepelvormige ruimte die op sommige plekken zes meter hoog is.

Foto: Griekse ministerie van CultuurFoto: Griekse ministerie van Cultuur

Vier kuilen

Foto: Griekse ministerie van CultuurFoto: Griekse ministerie van CultuurOp de vloer van de grafkamer bevonden zich vier kuilen die waren bedekt met grote stenen platen – een element dat volgens het ministerie verwijst naar vroege Myceense graven. In die putten vonden de archeologen de oudste graven en serviesgoed van gedecoreerd aardewerk. Ook troffen ze sieraden, kralen van verschillende materialen, spelden, bronzen messen en zwaarden, tientallen pijlpunten van koper, obsidiaan en vuursteen en andere prestigieuze voorwerpen aan.

De Myceense beschaving, bekend om zijn vorstelijke staten, stedelijke organisatie, verfijnde kunst en schrift, had zijn bloeiperiode in Griekenland van de zeventiende tot twaalfde eeuw voor Christus.

~ Natascha Neef – Parakalo

Nog enkele foto’s uit het graf:

Foto’s: Griekse ministerie van Cultuur – ΥΠΠΟΑ

Overzicht van boeken over de Oude Grieken en Oud Griekenland

  • Graf
  • Griekenland

Bron

Fata morgana (luchtspiegeling) – Betekenis en herkomst

Een fata morgana kennen we als een luchtspiegeling, iets wat je denkt te zien, maar er in feite niet is. Waar komt dit woord precies vandaan?

Betekenis van fata morgana

De tovenares Morgana,  halfzus van koning Arthur - Anthony Frederick Sandys (Publiek Domein - wiki)De tovenares Morgana, halfzus van koning Arthur – Anthony Frederick Sandys (Publiek Domein – wiki)De term fata morgana houdt in dat je iets ziet dat in het echt niet bestaat. Een luchtspiegeling dus. Dit optisch bedrog – dat zich vooral voordoet in woestijnen en op hete wegen – doet zich voor als er in de lucht sprake is van grote temperatuursverschillen.

Herkomst van de term

Fata morgana is ontleend aan het Latijn en betekent letterlijk ‘de fee Morgana’. Fata is gerelateerd aan het Latijn ‘fatum’ (lot) en duidt de ‘godin van het lot’ aan. Over ‘Morgana’ lopen de theorieën uiteen. Een standaard verklaring is dat dit begrip duidt op een ‘luchtspiegeling in de Straat van Messina’ en, zo lezen we in het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands

“…dat hij gegeven zou zijn door de Noormannen, die in de elfde eeuw de Arabieren van Sicilië verdreven, en die de in de Straat van Messina voorkomende luchtspiegelingen aan tovenarij toeschreven en er de naam van Morgana, tovenares en zuster van koning Arthur, aan verbonden.”

Kortom: tovenarij door de heks Morgana (Morgan le Fay), een heks uit de legendes van Arthur – ze was een van de zussen van ridder Arthur – ten tijde van de middeleeuwen. Maar naast deze uitleg circuleert er nog een andere verklaring van ‘fata morgana’. Deze verklaart het begrip als afkomstig uit een ouder Arabisch sprookje. Ook hier betrof het een heks die luchtspiegelingen kon creëren. Morgana zou volgens deze verklaring van het Arabische begrip margān (koraal) zijn afgeleid, dat weer op het Griekse margarítēs / márgaron (parel) teruggaat.

Keltische godin

Een andere mogelijke verklaring van het ‘morgana’ uit de term ‘fata morgana’ is de Keltische godin Morrigan, de godin van de dood en de verwoesting. Deze godin wordt soms – met name door Ieren – geopperd als herkomst van het begrip. Als een soort heks was deze godin in staat om meerdere gedaanten aan te nemen en mensen te misleiden.

Ook interessant: Herkomst van ‘hocus, pocus, Pilatus pas’
…en: Het verschil tussen mythen, sagen, sprookjes en legendes

Bronnen

Internet
-http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/fatamorgana
-https://www.encyclo.nl/begrip/Fata%20Morgana
-https://nl.wikipedia.org/wiki/Fata_morgana_(luchtspiegeling)
-https://www.irishtimes.com/news/manipulations-of-morgana-1.102943
-https://www.dbnl.org/tekst/weil004kuns01_01/weil004kuns01_01_0006.php#f0119
-https://www.merriam-webster.com/dictionary/fata%20morgana
-http://keltische-en-germaanse-mythologie.clubs.nl/nieuws/detail/34245_oude-keltische-godin-morrigan
-https://nl.wikipedia.org/wiki/Morgana

Bron

Oudste wan van Nederland gevonden in Vlaardingen

Bij opgravingen in Vlaardingen is een wan, een platte mand die gebruikt werd om het kaf van het koren te scheiden, uit het jaar 300 voor Christus gevonden. Volgens Museum Vlaardingen gaat het daarmee om de oudste wan van Nederland.

De vondst is gedaan tijdens werkzaamheden aan het tracé van de Blankenburgverbinding in Vlaardingen. De vondst is extra bijzonder omdat de wan gevonden is in een gebied waar in de ijzertijdmensen op het veen woonden. Museum Vlaardingen:

“Tot voor kort dacht men dat het veen te nat was voor akkerbouw en dat de boeren toen alleen konden leven van de veeteelt. De vondst van de wan toont aan dat deze boeren ook graan hebben verbouwd. De wan is zo goed bewaard gebleven doordat hij op de bodem van een kreek terecht is gekomen waarna hij bedekt is geraakt door een dik kleipakket.”

Een boer scheidt het kaf van het koren met een wan (Jean-François Millet, ca. 1846)Een boer scheidt het kaf van het koren met een wan (Jean-François Millet, ca. 1846)

Boerderij

In de buurt van de wan zijn ook sporen van een boerderij uit dezelfde periode aangetroffen. Vermoed wordt dat de gebruikers van de wan hier woonden. Volgens archeologen is de boerderij destijds helemaal gesloopt en werd het sloopmateriaal hierna gebruikt om een pad aan te leggen. Al eerder zijn er in Vlaardingen vondsten gedaan van nederzettingen uit de ijzertijd in het veen.

“De vele vondsten wijzen erop dat het veen in de vierde en de derde eeuw een aantrekkelijke plek voor bewoning moet zijn geweest.”

Met een bewoningsdichtheid van 25 tot 35 mensen per vierkante kilometer was het gebied destijds vrij docht bewoond. Omdat het natte veen zorgt voor een goede conservering van de bewoningsresten, is het gebied voor archeologen buitengewoon interessant.

Uitdrukking: Het kaf van het koren scheiden

  • Boerderij

Bron

Alfons XIII en het regentschap van Maria Christina van Oostenrijk

Gedurende de laatste decennia van de negentiende eeuw worstelde Spanje met zijn roemruchte koloniale verleden, dat met de nederlaag in de Spaans-Amerikaanse oorlog voorgoed teneinde kwam. Cultuurpessimisme stak de kop op bij een aantal intellectuelen, die door de filosoof Ortega y Gasset betiteld werd als de Onheilsgeneratie. Tijdens het regentschap van Maria Christina van Oostenrijk, die als zodanig aantrad omdat troonopvolger Alfons XIII nog een baby was, kwamen belangrijke veranderingen aan de orde, zoals de wet op vereniging, pogingen om het leger te reorganiseren en de vormgeving van een nieuwe civiele orde.

De opmerkelijke troonopvolging en regentschap

Antonio Cánovas del CastilloAntonio Cánovas del CastilloOp 24 november 1885, aan de vooravond van het overlijden van koning Alfons XII, vond een belangrijke ontmoeting plaats tussen de twee grote politieke figuren in het Spanje van die tijd: Antonio Cánovas del Castillo en Práxedes Sagasta. Cánovas – op dat moment premier – als leider van de Partido Conservador en Sagasta van de Partido Liberal. Beide politici hadden er belang bij dat er na de dood van Alfons XII geen strubbelingen zouden ontstaan over de opvolging. Alfons XII was twee keer getrouwd geweest. Zijn eerste vrouw overleed kort na hun huwelijk en zijn tweede echtgenote, Maria Christina van Oostenrijk, schonk hem bij zijn leven twee meisjes.

Op het moment van overlijden van Alfons XII was Maria Christina zwanger en dat bracht een ongekende situatie met zich mee. Wanneer de nakomeling een meisje zou zijn, zou het geen probleem opleveren om de eerstgeborene uit te roepen tot erfopvolgster, maar wanneer dat gedaan zou zijn en de nakomeling bleek een jongetje, zou er een ernstig belangenconflict zijn ontstaan en juridisch moeilijk de aanwijzing van de eerstgeborene ongedaan te maken. De nakomeling zag het levenslicht op 17 mei 1886 en het was een jongetje, Alfons XIII.

Cánovas en Sagasta kwamen overeen dat Maria Christina het regentschap op zich zou nemen ter bestendiging van de bestaande monarchie die onder druk stond van carlisten en republikeinen. Tevens besloten zij tot een regeringswisseling. Cánovas droeg het premierschap over aan Sagasta, geheel in de traditie van de tien jaar eerder door Cánovas ontwikkelde doctrine van het turnismo dat voorzag in een regelmatige wisseling van de regeringsmacht. Dit alles onder de conditie dat de onder gezag van Cánovas ontwikkelde grondwet van 1876 gehandhaafd bleef. Deze afspraken staan bekend als het Pacto de El Pardo. Maria Christina werd een vooral representatieve rol toebedacht. Zij bleef buiten het politieke strijdgewoel en slechts bij een regeringswisseling benoemde zij formeel de nieuwe ministers. Ook zou zij enkele belangrijke wetten afkondigen. Haar politieke opvattingen lagen het dichtst bij die van Sagasta die gedurende haar regentschap langdurig aan de macht was.

De regering Sagasta 1885-1890

Nadat Sagasta invloedrijke figuren – zoals Sigismundo Moret en Eugenio Montero Ríos – uit de in 1881 van de Partido Liberal afgescheiden Izquierda Dinástica, weer aan zich had weten te binden, probeerde zijn kabinet een aantal belangrijke hervormingen door te voeren. De verkiezingen van 1886, geheel in stijl van het turnismo waarin verkiezingsfraude niet werd geschuwd, brachten Sagasta een royale meerderheid in het parlement en dus lag de weg open naar nieuwe, progressief-liberale wetgeving. Het eerste succes was de aanvaarding van de wet op vereniging die in 1887 tot stand kwam en waarin niet alleen het recht op associatie werd vastgelegd, maar ook het recht op collectieve acties. Deze wet werd internationaal geprezen vanwege haar vooruitstrevend karakter en is van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van de arbeidersbeweging. Zij was een flinke steun in de rug bij de oprichting van vakorganisaties zoals die van de Unión General de Trabajadores (UGT) in 1888.

Een heet hangijzer vormde de poging tot hervorming van het leger. Cánovas del Castillo had bij zijn eerste aantreden de krijgsmacht nadrukkelijk onder burgerlijk gezag geplaatst met de koning als symbool ervan door creatie van de rey-soldado (koning-soldaat), maar hij betaalde er een hoge prijs voor: geen bemoeienis van burgerlijke autoriteiten met interne zaken van het leger. En toch was dat hard nodig, want het leger was slecht georganiseerd, telde veel te veel officieren, het kende een antiek systeem van rekrutering, de soldij was laag en het was qua gevechtskracht absoluut geen partij voor de legers van andere mogendheden. Minister van Oorlog Manuel Cassola stelde zich twee dingen ten doel: creatie van een autonoom en efficiënt functionerend leger naar Pruisisch model en het oplossen van de sociale problemen waarmee soldaten te maken hadden. Van al zijn wetsvoorstellen deed die van de invoering van algemene dienstplicht wel het meeste stof opwaaien. Daarmee beoogde Cassola het systeem van rekrutering af te schaffen dat afkoping of vervanging mogelijk maakte waardoor armen altijd de klos waren.

Essentieel was de gedachte – benadrukt door de jonge liberaal José Canalejas – dat iedereen gelijk is voor de wet en dat dit dus ook van toepassing is op jonge mannen die de plicht hebben hun vaderland te verdedigen. Over het complete pakket van wetsvoorstellen werden in de Cortes meer dan tweehonderd redevoeringen gehouden en ook buiten het parlement kreeg het enorme aandacht in de pers en in de vele tertulias (gesprekskringen) die Spanje rijk was. Het verzet tegen Cassola was hevig en in juni 1888 trad hij af. Zijn opvolger, Tomás O’Ryan y Vázques probeerde vervolgens om samen met de inmiddels tot het kabinet toegetreden Canalejas te redden wat er te redden viel en bepaalde per decreet dat eervolle bevorderingen en bijbaantjes voortaan vermeden werden. Ook voerde hij een nieuw systeem van bevorderingen in dat promotie op grond van verdiensten in oorlogstijd mogelijk maakte. Dat nam niet weg dat de hervormingen voorlopig van de baan waren en de militairen kans hadden gezien het burgerlijk gezag buiten de kazernepoorten te houden. Zij hadden zich in feite weten te ontwikkelen tot een politieke pressiegroep van formaat die ook beschikte over een persorgaan waarin zij stelling namen tegen de hervormingen en zich opwierpen als beschermers van het vaderland. Zo werden de zich roerende arbeidersbeweging en het opkomend antimilitarisme in de militaire pers fel aangevallen.

Manuel Alonso MartínezManuel Alonso MartínezEen ander politiek zwaarwegend punt voor de Partido Liberal was de vormgeving van een nieuwe civiele orde. Al eerder – in 1870 – was een wetboek van strafrecht tot stand gekomen, maar er was in 1885 een sterke behoefte eindelijk te komen tot een hecht Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe handelswet kwam tot stand die beter aansloot op de behoeften van de moderne liberaal-kapitalistische maatschappij en na lange discussies in de Cortes werd de wetgevende arbeid van het kabinet Sagasta bekroond met de aanvaarding van het Burgerlijk Wetboek in 1889. In dit proces was de bijdrage van minister van Justitie Alonso Martínez als voorzitter van de commissie ter voorbereiding van de wet van doorslaggevende betekenis. Hoewel de liberalen streefden naar uniformering bleken zij bereid rekening te houden met de bestaande wetgeving op provinciaal niveau: de erfenis van een verleden waarin Spanje als staat niet bestond en zich in de diverse rijken op het Iberisch schiereiland zich verschillende rechtssystemen (fueros) hadden ontwikkeld. Behalve het Burgerlijk Wetboek schreef Alonso Martínez geschiedenis door de juryrechtspraak in te voeren, een wens van de progressieven die jarenlang was tegengehouden door conservatieve politici.

Tenslotte was er de invoering van het algemeen kiesrecht voor meerderjarige mannen (vanaf 21 jaar) in 1890. Dit was een onderwerp dat altijd hoog op de progressief-liberale agenda had gestaan en tijdens de revolutionaire jaren in de grondwet van 1869 ook al eens was ingevoerd. Formeel betekende de herinvoering van het algemeen kiesrecht een bevestiging van het democratisch gehalte van de Spaanse natie, maar in de praktijk bleef het turnismo de overhand houden met de daarbij behorende grootschalige manipulaties van verkiezingsuitslagen. Nog altijd heerste er controle van bovenaf en was van politieke invloed van het volk maar weinig sprake.

Spanje tijdens de koloniale oorlogen

In de jaren negentig van de negentiende eeuw raakte Spanje verwikkeld in een strijd met zijn koloniën in het Caribisch gebied, een strijd die culmineerde in de Spaans-Amerikaanse oorlog van 1898 waarover eerder is gepubliceerd op deze site. Voor de hand ligt de vraag waarom Spanje zich liet meeslepen in een oorlog met de oppermachtige VS. Uit militair oogpunt stond dat gelijk aan zelfmoord, want het overwicht van de Amerikanen was enorm. Het antwoord daarop is gelegen in de destijds heersende mening dat het voeren van deze ongelijke strijd noodzakelijk was om de Spaanse monarchie van de ondergang te redden. Verdediging van het Spaanse erfgoed stond centraal, niet alleen bij Sagasta, maar zeker ook bij regentes Maria Christina. Verlies van de koloniën was daaraan ondergeschikt.

Het liep zoals men had verwacht, strijdend ging Spanje ten onder, maar de monarchie, gepersonifieerd in de jonge koning Alfons XIII, bleef intact. De president van de Spaanse Senaat en voorzitter van de onderhandelingsdelegatie in Parijs verzuchtte:

‘Alles is teloor gegaan, behalve de monarchie’.

Binnenslands werd over deze kwestie uiteraard verschillend gedacht. Voorstanders ervan, die zich uitdrukten in patriottische bewoordingen, deden dat niet zozeer uit liefde voor het koningshuis, dan wel uit eigenbelang. Het waren vooral de grootgrondbezitters, handelaren en de Catalaanse industriëlen die profiteerden van hun monopolieposities. De graanverbouwers van Castilië namen een wat gematigder positie in en gaven vanuit hun verbondenheid met het gedachtegoed van de Partido Liberal steun aan de pogingen van Sagasta om Cuba te behouden door verlening van autonomie.

Tegenstanders van de oorlog waren natuurlijk te vinden onder de gewone bevolking die zuchtte onder de extra belastingen ter financiering ervan en die door de midden- en hogere klassen konden worden ontdoken. De carlisten ontpopten zich weliswaar als echte patriotten, maar hoopten dat een militaire nederlaag de kansen van hun troonpretendent zou vergroten. Wie zich openlijk verzette tegen de oorlog was Pi y Margall, oud-premier en afgevaardigde in het parlement die de wreedheden van de oorlog hekelde en een duidelijk antikolonialistisch beleid voorstond. Hij vormde een kleine minderheid in het politieke krachtenveld en werd alleen gesteund door republikeinen en socialisten. Laatstgenoemden voerden campagne tegen de oorlog, vooral na de dood van Cánovas en hun leider Pablo Iglesias – oprichter van de PSOE – publiceerde tal van artikelen in het blad El Socialista waarin hij blijk gaf van pacifistische opvattingen en zich een fervent tegenstander toonde van het kolonialisme. Het leidde tot een aantal grote samenkomsten in steden als Gijón, Santander en Madrid waarbij arbeiders demonstreerden tegen de oorlog in de wetenschap dat zij moesten bloeden voor de belangen van de heersende klassen.

Alejandro LerrouxAlejandro LerrouxDe anarchisten bevonden zich in een lastige positie, want al eerder hadden zij getoond geweld niet te schuwen. Niettemin was de oorlog voor een aantal anarchisten het aangrijpingspunt om zich te presenteren als een alternatieve beweging van antimilitaristische en antinationalistische signatuur. Voor hen was het ook het moment om kracht bij te zetten aan hun eisen voor onafhankelijkheid van Cuba en op te komen voor de rechten van een aantal anarchisten die opgesloten zaten in de gevangenis van Montjuic (Barcelona) en daar blootstonden aan ernstige martelingen. Demonstraties waren uitgelopen op een heftige reactie van de overheid toen in juni 1896 een onbekende een bom wierp tijdens de viering van Sacramentsdag in een van de straten van de stad wat twaalf doden en tal van gewonden veroorzaakte.

Niet in staat om de dader te vinden, arresteerde de politie 400 mensen van linkse huize. Zij werden opgesloten in het kasteel van Montjuic en op de meest gruwelijk manieren gemarteld. Tegen 28 van hen werd de doodstraf geëist en voor 59 levenslange gevangenisstraf. In de hoofdstad wed lauw gereageerd op deze gruwelijke gebeurtenissen in Catalonië, maar wel leidden ze tot reacties in Frankrijk dat op dat moment worstelde met de Dreyfus-affaire. Het was Alexander Lerroux, de toenmalige directeur van de krant El País, die de wreedheden van Montjuic keer op keer aan de kaak stelde wat leidde tot demonstraties in tal van Spaanse steden. Lerroux ondernam een twintigtal reizen door het land om overal een lans te breken voor de gevangenen van Montjuic. Er heerste een opgewonden sfeer die de Italiaanse anarchist Angiolillo ertoe bracht naar Spanje te reizen om terroristische acties te ondernemen. Hij drong zonder enige moeite 8 augustus 1897 het kuuroord van Santa Águeda binnen waar hij vervolgens met drie pistoolschoten premier Cánovas del Castillo het leven benam.

De anarchist Angiolillo vermoordt Castillo (CC BY-SA 3.0 - Ginés, V. - wiki)De anarchist Angiolillo vermoordt Castillo (CC BY-SA 3.0 – Ginés, V. – wiki)

Het regeneratiedenken rond de eeuwwisseling

De processen van Montjuic eindigden in 1900 met slechts één vrijspraak waarna er heftige debatten werden gevoerd in de kranten door een nieuwe generatie van intellectuelen die zich verzetten tegen de bestaande orde en blijk gaven van hun republikeinse opvattingen, hun antiklerikalisme en antimilitarisme. Het waren de pleitbezorgers van een regeneratie, het herstel van het in hun ogen decadente Spanje dat diende af te rekenen met het verleden en met een politiek systeem dat gecorrumpeerd was door het turnismo van Cánovas. Twee stromingen dienen te worden onderscheiden, die van intellectuelen en politici die een heldere, objectieve en wetenschappelijk verantwoorde vernieuwing voorstonden en de stroming van schrijvers en kunstenaars die hun eigen, subjectieve opvattingen lieten prevaleren en zich uitten in literaire geschriften. Deze laatste stroming, met een van de belangrijkste vertegenwoordigers Joaquín Costa, wordt doorgaans de Generatie van ’98’ genoemd.

Francisco SilvelaFrancisco SilvelaHet besef dat Spanje de bakens had te verzetten en vooral in moreel opzicht schoon schip moest maken, heerste algemeen en ook in de Partido Conservador, de schepping van Cánovas del Castillo, werd dit idee door velen gedragen. Vooraanstaande figuren als Antonio Maura en Francisco Silvela, beiden zeer gelovige rooms-katholieken, pleitten vanuit die overtuiging ervoor om een eind te maken aan de verkiezingsfraudes bewerkstelligd door de plaatselijke caciques, lokale machthebbers die elke verkiezingsuitslag naar hun hand konden zetten. Zij vonden dat de politiek haar waardigheid moest hervinden. Daarnaast waren zij ervan overtuigd dat Spanje als Europese mogendheid pas serieus kon worden genomen wanneer de financiën op orde waren en het land weer kon beschikken over een volwaardig leger.

In maart 1899 vond weer een wisseling van de macht plaats en werd Sagasta opgevolgd door de conservatief Silvela met aan diens zijde de vanwege zijn verdiensten gedurende het Spaans-Amerikaanse conflict zeer populaire Camilo de Polavieja als minister van Oorlog. Polavieja vertegenwoordigde de gevestigde orde, maar was met Silvela van oordeel dat het logisch was om in het kader van een politiek van regeneratie, voorrang te verlenen aan de versterking van het leger. Dat voornemen stuitte echter op weerstand van de sober ingestelde Raimundo Fernández Villaverde, de minister van Financiën, die het op orde brengen van de rijksfinanciën belangrijker vond dan het doen van investeringen in de krijgsmacht. Zijn restrictief beleid betekende tevens dat er geen tegemoetkomingen konden worden gedaan aan de wensen van de Catalaanse industriëlen en Castiliaanse graanhandelaren, die vervolgens stelling namen tegen de regering Silvela. De regering ging ten onder. Ondanks de breed gevoelde noodzaak voor regeneratie bleken de onderlinge tegenstellingen te groot om handen en voeten te geven aan hervormingen.

Joaquín CostaJoaquín CostaDe andere stroming van regeneratiedenkers bestond zoals aangegeven uit een groep schrijvers en artiesten waartoe vooraanstaande intellectuelen behoorden als Joaquín Costa, Miguel de Unamuno, Ramón Menéndez Pidal, Ramón María del Valle-Inclán en Ramiro de Maeztu. Door sommigen wordt de filosoof José Ortega y Gasset ook tot de Generatie van ’98’ gerekend, maar zelf noemde Ortega deze de Onheilsgeneratie en hoorde hij in feite tot de optimistischer gestemde beweging die aan het begin van de Eerste Wereldoorlog van zich deed spreken: de Generatie van ’14’ ofwel de generatie van de hoop. En inderdaad, de generatie van 98 was er een die zich pessimistisch toonde over de kansen van Spanje om er weer bovenop te komen en meende dat de Spanjaarden daarvoor niet de capaciteiten bezaten. Costa verwoordde deze kijk op Spanje in zijn in 1901 gepubliceerde werk Oligarquia y caciquismo. Daarvoor had hij ervaring opgedaan op bestuurlijk vlak en als leider van de Nationale Liga van Producenten tal van hervormingsprogramma’s op agrarisch, economisch en bestuurlijk terrein ontwikkeld. Maar hij had ondervonden dat voor alle spelers op economisch gebied het hemd nader was dan de rok en elke poging verouderde systemen te veranderen schipbreuk leed op het laten prevaleren van het eigen- of groepsbelang.

Het einde van het regentschap van Maria Cristina

In maart 1901 nam Sagasta opnieuw de touwtjes in handen nadat de opvolger van Silvela, de conservatief Marcelo Azcárraga, kort aan de macht was geweest met als enige doel om het huwelijk te regelen van prinses María de las Mercedes, de oudste dochter van regentes Maria Christina, met Karel Maria van Bourbon-Sicilië, zoon van een carlist. Dit huwelijk werd een staaltje van rooms-katholiek machtsvertoon en stond in scherp contrast met de antiklerikale beweging die aan betekenis toenam binnen de Partido Liberal van Sagasta. In een beroemd geworden debat hekelde Sagastas’ partijgenoot José Canalejas de vijf politieke uitgangspunten van de Partido Conservador: reactie, klerikalisme, militarisme, regionalisme en kapitalisme. Vanaf die tijd groeide onder liberalen vooral het antiklerikale gedachtegoed als antwoord op de decennialange politiek waarmee de Partido Conservador ruim baan had gegeven aan de clerus.

~ Willem Peeters

Overzichtspagina geschiedenis van Spanje
Overzicht van boeken over de geschiedenis van Spanje

Bron

Romeinse brug ontdekt bij Utrecht

Bij archeologisch onderzoek in Leidsche Rijn bij Utrecht is een Romeinse brug ontdekt. De brug was onderdeel van de doorgaande weg op zuidoever van de Rijn, waar vanaf 40 na Chr. een reeks forten de grens van het Romeinse rijk bewaakte. Dat meldt de gemernte Utrecht.

De brug is aangelegd om de grensweg over een zijriviertje van de Rijn te leiden. Alle zestien eikenhouten brugpijlers zijn bewaard gebleven. De nieuwe opgraving ligt in Strijkviertel, nabij sportpark Rijnvliet.

Het gaat volgens archeologen om een zogenaamde ‘paaljukbrug’, gedragen door een rooster van vier bij vier palen. Ook de twee landhoofden waar de brug op uitkwam zijn voor een deel bewaard. Opvallend is het gebruik van basaltbrokken uit de buurt van Bonn om de landhoofden te beschermen tegen erosie. Het materiaalgebruik wijst erop dat de brug kan zijn gebouwd tijdens een van de grote bouwcampagnes langs de Romeinse grens (limes) in het jaar 100 of 125.

Basalt waarmee de brug aan de oever was bevestigd (Foto Gemeente Utrecht)Basalt waarmee de brug aan de oever was bevestigd (Foto Gemeente Utrecht)

Precies twintig jaar geleden is ook al een dergelijke paaljukbrug ontdekt in Leidsche Rijn, toen in Velthuizen, enkele kilometers westelijk van de nieuwe opgraving. Die brug dateerde uit het jaar 125 en was, net als de nu gevonden brug, 5,20 m breed – precies achttien Romeinse voeten.

Ook interessant: De Romeinse limes
Boek: Romeinse sporen – Het relaas van de Romeinen in de Benelux

  • Brug
  • Utrecht

Bron

Geschiedenis van de Boekenweek

Het is weer tijd voor de Boekenweek. Thema van dit jaar is De moeder de vrouw. Sinds 1930 worden in Nederland Boekenweken gehouden, dit met als doel de rol van het boek in de samenleving te verstevigen.

Mijn moeders strijd - Murat IsikMijn moeders strijd – Murat IsikHet boekenweekgeschenk van 2019 is geschreven door Jan Siebeling Gerritsen en heeft als titel Jas van belofte. Van 23 tot en met 31 maart geven boekverkopers dit boek gratis weg bij aankoop van ten minste 12,50 euro aan Nederlandstalige boeken. Op zondag 31 maart kan er gratis gereisd worden met de trein wanneer men het boekenweekgeschenk meeneemt.

De schrijver Murat Isiks schreef daarnaast een essay over de emancipatiestrijd van zijn moeder, Aynur. Zijn werd begin jaren vijftig van de vorige eeuw geboren in een arm Zaza-dorp in Oost-Turkije. Ze verzet zich lange tijd tegen haar ouders die haar willen uithuwelijken. Tot de druk zo hoog oploopt dat ze wel moet trouwen en ze begin jaren tachtig terechtkomt in de Amsterdamse Bijlmer, waar ze sociaal geïsoleerd raakt. Tegen de verwachtingen in besluit Aynur zich toch te emanciperen.

Het begin van de Boekenweek

In 1930 kwam tijdens de eerste Boekenweek het jubileumboekje De uitgever en zijn bedrijf uit. Dit boekje werd uitgegeven ter ere van het vijftigjarig bestaan van de Nederlandsche Uitgeversbond. Een jaar hierna was er geen boekenweek, maar in 1932 verscheen er voor het eerst een echt Boekenweekgeschenk. Het boek had de toepasselijke titel Geschenk.

Na dit eerste officiële boekenweekgeschenk verscheen er vrijwel ieder jaar een boekenweekgeschenk tijdens de Boekenweek. Alleen tijdens de Tweede Oorlog verschenen er enkele jaren geen geschenken. In 1941 verscheen er nog wel een Boekenweekgeschenk, maar op last van de Duitse bezetter werd het boek op 1 maart 1941 uit de handel genomen. Vermoedelijk omdat een van de schrijvers van de uitgave Novellen en Gedichten, Victor van Vriesland, van Joodse komaf was.

Doorgaans is het Boekenweekgeschenk een novelle. Tot en met de jaren zeventig verschenen er naast het officiële Boekenweekgeschenk ook enkele uitgaven voor de schoolgaande jeugd. Sinds 1987 verschijnt er naast het Boekenweekgeschenk ook een essay waarin vaak dieper ingegaan wordt op het thema van de Boekenweek.

Anonieme uitgaven

Oeroeg van Hella Haassse verscheen aanvankelijk anoniemOeroeg van Hella Haasse verscheen aanvankelijk anoniem

In de jaren ’40, ’50 en ’60 werden de Boekenweekgeschenken vaak anoniem op de markt gebracht. Dit in het kader van een prijsvraag. Onbekend was dus wie het boek geschreven had. Het Boekenweekgeschenk van 1948 bijvoorbeeld, het Oeroeg waaraan nu vrijwel iedereen direct de naam Hella Haasse koppelt, verscheen ook anoniem. In het Boekenweekgeschenk was een lijst van mogelijke auteurs opgenomen. De ontvanger van het geschenk kon per briefkaart laten weten wie volgens hem of haar de auteur van de novelle was.

De Boekenweekgeschenken worden uitgegeven door stichting CPNB. In het verleden werd dit gedaan onder de naam De Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels.

Essay bij de Boekenweek 2019: Mijn moeders strijd – Murat Isik

  • Boekenweek
  • CPNB
  • Hella Haasse
  • Oeroeg

Bron

Romeinse wachttoren gevonden in Krommenie

Bij opgravingen in Krommenie hebben archeologen de resten van een wachttoren blootgelegd. Gemeentelijk archeoloog van Zaanstad Piet Kleij weet vrijwel zeker dat het om een Romeinse wachttoren gaat. Daarmee zou het gaan om de meeste noordelijke Romeinse (militaire) nederzetting op het vaste land.

De wachttoren is vierkant en had onderaan afmetingen van ongeveer drie bij drie meter. De bovenverdiepingen waren waarschijnlijk iets groter. De archeologen hebben twee van de vier hoekpalen blootgelegd en uitgegraven. Om de wachttoren heen stond een grote omheining van boomstammen, een palissade, die bijna een half voetbalveld omsloot. Volgens de onderzoekers is dat bijzonder groot voor een palissade rond een wachttoren. Meestal waren ze kleiner. De omheining is niet vierkant, zoals op veel andere plekken in Europa het geval was, maar vijfhoekig.

Zowel de grootte als de vorm van de palissade en de ligging van het geheel, buiten het Romeinse Rijk, zijn volgens de archeologen opmerkelijk. Dit geeft aan dat het een bijzondere vindplaats is. De gemeente Zaanstad:

“De Romeinen hebben de wachttoren en de omheining met zorg aangelegd. De toren staat in een veenmoeras en om daar te komen hebben ze een dichtgegroeide kreek uitgegraven zodat een kanaal ontstond dat aansloot op waterwegen die naar de bewoonde wereld leidden. Het terrein zelf hebben ze opgehoogd met kleiplaggen. De boomstammen zijn waarschijnlijk aangevoerd vanaf de duinen of vanuit het rivierengebied langs de Rijn. De bouw zal heel wat zweetdruppeltjes hebben gekost.”

Onder de palissade ontdekten de archeologen aardewerk, dat mogelijk nog ouder is. De hele wachttoren blootleggen lukt niet. Er ligt een grote elektriciteitskabel die een groot deel van Krommenie van stroom voorziet.

Datering

Bij de opgraving vonden de archeologen ook aardewerk zoals potten en kruiken (amforen). Gebaseerd op de vorm van dit aardewerk lijkt het erop dat de wachttoren uit de eerste helft van de eerste eeuw dateert. Verder onderzoek moet uitwijzen of deze datering kan worden aangescherpt. En ook wat de Romeinen nu eigenlijk te zoeken hadden in dit drassige veenmoeras.

Boek: Romeinse sporen – Het relaas van de Romeinen in de Benelux

Toegevoegd: Opmerking 24 oktober 2018

“In 1964 en 1965 werd hier reeds een opgraving verricht, door de plaatselijke AWN afd. en de ROB (Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek. Met de kennis van toen werd door archeologen Halbertsma en Bogaers vermoed dat het om een “Hain” ging, een inheemse sacrale plaats. Op grond van de zeer vele Romeinse vondsten, waaronder slingerkogels, en de karakteristieke funderingspalen, die op een toren wezen, had de heer E.J. Helderman (Westerheem XX N0.1, febr 1971) de theorie dat het “Hain” een militaire post moest zijn in de vorm van een kleine wachttoren met een palissade eromheen. Deze theorie kwam tot stand na uitvoerige discussies na bestudering van het materiaal, binnen het toenmalige bestuur. Er was toen door gebrek aan kennis van gelijksoortige objecten geen 100% zekerheid of het een Romeinse wachttoren was. Ter voorkoming van schatgraverij werd over de resultaten van de opgraving in die tijd geen publiciteit in de media gezocht. Wel werd er in Westerheem en in de vakliteratuur over geschreven.”

– Walter Prinsze (voormalig secretaris van de AWN afd. Zaanstreek-Waterland e.o.)

Bron

Provinciale politiek, blik op een vrijwel onbekende bestuurslaag

Afgelopen 20 maart vonden de verkiezingen voor de Waterschappen en de Provinciale Staten weer plaats: miljoenen Nederlanders maakten de gang naar het stemhokje om het bolletje van hun favoriete kandidaten met de rode potlood aan te kruisen. Hoewel het opkomstpercentage fors hoger was dan voorgaande jaren, besloten nog altijd miljoenen Nederlanders thuis te blijven.

Foto: CC/LuijtFoto: CC/Luijt
De Provinciale Staten zijn (om over de Waterschappen nog maar te zwijgen) namelijk voor velen een vreemde bestuurslaag, een ver-van-ons-bedshow. Daarom wordt in campagnetijd vaker gesproken over de verkiezing van de Eerste Kamer dan over provinciale politiek. Die Kamer wordt namelijk verkozen door de leden van de Provinciale Staten (de mensen op wie we daadwerkelijk stemmen!). Een truc om mensen maar naar de stembus te lokken dus.

Onbekend

Hoewel het jammer is dat veel landgenoten zich afgelopen woensdag niet geroepen voelden om te gaan stemmen, is het niet onbegrijpelijk: want hoe bekend is de provincie onder de bevolking nou eigenlijk? Wat doet de provincie überhaupt (naast het kiezen van de Eerste Kamerleden) en wat speelt zich af in de provinciale politiek? En – misschien wel de belangrijkste vraag – hoe werkt die provinciale democratie? Onbekend maakt onbemind.

In het recent verschenen boek Provinciale politiek wordt, jawel, de provinciale politiek in de wetenschappelijke spotlights geplaatst. Onder redactionele leiding van Hans Vollaard en Harmen Binnema bespreken verschillende auteurs tal van aspecten van de provinciale politiek: de turbulente geschiedenis van de provinciën, de ontwikkeling van het ambt van Commissaris van de Koning(in), het feitelijke functioneren van de provinciale politiek, de architectonische pracht en de representatieve waarde van de Statengebouwen, de mogelijkheden voor burgers om te participeren in de provinciale politiek, de democratische kwaliteit van provincies in recente jaren – alles komt aan bod. Daarmee wordt, voor het eerst, recht gedaan aan dit tot nu toe veronachtzaamde onderwerp.

Geschiedenis

Van sommige provincies, zoals het bisdom Utrecht, het hertogdom Brabant of het graafschap Holland, gaat de voorgeschiedenis terug tot in de middeleeuwen. Die gebieden, weliswaar verschillend in politieke constructie, hadden binnen het Heilige Roomse Rijk een zekere zelfstandigheid verworven. De latere Bourgondische en Habsburgse heersers probeerden echter de teugels aan te spannen: zij wilden de nu nog verschillende politieke eenheden meer uniformeren en centraliseren. Dat stuitte echter op enorme weerstand in de Staten-Generaal, de gezamenlijke vergadering van alle individuele Staten, die er, niet verrassend, op gebrand waren om hun lokale belangen, verkregen privileges en verworven vrijheden te verdedigen. Uiteindelijk verbond een aantal van die Lage Landen, die fel gekant waren tegen de Habsburgse centralisatiepogingen, zich in de Unie van Utrecht (1579). Die club besloot later, na tevergeefs naar een heerser voor dat verbond te hebben gezocht, het heft in eigen handen te nemen: de soevereiniteit zou blijven liggen bij de confederale constructie van die zeven provincies. De Republiek der Zeven Verenigde Provinciën was geboren (1588-1795).

Provinciehuis Zuid-Holland aan het Zuid-Hollandplein in Den Haag (Publiek Domein - wiki)Provinciehuis Zuid-Holland aan het Zuid-Hollandplein in Den Haag (Publiek Domein – wiki)Omdat er geen staatshoofd gevonden was, werd het hoogste gezag van de Republiek belegd bij de Staten-Generaal, een orgaan waarin alle provincies vertegenwoordigd waren en zij hun provinciale zelfstandigheid zo goed en zo kwaad mogelijk verdedigden.

Gedegradeerd tot postbus

Nou ja, “alle provincies”… verre van dat, eigenlijk. Het arme landschap Drenthe werd geen zitting in de Staten-Generaal vergund. En ook Limburg, Groningen, Noord-Brabant en Zeeuws-Vlaanderen vielen, als veroverde gebieden, rechtstreeks onder de Staten-Generaal en beschikten dus nauwelijks over zelfstandigheid.

De soevereiniteit van de provinciën brokkelde verder af door de introductie van de stadhouders, figuren afkomstig uit het adellijk huis van Oranje-Nassau. Die types hadden, als aanvoerders van het leger, een enorm gezag, en konden regeringsreglementen opleggen en ambtenaren in de provincies benoemen. De provincies boetten daardoor steeds meer aan belang in.

Met de vorming van een eenheidsstaat in de late achttiende eeuw zette die trend door: de langgekoesterde provinciale soevereiniteit werd grotendeels opgedoekt, het provinciale takenpakket beperkte zich vervolgens tot een voornamelijk administratieve functie en een door de Koning benoemde Commissaris hield de teugels strak, zowel qua formele bevoegdheden als financiële huishouding. Provincies werden min of meer gedegradeerd tot postbus, als een doorgeefluik van Rijkswetten aan gemeenten enerzijds en gemeentewensen aan het Rijk anderzijds.

Verzorgingsgebieden

Niet verrassend is het daarom dat afgelopen eeuw – en zeker in de jaren zeventig – het bestaansrecht van provincies ter discussie werd gesteld. Een tijd lang werd gewestvorming door samenwerking en samenvoeging van gemeenten gezien als remedie tegen bestuurlijke problemen; later wilde minister De Gaay Fortman de provincies zelfs opknippen in 24 zogenoemde verzorgingsgebieden met bestuurlijke samenwerking. Opvolger Wiegel nam dat idee, weliswaar in aangepaste vorm, over: het land zou verdeeld worden in 17 provincies.

“Het provinciale bestuur is als een gesloten oester, een op het eerste oog weinig aantrekkelijke, oninteressante schelp, maar die, diep verborgen, een waardevolle parel bevat.”

Al die plannen werden echter ten grave gedragen. Gemeentelijke herindelingen en intergemeentelijke regelingen werden het nieuwe recept om bestuurlijke problemen op te lossen. De provincies bleven bestaan.

Belang

Zeker de eerste paar, historisch ingestoken hoofdstukken, waarin onder andere de geschiedenissen van de provincies en het ambt van Commissaris van de Koning(in) worden beschreven, zijn meer dan de moeite waard voor Historiek-lezers. De latere hoofdstukken, over de democratische kwaliteit van de provincie, de toetsstenen daarvoor en de vele tabellen over opkomstpercentages en kiesdistricten, zijn theoretischer en daardoor, zeker voor de politicologische leek, wat taaier van aard. Desalniettemin, óók die hoofdstukken zijn erg relevante materie voor eenieder die het feitelijk functioneren van het hart van de provinciale politiek wil begrijpen.

Het belang daarvan is helder: zonder te weten hoe de provinciale democratie functioneert, doen we niet alleen de ruim 500 Statenleden, die afgelopen woensdag gekozen zijn, maar ook onszelf, als burgers van twaalf provinciën, ernstig tekort. Ook reikt het boek ons de instrumenten aan om met iets meer afstand naar de afgelopen verkiezingscampagne te kijken. Hoe centraal de Eerste Kamerverkiezing daarin ook stond, de échte provinciale politiek gaat over iets heel anders: over hoe Provinciale Staten de controle van Gedeputeerde Staten vormgeven, over de mate waarin het bestuur uitwerking kan geven aan de voorkeuren van burgers en over de manieren waarop burgers (aangespoord worden om) betrokken (te) zijn bij beleidsontwikkeling en –keuzes. De toekomst zal uitwijzen hoe de nieuw gekozen Statenleden zich hier rekenschap van geven. Dankzij dit boek kunnen we hen kritisch blijven volgen.

Gesloten oester

Provinciale politiekProvinciale politiek – Harmen Binnema & Hans VollaardHet boek werpt, zoveel is inmiddels wel duidelijk, licht op een vrijwel onbekende bestuurslaag. Het is verbazingwekkend hoe weinig onderzoek er tot nu toe gedaan is naar provincies – zeker omdat sommige provincies al langer bestaan dan de Nederlandse staat. Het gebrek aan – of de onvolledigheid van – wetenschappelijk materiaal zorgt er echter voor dat sommige bijdragen in Provinciale politiek minder de diepte in kunnen dan je, als lezer, zou willen. Het is daarom van harte te hopen dat dit boek bijdraagt aan het verder oplaaien van de interesse naar het functioneren- en de democratische gesteldheid van provincies. Niet alleen onder wetenschappers, maar ook onder mensen als u en ik.

Het provinciale bestuur is als een gesloten oester, een op het eerste oog weinig aantrekkelijke, oninteressante schelp, maar die, diep verborgen, een waardevolle parel bevat. Met het openslaan van dit boek vangen we een glimp van die glinsterende parel op, zien we gedurende tweehonderd pagina’s de schoonheid van de provinciale democratie in volle glorie – razend actueel, dit boek.

~ Mark Barrois

Boek: Provinciale politiek – De provincies democratisch getoetst
Fragment uit het boek: Een historische schets van het provinciaal bestuur

Bestel dit boek bij:

Bron

Vier Kourous-beelden ontdekt in Centraal-Griekenland

Archeologen hebben bij Atalanti, in Centraal-Griekenland, vier kourosbeelden opgegraven. Ze werden op het spoor gezet door een boer die tijdens het bewerken van zijn land op de romp van een beeld stuitte. Hij informeerde de autoriteiten, die een team archeologen inschakelden om nader onderzoek te doen.

Foto: Grieks ministerie van CultuurFoto: Grieks ministerie van CultuurDe kalkstenen kouroi waren niet meer intact, de gevonden delen varieerden in hoogte van 0,86 meter tot 1,22 meter. Ook legden de archeologen een deel van een basis voor een standbeeld bloot.

Naakte jongeman

Een kouros is een vrijstaande oude Griekse sculptuur van een naakte jonge man. In het Oudgrieks betekent kouros ‘jeugd / jongen, vooral van nobele rang’. De beelden verschenen voor het eerst in de archaïsche periode (± 800 tot 480 voor Christus).

Bij verder onderzoek van het stuk grond waar de kouroi werden gevonden, vonden de archeologen in diepere bodemlagen ook nog een oude begraafplaats. Tot dusver zijn zeven graven ontdekt. De graven lijken te zijn gebruikt van de vijfde tot de tweede eeuw voor Christus. Waarschijnlijk behoorde de begraafplaats tot de oude stad Opus. Opus is de oude naam van Atalanti, en vermoedelijk een van de oudste steden in Griekenland.

~ Natascha Neef – Parakalo

Overzicht van boeken over de Oude Grieken en Oud Griekenland

  • Griekenland
  • Parakalo

Bron

Geboortehuis van Rembrandt virtueel nagebouwd

Meesterschilder Rembrandt van Rijn werd in 1606 in Leiden geboren. Veel delen van het oude Leiden zijn bewaard gebleven, maar het huis waar de kunstenaar voor het eerst het levenslicht zag bestaat niet meer. Dankzij een virtuele reconstructie is dit geboortehuis nu toch te bekijken.

Bouwhistorici van Erfgoed Leiden en Omstreken werkten voor de reconstructie nauw samen met historisch reconstructie-kunstenaar Matthijs de Rijk. Het project begon met het verzamelen van alle relevante beschikbare gegevens. Naast archiefonderzoek werd gezocht naar kaartmateriaal, tekeningen, schilderijen, historische foto’s, bouwhistorische en archeologische data. Met name het “straetbouc” van Van Dulmanhorst en Dou uit 1588-1597, de vogelvlucht kaarten van Bast uit 1600 en Blaeu uit 1633 uit de collectie van Erfgoed Leiden bleken waardevol.

Het geboortehuis van Rembrandt bestond uit twee huizen parallel aan de Weddesteeg met een aanbouw en een huisje in de tuin. De compositie van het interieur is ook gebaseerd op bouwhistorische onderzoek in Leiden samen met vergelijkbare interieurs uit de zeventiende eeuw en historische schilderingen en prenten.

Impressie van het geboortehuis van Rembrandt:

Meer informatie over het project: www.erfgoedleiden.nl/rembrandt
Bekijk ook: Zo groeide Amsterdam in de Gouden Eeuw (animatie)
Overzicht van Boeken over Rembrandt van Rijn
Boek: Het spel van licht en donker – Roman over de jonge Rembrandt

  • Rembrandt van Rijn

Bron

Deel oude stadsmuur Doetinchem gevonden

In Doetinchem hebben archeologen eind vorige week resten van de oude stadsmuur gevonden. De ontdekking is gedaan aan de Terborgseweg. Gemeente en deskundigen onderzoeken de stadsmuur momenteel en bekijken op welke wijze deze behouden kan worden.

Deel van de oude stadsmuur (Gemeente Doetinchem)Deel van de oude stadsmuur (Gemeente Doetinchem)Het gevonden deel van de stadsmuur is waarschijnlijk onderdeel van de oude buitenpoort van de verdedigingswerken van Doetinchem. Het is één van de vier poorten die Doetinchem vroeger had rondom de stad. De archeologen krijgen deze week ruim tijd om de stadsmuur vrij te graven en verder onderzoek te verrichten. Daarbij wordt meegenomen hoe dit op een zichtbare manier behouden kan blijven voor Doetinchem.

De eerste onderzoeken wijzen volgens de gemeente uit dat de kans op behoud van de stadsmuur groot is. Een stuk riolering wordt hiervoor verlegd. Wethouder Sluiter (cultuurhistorie) is verheugd met de vondst:

“Met dit stuk stadsmuur hebben we echt een historische parel gevonden. Dit biedt ons de kans om een stukje oud-Doetinchem te laten zien. We werken er daarom graag aan mee om te kijken of en wat er nodig is om de stadsmuur zichtbaar te laten blijven voor ons en de vele generaties die volgen.”

Deel van de oude stadsmuur (Gemeente Doetinchem)Deel van de oude stadsmuur (Gemeente Doetinchem)

Bron

Nazipropaganda voor de jeugd

In Hitlers

Duitsland

werd geen propagandamiddel onbeproefd gelaten om de geestdrift onder de jeugd op te stoken. De continuïteit van het

Derde Rijk

hing immers van hen af. Die

propaganda

was succesvol: veel jongeren bleven tot het bittere einde geloven in de heilstaat die de Führer hun jarenlang had voorgehouden. Zelfs als dat ten koste van hun eigen leven ging. In het deze week te verschijnen boek

Hitlers jongste hoop

, staat historicus Gerard Groeneveld stil bij de rol van illustraties voor de jeugd binnen de nazipropaganda. Op Historiek een fragment uit zijn boek, over propagandaplaten op sigarettenpakjes.

Roken voor het rijk

Verzamelen wordt door jongeren vaak als leuk, leerzaam en spannend ervaren. Het trekt een veelzijdige wereld open, waarbij kinderen leren zoeken, snuffelen, ruilen, onderhandelen, selecteren, ordenen, conserveren, samenhang ontdekken en meer. Allemaal bezigheden waarvan de commercie, reclame en marketing al sinds het laatste kwart van de negentiende eeuw handig gebruik wisten te maken. Bijvoorbeeld door massaproducten aan plaatjes te koppelen. Bij aanschaf werd een veelal kleurrijke afbeelding meegeleverd als onderdeel van een serie. Om de diverse interesses van de jeugd aan te spreken, verschenen er series over de meest uiteenlopende thema’s, zoals natuur, geografie, techniek, geschiedenis, religie, sprookjes, theater en film. De verworven plaatjes konden vervolgens in speciaal voor dat doel gedrukte albums worden geplakt. Die aanpak miste zijn doel niet. Geestdriftig sloeg de Duitse jeugd ook tijdens het interbellum aan het verzamelen.

De sigarettenindustrie hielp Hitler graag met het verspreiden van propaganda voor zijn beweging. Dit sigarettenplaatjesalbum, Deutschland erwacht!, was bijzonder succesvol. Kinderen leerden zo op een speelse manier de geschiedenis van de NSDAP kennen.De sigarettenindustrie hielp Hitler graag met het verspreiden van propaganda voor zijn beweging. Dit sigarettenplaatjesalbum, Deutschland erwacht!, was bijzonder succesvol. Kinderen leerden zo op een speelse manier de geschiedenis van de NSDAP kennen.

Sigarettenplaatjes

De tabaksindustrie had een groot aandeel in de verspreiding van die illustraties. Zo’n populair medium als een sigarettenplaatje was precies wat Goebbels nodig had om de Duitse jeugd met zijn propaganda te bereiken. Hij liet er geen gras over groeien. Al snel na de machtsovername sloegen zijn kersverse propagandaministerie en de Duitse tabaksindustrie de handen ineen en voegden aan het arsenaal onderwerpen een nieuw genre toe: het politieke sigarettenplaatjesalbum. De firma Reemtsma liep daarbij voorop. Het werd al snel een ongeëvenaard succes. Veel van de albums behaalden zelfs een oplage van meer dan een miljoen stuks, maar ook van minder succesvolle titels verschenen moeiteloos honderdduizenden exemplaren. De verzamelalbums en de plaatjes droegen zo nadrukkelijk bij aan het collectieve geheugen van de Duitse ‘volksgemeenschap’.

Een pagina uit 'Deutschland erwacht!'Een pagina uit ‘Deutschland erwacht!’Een van de bestsellers die bij de Cigaretten-Bilderdienst Hamburg-Bahrenfeld verscheen, was Deutschland erwacht! Werden, Kampf und Sieg der NSDAP (1933). De tekst was van Wilfrid Bade, aangevuld met stukken van Hitlers adjudant Julius Schaub, rijksjeugdleider Baldur von Schirach en perschef Otto Dietrich. Tekeningen en bandontwerp kwamen van SS-Obersturmführer Felix Albrecht en Hitlers lijffotograaf Heinrich Hoffmann selecteerde de foto’s. Volgens het voorwoord was het boek vooral ter lering bedoeld en moest het de daden van de Nationaalsocialistische Duitse Vrijheidsbeweging tonen, want zonder die geschiedenis waren de Führer en zijn beweging niet echt te begrijpen. Hitlers volksgemeenschap had behoefte aan een nieuwe identiteit en de door de nazi’s herschreven Duitse historie kon die leveren. Op de foto die Hoffmann koos voor het omslag marcheren gehelmde en bepakte SS-mannen met de standaarden van de SA. De spreuk op het doek, ‘Deutschland erwache’, was ontleend aan het gedicht ‘Sturm, Sturm, Sturm’ (‘Wehe dem Volk, das heute noch träumt,/ Deutschland, erwache!’) van Dietrich Eckart, die de eerste nationaalsocialistische dichter werd genoemd en aan wie Hitler het tweede deel van Mein Kampf opdroeg. Eckart werd beschouwd als een ziener, zeker toen zijn oproep met de geboorte van het Derde Rijk werkelijkheid was geworden.

Het album begint met foto’s uit de begintijd van de ‘beweging’, zoals de nationaalsocialisten hun partij graag noemden. Hitler is uiteraard alomtegenwoordig. Verder worden veel marcherende naziformaties met hun vaandels getoond. Aan het eind is een uitklapbare panoramafoto opgenomen van het grootscheepse wijdingsritueel tijdens de laatste dag van de Reichsparteitag des Sieges (1933) in Luitpoldhain. Dit enorme Neurenbergse park was de plek waar de Rijkspartijdagen plaatshadden. Het inwijden van de nazivlaggen, waarbij de bloedvlag van de nazibeweging in contact werd gebracht met de nieuwe vlag of standaard, was een vast ceremonieel onderdeel in het programma. De geschiedenis moest ook wel eens worden bijgesteld. Zo werden de foto’s van SA-chef Ernst Röhm, door Hitler uit weg geruimd tijdens de nacht van de lange messen, in 1934 uiteraard niet meer opgenomen in Deutschland erwacht!

Het is de schone schijn van het Derde Rijk die hier in de etalage staat.

De verspreiding van de propagandaplaatjes via de sigarettenindustrie werkte op twee manieren de integratie van Hitlers beweging in de hand. Ze wonnen de volksgenoten voor de ‘goede zaak’ en bezorgden de firma Reemtsma een nieuw imago. Niet langer werd de tabaksgigant gezien als een volksvijandige ‘grootkapitalist’, maar als een graag geziene supporter van de Nieuwe Orde. Beeld- en tekstregie lagen overigens volledig bij Goebbels’ Reichsministerium für Volksaufklärung und Propaganda. Zo kregen brede lagen van de bevolking voor een gering bedrag een door de propaganda opgepoetst herinneringsalbum in handen.

Was de Führer al nadrukkelijk aanwezig in Deutschland erwacht!, drie jaar later was hij het veelbezongen middelpunt van Adolf Hitler, aus dem Leben des Führers, eveneens door Reemtsma op de markt gebracht.

‘Vandaag kent de wereld hem als schepper van de nationaalsocialistische leer en vormgever van de nationaalsocialistische staat, als baanbreker voor de nieuwe Europese ordening en als wegbereider voor de vrede en welvaart der volkeren’,

Met het album Adolf Hitler, aus dem Leben des Führers kon de jeugd met fraaie foto’s kennisnemen van Duitslands nieuwe leider.Met het album Adolf Hitler, aus dem Leben des Führers kon de jeugd met fraaie foto’s kennisnemen van Duitslands nieuwe leider.…schreef propagandaminister Goebbels in het voorwoord. Nu werd het tijd om de ‘meeslepende en fascinerende verschijning van de mens Adolf Hitler’ te laten zien. Het Duitse volk, vond Goebbels, kreeg zo de gelegenheid de Führer van dichtbij te zien en hem wat meer persoonlijk te leren kennen. Natuurlijk waren dat de zorgvuldig geselecteerde beelden van een Hitler die onvermoeibaar door Duitsland reisde in auto of vliegtuig, als de man van het volk, als vastbesloten en gedreven redenaar en ontspannen in burgerkleding thuis op de Obersalzberg, tussen zijn arbeiders, als kunstenaar, als architect, op de Autobahnen, als bevelhebber van het leger, tussen zijn jeugdige aanhangers en als leider van de nationaalsocialistische beweging. Hitler had vele gezichten, die in dit officiële sigarettenplaatjesalbum zorgvuldig werden opgenomen van ‘grootse eenvoud tot eenvoudige grootheid’.

Een eenvoudige volksgenoot

Een frappant voorbeeld van hoe gewiekst de samenstellers te werk gingen, staat linksonder op pagina 39 van het verzamelalbum. Volgens het onderschrift overhandigt een Pimpf 1 zijn Führer een brief van zijn zieke moeder. Hitler kijkt bezorgd naar de knaap en legt zijn linkerhand troostend op diens schouder. De tekst voert de emotie nog eens op. Met de foto geeft de propaganda het signaal af dat de Führer zich niet ver boven het volk verheft, maar er midden tussen staat en ook voor de eenvoudige volksgenoot benaderbaar is. De Führer is een van ons en voor de kleine Pimpf is Hitler zijn ‘kameraad’, die hem in nood kan helpen. De grote wereld helpt hier de kleine wereld.

Cover uit 'Kampf um’s Dritte Reich'. De meeste politiek getinte sigarettenplaatjesalbums verschenen kort na Hitlers machtsovername. Fabrikant Reemtsma leverde voor dit album ingekleurde plaatjes.Cover uit ‘Kampf um’s Dritte Reich’. De meeste politiek getinte sigarettenplaatjesalbums verschenen kort na Hitlers machtsovername. Fabrikant Reemtsma leverde voor dit album ingekleurde plaatjes.Het is een harmonieuze volksgemeenschap die in dit verzamelalbum wordt getoond. Er zijn geen spanningen, geen geweld, geen klassenverschillen, geen religieuze, politieke of sociale conflicten. Het is de schone schijn van het Derde Rijk die hier in de etalage staat.

Tussen beide plaatjesalbums gaf Reemtsma nog twee albums uit. In 1933 Kampf um’s Dritte Reich. Eine historische Bilderfolge en een jaar later Der Staat der Arbeit und des Friedens. Ein Jahr Regierung Adolf Hitler. De meeste van Hoffmanns foto’s werden voor deze uitgaven ingekleurd. Voor de tekst was Leopold von Schenkendorf, een SA-Sturmführer uit Berlijn verantwoordelijk.

Maar ook andere sigarettenfirma’s profiteerden van de gunstige omstandigheden. De Orientalischen Cigaretten-Compagnie ‘Rosma’ uit Bremen publiceerde in 1934 Männer im Dritten Reich, een biografisch lexicon van de mannen die op dat moment in het Derde Rijk de dienst uitmaakten. In totaal bevatte het album 250 goudomrande, gekleurde portretten. Zigarettenfabrik Kosmos uit Dresden gaf onder de titel Bild-Dokumente unserer Zeit twee verzamelalbums uit, waarvan het tweede speciaal aan de Duitse jeugd was gewijd. Das deutsche Heer im Manöver van de Cigaretten-Bilderdienst Dresden verscheen in 1936, een jaar nadat de Führer de Wehrmacht had opgericht. Het liet vooral zien hoe geweldig het Duitse leger was gemoderniseerd onder Hitlers leiding. Dit verzamelalbum probeerde dat niet via foto’s over te brengen, maar door aquarellen van kunstschilder Erich R. Döbrich, die zich in zijn carrière voornamelijk toelegde op militaire motieven.

Een nieuwe serie!

Hitlers jongste hoop - Gerard GroeneveldHitlers jongste hoop – Gerard GroeneveldDe populariteit van de albumplaatjes drong zelfs door in de Fibel2Zu Hause und in Rheinhof. In de passage ‘Pauls Serienalbum’ roept het jongetje Paul opgewonden:

‘Moeder, ik heb een nieuwe serie, alleen met plaatjes van de Führer, als hij in een vliegtuig vliegt, als hij SA-mannen begroet, als hij een redevoering houdt, hoe een klein meisje hem een bos bloemen geeft, als hij een nieuw vaandel inwijdt en als hij zich in een tuin ophoudt of bij zijn honden. Dit is mijn beste serie.’

~ Gerard Groeneveld
Tekst en beeld

Boek: Hitlers jongste hoop – Nazipropaganda voor de jeugd

Bestel dit boek bij:

Hitlers jongste hoop – Nazipropaganda voor de jeugd wordt donderdag 28 maart gepresenteerd in het Onderwijsmuseum in Dordrecht. Het eerste exemplaar wordt overhandigd aan historicus en publicist Chris van der Heijden.

Noten

1 – Jongste lid van de nazi-jeugdbeweging
2 – Leesboek voor schoolkinderen

Bron

De positivistische misvatting

Wat weten we over de hierboven afgebeelde “dame van Simpelveld”? Je kunt het opsommen. Ze woonde in de buurt van het Zuid-Limburgse Simpelveld, want daar is de sarcofaag gevonden. Ze droeg sieraden, want die zijn in de grafkist aangetroffen. Ze werd gecremeerd, want haar stoffelijke resten lagen daar eveneens in. Dit zijn de harde feiten.

Auguste ComteAuguste Comte

Harde feiten: dat was wat de Franse filosoof Auguste Comte aan het begin van de negentiende eeuw centraal wilde stellen in de menswetenschappen. Die harde feiten moesten dan worden verbonden in de wetmatige verbanden. Hij noemde deze aanpak “positivisme” en zo is het gekomen dat het wetmatige verklaringsmodel waarover ik vorige week schreef wordt aangeduid als “positivistisch”. Ook de nadruk op waarneembare feiten wordt aangeduid met deze uitdrukking. Wat ik opsomde in de eerste alinea zijn dan de positieve feiten over de dame van Simpelveld.

Het lijkt op het eerste gezicht verstandig vooral te kijken naar de concrete feiten, maar er zitten diverse addertjes onder het gras. Eén daarvan is dat niemand van ons ooit een oudhistorisch feit heeft gezien. Het moet worden gededuceerd uit de “neerslag”: de bronnen die erover zijn geschreven, de vondsten, eventueel de wél waarneembare gevolgen. Een feit is dus een reconstructie, wat niet wil zeggen dat je er niet op mag vertrouwen dat, pakweg, Cheops een piramide heeft laten bouwen en dat de Atheners de Perzen hebben verslagen bij Marathon.

Speculeren

Een tweede probleem is dat er meer feiten zijn geweest dan we kunnen reconstrueren. Als ik Romes Germaanse Oorlogen reconstrueer, beschik ik over enkele bronnen: Cassius Dio beschrijft de campagnes van 12, 11, 10 en 9 v.Chr., Velleius Paterculus die van 5, 6 en 10 n.Chr., en Tacitus vermeldt die van 3 v.Chr. en 14, 15 en 16 n.Chr. Pak een willekeurige historische atlas en u ziet die campagnes ook keurig afgebeeld. Lees een boek als Bosman & Lenderings De rand van het Rijk en u leest wat er in de bronnen staat, met een commentaartje erbij. Het probleem is dat er méér moet zijn gebeurd en dat we het niet weten. De fout die Bosman en ik maakten is dat we ons beperkten tot dat wat we (vrij) zeker wisten. Dat staat, met een woord van de Britse archeoloog Anthony Snodgrass, bekend als de positivistische misvatting.

Je zou minimaal ook moeten speculeren over wat niet is overgeleverd: de known unknowns. Een deel daarvan is verantwoord. Ik durf wel voor mijn rekening te nemen dat de nabestaanden van de dame van Simpelveld rijk zijn geweest, want anders kon je zo’n unieke sarcofaag niet laten maken. Ze zal ook wel in een groot landhuis hebben gewoond, waar knechten en slaven het werk deden. Haar kleren zullen niet goedkoop zijn geweest. Afgaande op de normale demografische gegevens zal ze rond haar vijftiende zijn getrouwd met een man van vijfentwintig en had ze zes kinderen, waarvan er drie moeten zijn overleden voor hun moeder.

Deze speculaties zijn verantwoord omdat we de dame van Simpelveld kunnen vergelijken met mensen uit haar eigen tijd en haar eigen omgeving. We hebben echter meer vragen. Een simpel voorbeeld: kon deze vrouw beschikken over haar eigen bezittingen? Nu wordt het lastiger. Wat we denken te weten van het Romeinse Recht is gebaseerd op het Corpus Juris, een verzameling die in de zesde eeuw is aangelegd in het vroege Byzantijnse Rijk. De juristen baseerden zich op een oudere collectie, die was samengesteld in Beiroet, nutrix legum. Die was weer gebaseerd op het recht zoals het in de vroege derde eeuw had gegolden in Italië.

Je kunt zeggen dat het Corpus Juris relevant is voor de Lage Landen omdat het beter is dan niets. Je kunt ook een vergelijking maken: deze tekst benutten voor de dame van Simpelveld is zoiets als uitspraken doen over de juridische status van pakweg Judith Leyster aan de hand van een in 1870 gemaakte samenvatting van het Italiaanse privaatrecht uit de vroege achttiende eeuw. Of om een ander voorbeeld te geven: het is zoiets als een film maken over de Friese vorst Radboud en de lacunes in je kennis te vullen met Vikingsaga’s en Griekse mythen over Amazones. Ik zou geneigd zijn dit niet te beschouwen als speculatie maar als flauwekul.

~ Jona Lendering

Jona Lendering is historicus, webmaster van Livius.org en docent bij Livius Onderwijs. Hij publiceerde verschillende boeken. Zie ook zijn blog: mainzerbeobachter.com

Bron

Nieuwe geschiedenisboeken, verschenen en besproken in week 13 (2019)

Wekelijks verschijnen er nieuwe geschiedenisboeken. Van lijvige studies tot publieksboeken en van naslagwerken tot historische strips. Op Historiek plaatsen we veel voorpublicaties en we bespreken zoveel mogelijk titels, maar alles bespreken is ondoenlijk. Daarom hebben we de rubriek ‘signalementen’. Hier plaatsen we wekelijks een bericht met daarin recent verschenen en besproken titels.

| Signalementen week 14 >>>

Hitlers jongste hoop - Gerard GroeneveldHitlers jongste hoop. Nazipropaganda voor de jeugd

In Hitlers Duitsland werd geen propagandamiddel onbeproefd gelaten om de geestdrift onder de jeugd op te stoken. De continuïteit van het Derde Rijk hing immers van hen af. Die propaganda was succesvol: veel jongeren bleven tot het bittere einde geloven in de heilstaat die de Fu?hrer hun jarenlang had voorgehouden. Zelfs als dat ten koste van hun eigen leven ging.
Voorpublicatie: Nazipropaganda voor de jeugd
Meer informatie / bestellen

Wahibre-em-achet en andere Grieken - Landverhuizers in de OudheidWahibre-em-achet en andere Grieken – Jona Lendering

Historicus Jona Lendering vertelt in ‘Wahibre-em-achet en andere Grieken’, het Themaboekje van de Week van Klassieken 2019, over de tienduizenden migranten in de Oudheid. De Griek Wahibre-em-achet was er daar één van. Als de inscriptie van zijn sarcofaag in het RMO in Leiden niet de namen had vermeld van zijn ouders, Alexikles en Zenodota, zou niets ons hebben doen vermoeden dat hij van Griekse afkomst was. Op hun reizen namen de migranten nieuwe ideeën mee, maar gevaarlijke ziektes werden ook via de reizende massa verspreid.
Fragment: De Oudheid, waarom?
Meer informatie / bestellen

Napoleon Inspiratie voor hedendaags management en leidinggevenNapoleon. Inspiratie voor hedendaags management en …

Zakelijk management is nauw verwant aan politiek en militair leidinggeven. Succes is het resultaat van een sterke strategie, constante evaluatie en de juiste antwoorden hierop: dit vat Napoleon Bonaparte perfect samen. Bovendien is hij voor hedendaagse leiders extra interessant omdat hij op zoveel gebieden actief is geweest: HR, marketing, financieel beleid, operationele leiding, … Napoleon-kenner en communicatieconsultant Johan Op de Beeck vertelt hoe de weergaloze successen – en ook de fouten – van Napoleon meer dan tweehonderd jaar later managers kunnen inspireren.
Bespreking: Managementlessen van Napoleon Bonaparte
Meer informatie (+ video) / bestellen

Provinciale politiekProvinciale politiek. De provincies democratisch getoetst

Maakt het iets uit op welke partij je stemt bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten? Kunnen provinciebesturen wel uitvoering geven aan de wensen van kiezers? Dat zijn cruciale vragen voor wie de democratische kwaliteit van de provincies wil bepalen. Opmerkelijk genoeg is hierover tot nu toe nauwelijks gepubliceerd. Als provincies al aandacht krijgen, dan is het bijvoorbeeld vanwege de vraag of de provinciale bestuurslaag nog moet blijven bestaan tussen gemeenten en Rijk.
Fragment: Een historische schets van het provinciaal bestuur
Bespreking: Blik op een vrijwel onbekende bestuurslaag
Meer informatie / bestellen

Marie AntoinetteMarie Antoinette. Portret van een middelmatige vrouw

Marie Antoinette (1755-1793) was de jongste dochter van keizer Frans I Stefanus en keizerin Maria Theresia van Oostenrijk. Op 19 april 1770, op 14-jarige leeftijd, trouwt ze met de Franse dauphin (kroonprins), Lodewijk XVI Augustus. Stefan Zweig beschrijft wat er gebeurt in de koninklijke slaapkamer, aan het hof en in de extravagante wereld van het lustpaviljoen Trianon. Daarnaast vertelt hij nauwgezet van de gepassioneerde liefde tussen Marie Antoinette en de Zweedse graaf Hans Axel von Fersen, de revolutie, de ontsnapping naar Varennes, de gevangenis in de Conciergerie en Marie Antoinettes tragisch einde onder de guillotine.
Meer informatie / bestellen

De kinderen van PimDe kinderen van Pim – Joost Vullings

Na de moord op Pim Fortuyn in 2002 verloor de lpf, de politieke partij die begin deze eeuw hard op weg was de grootste van Nederland te worden, niet alleen haar naamgever maar ook haar grote blikvanger. Plots stonden alle camera’s gericht op zijn politieke nazaten, zesentwintig lpf-Kamerleden die elkaar nauwelijks kenden. Verweesd, onervaren maar vol bravoure besloten ze het avontuur aan te gaan en mee te gaan regeren. Het bleek het startpunt van een turbulente politieke soap waar hoogoplopende onderlinge ruzies uiteindelijk leidden tot de ondergang van de partij.
Meer informatie / bestellen

Blijf hun namen noemenBlijf hun namen noemen – Simon Stranger

Een ontluisterende familiegeschiedenis in de Tweede Wereldoorlog
Het is 1941. Een doodgewone woning in Trondheim, Noorwegen, wordt in beslag genomen door de nazi’s en omgedoopt tot hoofdkwartier van de gehate Gestapo-agent Henry Oliver Rinnan. Het huis wordt bezet door de Rinnan gang, die in de kelder honderden gevangenen op gruwelijke wijze verhoort, martelt en vermoordt. Vijf jaar na de oorlog, krijgt het huis nieuwe bewoners: een jong, Joods stel met hun kinderen, die opgroeien in dezelfde kamers waarin slechts enkele jaren daarvoor nog gruwelijke taferelen plaatsvonden.
Meer informatie (+ video) / bestellen

RSC Anderlecht: 110 jaar voetbaltraditieRSC Anderlecht: 110 jaar voetbaltraditie

RSC Anderlecht is een begrip in het Belgische en Europese voetbal. De club heeft sinds de stichting in 1908 inderdaad een rijke geschiedenis opgebouwd: ze won tot nog toe 34 landstitels, negen Bekers van België en drie Europese Bekers. En ze leverde tal van spelers af van vaak internationale klasse. Dit boek brengt een up-to-date en geschiedkundig goed onderbouwd overzicht in negen chronologische delen van de clubgeschiedenis, nu in 2018 de club 110 jaar bestaat. Aan de belangrijkste spelers en bestuursleden zijn aparte kaderteksten gewijd.
Meer informatie / bestellen

 Eer tegen eerEer tegen eer – Rolf Hage

Een cultuurhistorische studie van schaking tijdens de Republiek, 1580-1795
De bekendste schaking tijdens de Republiek was die van Catharina van Orliens in 1664. Zij werd 17 maart ’s avonds op hardhandige wijze uit het huis van haar familie in Den Haag ontvoerd door Johan Diederik de Mortaigne. Deze geruchtmakende zaak is een van de 200 casussen uit de periode 1580-1795 die Rolf Hage verzamelde. Tot nu toe onderscheiden historici en juristen schaking in gewelddadige ontvoering en ‘doorgaan’, waarbij de jonge vrouw aan het vertrek meewerkte.
Meer informatie (+ video) / bestellen

Voorbij het geheugen Een familiegeschiedenisVoorbij het geheugen. Een familiegeschiedenis

Wanneer Maria Stepanova op zoek gaat naar de geschiedenis van haar joods-Russische familie stuit ze op dokters, architecten, bibliothecarissen, accountants en ingenieurs die voorbestemd waren om slachtoffer te worden van vervolging en onderdrukking. Gek genoeg overleefde iedereen de verschrikkingen van de twintigste eeuw. Stepanova’s voorouders waren stuk voor stuk onopvallende figuren die in een roerige tijd probeerden een onspectaculair leven te leiden. De zoektocht naar haar familiegeschiedenis zet Stepanova aan het denken. Wie of wat getuigt van mensen en dingen die verdwijnen? Zijn herinneringen aan het verleden eigenlijk wel te bewaren?
Meer informatie / bestellen

Meer geschiedenisboeken:

  • Koopmanszoon Michiel Heusch op Italiëreis – Marijke van der Wal
  • De republiek der vrije geesten – Peter Neumann (+ video)
  • Vergeten verzetshelden. Een onderzoek naar het onderduikershol Anloo
  • ‘Neu Turkestan’ en ‘Handschar’ aan het front – Islamitische soldaten uit de Kaukasus …
  • De aardappelcentrale. Een monumentenman op oorlogspad – Atte Jongstra (+ video)
  • Alberto Giacometti. Een modern avontuur – Sébastien Delot

| Signalementen week 14 >>>

Bron

Ruim honderd Romeinse munten gevonden in beekdal Brabantse Aa

Twee broers hebben in de winter van 2017 ruim honderd Romeinse munten gevonden in het dal van de Brabantse Aa. Dat meldt de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) dat in oktober onderzoek heeft gedaan naar de bijzondere vondst.

Denarii, sestertii en assen

Gebroeders van Schaik in actie. Foto: RCE.Gebroeders van Schaik in actie. Foto: RCE.Wim en Nico van Schaijk vonden de munten in de winter van 2017 op enkele meters afstand van de Aa ter hoogte van Berlicum (gemeente Sint-Michielsgestel). Ze lagen in een zone van 50 bij 50 meter op een locatie waar de bovengrond was afgegraven voor een natuurontwikkelingsproject van waterschap Aa en Maas, ook wel het Dynamisch beekdal de Aa genoemd. Het gaat om vier zilveren denarii en 103 voornamelijk bronzen sestertii en assen.

Voorlopig onderzoek door Dr. Liesbeth Claes (Universiteit Leiden) wijst uit dat de munten geslagen zijn vanaf de regeerperiode van keizer Vespasianus (69 na Chr.) tot aan keizer Marcus Aurelius (180 na Chr.). Daarnaast is er één Republikeinse munt van de muntmeester Calpurnius (90 vr. Chr.) gevonden. Opvallend detail is dat een groot deel van de munten met een dikke korst ijzer bedekt was. Ze zijn afkomstig uit een zandlaag met zeer veel natuurlijke brokken ijzer. Dit wijst er volgens de onderzoekers op dat ze oorspronkelijk in een relatief nat gebied lagen.

Proefsleuf

In oktober heeft de Rijksdienst een proefsleuf gegraven om meer inzicht te krijgen in de oorspronkelijke context van de munten. Belangrijke vragen waar het onderzoek antwoord op moet geven zijn: waar en wanneer de munten precies zijn begraven en vooral waarom. De broers van Schaijk hebben met de metaaldetector geassisteerd en nog twee munten gevonden. In de sleuf is de insnijding van een oudere, inmiddels dichtgeraakte, beekbedding vastgesteld, waarin Romeins aardewerk is gevonden. Waarschijnlijk was hier in de Romeinse tijd al een beek en mogelijk zelfs een voorde. Een voorde is een doorwaadbare plaats van een beek of rivier.

Door de verspreiding van de munten en de relatief grote tijdsperiode van hun afkomst, lijkt het niet om een eenmalige actie te gaan. Het is waarschijnlijker dat de munten gedurende een langere periode in de nattigheid terecht zijn gekomen. Misschien deed men in de Romeinse tijd voor de oversteek een schietgebedje en offerden ze, zodra de overkant veilig bereikt was, een muntje als dank? Maar andere verklaringen zoals verlies of geloof in de goddelijke kracht van de beek worden ook niet uitgesloten.

Voorspellingen

De komende maanden worden de resultaten van het onderzoek verder uitgewerkt. Daarnaast krijgt waterschap Aa en Maas tips over hoe zij de vindplaats het beste kunnen beheren. Het onderzoek maakt volgens de RCE duidelijk hoe belangrijk het is dat vondsten door vrijwilligers en particulieren gemeld worden bij Portible Antiquities of the Netherlands (PAN). Dat is een samenwerkingsproject van de Vrije Universiteit met onder meer de Rijksdienst en NUMIS.

Overzicht van boeken over het Romeinse Rijk

Bron

Een filosofische geschiedenis van de inhaligheid

Een van de grootste menselijke hartstochten is hebzucht. De laatste jaren staat deze menselijke eigenschap volop in de belangstelling. Zo doken de media bovenop de hebzucht in de bankenwereld na de financiële crisis van 2008.

Verbeelding van de hebzucht - Gravure van Jacob Matham, ca. 1587Verbeelding van de hebzucht – Gravure van Jacob Matham, ca. 1587Hebzucht is niet alleen beperkt tot de bankenwereld, zo stelt filosoof Jeroen Linssen in zijn recent verschenen boek Hebzucht. Een filosofische geschiedenis van de inhaligheid (VanTilt, 2019). Linssen, geboren in 1960, is als universitair hoofddocent sociale en politieke filosofie verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Eerder schreef hij onder meer een boek over het gedachtegoed van de geschiedfilosoof Michel Foucault, getiteld Het andere van het heden denken. Filosofie als actualiteitenanalyse bij Michel Foucault (2005).

Een historisch-filosofische speurtocht vanaf de Middeleeuwen tot nu

Sinds midden jaren 1980 doet in de westerse wereld niet alleen de bancaire sector, maar ook de gewone burger volop mee aan de graaicultuur door boven zijn stand te leven. Geld lenen, hoge hypotheken afsluiten: het kan niet op. Waar komt deze hebzucht vandaan? Is hebzucht per definitie slecht, of zitten er ook nuttige aspecten aan deze eigenschap? Geschiedenis en filosofie kunnen helpen om op deze vragen een antwoord te geven en het fenomeen hebzucht in historisch perspectief te plaatsen, aldus Linssen:

“Met een aanleiding in de actualiteit is dit boek dus voornamelijk een historisch-filosofische speurtocht. Ik ga op zoek naar de intellectuele en vooral de filosofische opvattingen over de hebzucht vanaf de elfde eeuw tot nu. Het gaat dus niet over al die lieden die in de voorbije tien eeuwen hun hebzucht hebben botgevierd. Het gaat niet om de geschiedenis van ‘het grote graaien’ zelf. (…) Het is een geschiedenis van het filosofisch denken over hebzucht. Grofweg kan men zeggen dat de filosofische reflecties zich in twee richtingen bewogen. Aan de ene kant probeerde men de hebzucht op religieuze, morele of politieke gronden in te dammen, terwijl men anderzijds, veelal op basis van economische redenen, poogde aan de hebzucht meer ruimte te geven.” (10)

Linssen begint zijn boek in de elfde eeuw, toen de economie in Europa na eeuwenlange neergang weer begon op te krabbelen en de steden opkwamen. Vanaf deze tijd namen handel en bedrijvigheid sterk toe.

Vanaf toen begonnen er ook polemieken over hebzucht. ‘De nieuwe commercie viel slecht bij de middeleeuwse christenheid’, zo stelt Linssen. Theologen als Gregorius de Grote en later Maarten Luther beriepen zich op de Bijbel om hun punt te maken: ‘Jullie kunnen niet God dienen en de Mammon’ (Mattheüs 6:24) en op de notie dat het voor rijken moeilijk is om in de hemel te komen (Lucas 18:24-25).

Maar ook baseerden schrijvers zich op Plato en Aristoteles, die beiden beweerden dat rijkdom geen doel op zich mag zijn. Goederen en geld waren volgens deze Griekse filosofen geen doel op zich, maar middelen om te kunnen leven.

Interessant is de constatering van Linssen dat diverse intellectuelen in de middeleeuwen een verschuiving hebben opgemerkt in kritische aandacht voor de zeven hoofdzonden die in de zesde eeuw door Gregorius de Grote waren benoemd. De kritiek verschoof van hoogmoed (superbia) als grootst mogelijke zonde, naar kritiek op averitia (hebzucht) als grootste der zeven hoofdzonden. Onder meer Johan Huizinga in Herfsttij der Middeleeuwen (1919) en in zijn kielzog historicus Jacques le Goff viel dit op.

Strijd tussen de geldzakken en de geldkisten, Pieter van der Heyden (Publiek Domein - wiki)Strijd tussen de geldzakken en de geldkisten, Pieter van der Heyden (Publiek Domein – wiki)

Adam Smith: interactie tussen hebzucht en hoogmoed

De ‘vader van het liberalisme’ Adam Smith, wiens gedachtegoed over hebzucht in hoofdstuk vier aan bod komt en bepalend was voor het economisch denken in de tijd van de Verlichting (de achttiende eeuw), was er juist een balans tussen het menselijk streven naar hebzucht en menselijke hoogmoed.

In Smiths optiek waren mensen hebzuchtig en streefden ze naar rijkdom om daarmee meer aanzien te krijgen. Hebzucht uit eigenbelang. In deze opvatting is er dus sprake van een wisselwerking tussen hoogmoedig gedrag en de jacht naar meer rijkdom.

Maar bij Smith is dit eigenbelang niet verkeerd. Hij begreep dat mensen een afkeer hadden van hoogmoed en ijdelheid, maar hij beklemtoonde ook de positieve aspecten van eigenbelang en hebzucht:

“Hoe zelfzuchtig de mens ook wordt geacht te zijn, er zijn onweerlegbaar enige principes in zijn natuur die hem belangstelling geven voor de voorspoed van anderen, en hun geluk ook voor hem noodzakelijk doen zijn, ook al ontleent hij daar verder niets aan behalve het genot het te mogen aanzien.” (206)

Hebzucht - Een filosofische geschiedenisHebzucht – Een filosofische geschiedenisHebzucht keurde Smith wel af, maar hij beschouwde deze negatieve variant als de hebzucht die tegen het vrijmarktdenken inging. Eigenbelang keurde hij goed, omdat dit principe economische schade en verlies kan voorkomen.

Slot

Linssen heeft een boeiend en leerzaam boek geschreven, waarin hij het morele, filosofische en politieke denken over hebzucht en eigenbelang goed in kaart brengt. We maken in het boek kennis met alle grote denker op dit gebied. Naast de al genoemde filosofen, theologen en schrijvers, komen tal van anderen aan bod. Het gedachtegoed van Johannes Calvijn, Thomas More (bekend van het boek Utopia), Bernard Mandeville, David Hume of Thomas Hobbes: Linssen blijkt van alle (economische) markten thuis te zijn. Dit boek is dan ook een aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in filosofie en economie.

~ Enne Koops

Boek: Jeroen Linssen – Hebzucht. Een filosofische geschiedenis van de inhaligheid (2019)

Bestel dit boek bij:

Bron

Resten 2000 jaar oude waterput gevonden bij onderzoek Ring Utrecht

Archeologen hebben naast de snelweg A27 bij Houten recent verschillende archeologische vondsten gedaan. Het gaat onder meer om potscherven, Romeinse mantelspelden, munten, een medaillon en een schoenzool. Het meest bijzondere is de vondst van een oude waterput uit de late IJzertijd met daarin een aantal houten planken. Dat meldt Rijkswaterstaat.

De opgraving vond plaats naar aanleiding van de aanpassing van de A27/A12 Ring Utrecht. De gevonden put is zorgvuldig uitgegraven en de planken zijn voorzichtig vervoerd naar het conserveringsatelier van de archeologen. Daar wordt de vondst onderzocht en worden de best geconserveerde planken bewaard voor de toekomst. Een exact jaartal aan het hout en de waterput geven is op dit moment nog niet mogelijk. Archeologen denken dat ze uit de tweede eeuw na Christus dateren.

Mogelijk maakt de Romeinse waterput nog onderdeel uit van de inheems-Romeinse nederzetting ‘Houten-Doornkade’, die in de jaren negentig aan de oostzijde van de A27 is opgegraven.

  • Utrecht
  • Waterputten

Bron

Pieter de Kempeneer (1503- ca.1580)

Pieter de Kempeneer werd in het begin van de zestiende eeuw te Brussel geboren in een kunstminnende familie van tapijtwevers. Als schilder was hij voornamelijk werkzaam in Italië en Spanje waar hij met zijn overwegend religieus geïnspireerde schilderstukken grote faam verwierf onder de naam Pedro de Campagῆa. Een kennismaking met een man die in zijn kunstwerken op meesterlijke wijze religie en geloof een plaats wist te geven binnen de toen heersende tijdsgeest.

Jeugdjaren en opleiding

Kruisiging - Pieter de Kempeneer, Louvre (Publiek Domein - wiki)Kruisiging – Pieter de Kempeneer, Louvre (Publiek Domein – wiki)Pieter’s talent voor de schilderkunst kwam al vroeg tot uiting en onder impuls van zijn vader ging hij al op jeugdige leeftijd in de leer bij Barend van Orley (ca. 1488-1541), één van de meest toonaangevende kunstschilders en ontwerpers van kartons voor wandtapijten uit het Brusselse. Na zijn schildersopleiding bij van Orley reist de Kempeneer naar Italië waar hij kennis maakt met de renaissancestijl van het ‘Cinquecento’. Hij raakt er bevriend met kardinaal Grimani, de zoon van de Doge van Venetië en kunstliefhebber die zijn mecenas en beschermheer wordt. Na de dood van Grimani reist de Kempeneer verder door naar Rome waar hij voor het eerst in aanraking komt met het werk van Rafaël (1483-1520) dat hem in zijn verder oeuvre blijvend zal beïnvloeden.

Verder weten we uit vermeldingen in onder andere het schildershandboek van Francisco Pacheco (1564-1644) en het “Groot Schilderboeck” van de Luikse kunstschilder Gerard de Lairesse (1640-1711) dat hij in 1530 meewerkte aan één van de cartouches op een triomfboog die te Bologna werd opgericht naar aanleiding van Karel V’s keizerskroning door paus Clemens VII. Het is onduidelijk hoelang en waar de Kempeneer daarna nog in Italië verbleef, wel is zeker dat hij zich enige tijd later in het Spaanse Sevilla vestigde en daar zijn naam wijzigde in Pedro de Campaῆa.

De Spaanse periode

De Kempeneer verwierf in Sevilla met zijn religieus getinte schilderstukken die vaak gekenmerkt waren door een expressief kleurenpalet algauw grote naamsbekendheid en richtte er samen met de Spaanse maniëristische kunstschilder Luis de Vargas (1502-1568) een schildersacademie op. Luis de Morales (ca. 1509-1586), bijgenaamd “El Divino” (letterlijk: ‘De godellijke’) omwille van zijn begeestering voor mystieke religieuze schilderwerken, wordt tot één van zijn bekendste leerlingen gerekend.

Verscheidene werken van de Kempeneer uit die periode zijn te bezichtigen in buitenlandse musea zoals onder meer de “Onze-Lieve-Vrouw van de Zeven Smarten” (Musée des Beaux Arts in Besançon), “De graflegging van Christus” (Academia Carrara in het Italiaanse Bergamo), “De bekering van Maria Magdalena” (National Gallery in Londen), “Portret van een vrouw” (Städel Museum Frankfurt am Main), “De kruisiging van Christus” (Musée du Louvre) en “De Zeven Deugden” (Museo Nacional de San Carlos in Mexico-stad).

Kruisafneming - Pieter de Kempeneer, Musée Fabre (Publiek Domein - wiki)Kruisafneming – Pieter de Kempeneer, Musée Fabre (Publiek Domein – wiki)

Zijn meest bekende realisatie, om niet te zeggen zijn ‘magnum opus’, is echter ongetwijfeld het meer dan drie meter hoge altaarstuk dat in een meesterlijk coloriet de kruisafneming van Christus voorstelt en nu in de ‘Sacristia Mayor’ van de kathedraal van Sevilla hangt. Ter parenthesis: in 1882 maakte de bekende beeldhouwer en schilder van historische en religieuze genrestukken, Constantin Meunier (1831-1905), er in opdracht van de Belgische regering een waarheidsgetrouwe copie van voor het Museum van Schone Kunsten van België in Brussel.

Een greep uit zijn verder oeuvre

Sint-Nicolaasretabel, Mezquita van Pieter de Kempeneer (CC BY-SA 3.0 es - Zarateman)Sint-Nicolaasretabel, Mezquita van Pieter de Kempeneer (CC BY-SA 3.0 es – Zarateman)Naast het schilderen op doek was de Kempeneer eveneens actief als retabelschilder. Tot zijn mooiste creaties behoren het Sint-Nicolaasretabel in de Mezquita van Córdoba en een polychroom altaarretabel vervaardigd in samenwerking met Antonio de Alfian (fl. 1539-1587) dat de “De Zuivering van de Heilige Maagd” uitbeeldt en in de “Capilla del Mariscal” van de kathedtaal in Sevilla staat opgesteld.

Laatste levensjaren in Brussel

In het najaar van 1562 keert hij terug naar zijn geboortestad waar hij voor de gerenommeerde tapijtweverij van Frans Ghieteels verschillende kartons schildert voor diens wandtapijten. Hij vervaardigt er onder meer in opdracht van abt François d’Avroult van de Gentse Sint-Pietersabdij de ontwerpen voor een tiendelige tapijtenreeks over het leven van de apostels Petrus en Paulus.

Voor een andere Brusselse tapijtenmanufactuur maakte hij de kartons voor een achtdelige reeks van wandtapijten die de Joodse opstanden verhalen tegen de Romeinse keizers Vespasianus en Titus. De volledige tapijtenreeks is te bekijken in het “Museo degli Arazzi flamminghi” in Marsala.

Aanbidding der Wijzen - Pieter de KempeneerAanbidding der Wijzen – Pieter de KempeneerDe Kempeneer zou tot aan het einde van zijn leven werkzaam blijven in Brussel. Zijn veelzijdig oeuvre maakt dat hij zonder meer kan beschouwd worden als één van de meest getalenteerde en invloedrijkste kunstschilders van zijn tijd.

~ Rudi Schrever
Brusselse stadsgids | Rondleidingen op aanvraag | rudi.schrever@skynet.be

Boekenrubriek: Biografieën van kunstenaars

Bron

Westfriese boeren zorgden in Bronstijd samen voor inrichting landschap

Boeren maakten in de Bronstijd al bewuste keuzes bij de inrichting van hun land en het landschap in West-Friesland, en die keuzes zijn verrassend anders dan gedacht. De mensen woonden in boerendorpjes en vormden een hechte gemeenschap waarin veel werd samengewerkt. Dat concludeert Wouter Roessingh in zijn proefschrift ´Dynamiek in beeld. Onderzoek van Westfriese nederzettingen uit de bronstijd´ dat hij volgende week verdedigt aan de Universiteit Leiden.

In zijn dissertatie worden de onderzoeksgegevens van oude opgravingen samengebracht en de organisatie en de dynamiek van nederzettingen in West-Friesland gedurende de Bronstijd beschreven. Zo ontstaat een beeld van de organisatie van het boeren bestaan destijds.

Het oostelijk deel van West-Friesland was in de Midden- en Late Bronstijd (ca. 1600-800 v.Chr.) een, langdurig bewoond, dichtbevolkt gebied met vele boerendorpjes. Dit in tegenstelling tot wat eerder werd gedacht. Door de uitzonderlijk goede conserveringsomstandigheden in dit voormalig kwelderlandschap is de regio een schatkamer voor overblijfselen uit die tijd. De dorpjes zijn vaak vele generaties lang bewoond en hierdoor is voor archeologen een ‘gestapeld landschap’ bewaard gebleven. In zijn studie ontrafelt Roessingh, archeoloog bij ADC ArcheoProjecten, deze complexe stratigrafie en brengt daarmee een dynamisch cultuurlandschap in kaart.

Inrichting van het landschap

Nieuwe boerderijen werden regelmatig op dezelfde plaats als de voorgangers gebouwd en ook de vele sloten, gegraven om terreinen af te bakenen en het land droog te houden, werden lange tijd onderhouden door samenwerking en afstemming. Dit stabiele landschap wordt op een bepaald moment opgegeven en de functies van terreinen veranderde. Op plaatsen waar eerst boerderijen stonden, werden bijvoorbeeld akkers ingericht. Door de lange bewoningsduur van terreinen en de goede conservering en herkenbaarheid van grondsporen zijn de Westfriese vindplaatsen bij uitstek geschikt om deze dynamiek in beeld te brengen.

~ ADC ArcheoProjecten

De studie: Dynamiek in beeld – Onderzoek van Westfriese nederzettingen uit de bronstijd

Bron

Georgische soldaten in Leusden geïdentificeerd na DNA-match

Door een DNA-match is de identiteit vastgesteld van twee Georgische soldaten op het Sovjet Ereveld in Leusden. Het onderzoek is uitgevoerd door het Nederlands Forensisch Instituut. Het is voor het eerst dat met behulp van DNA onomstotelijk de identiteit van een formeel nog ‘onbekende soldaat’ op het Sovjet Ereveld is vastgesteld.

Pido Tsjoliasjvili (Foto: Stichting Sovjet Ereveld)Pido Tsjoliasjvili (Foto: Stichting Sovjet Ereveld)De Amersfoortse onderzoeker Remco Reiding van de Stichting Sovjet Ereveld over het onderzoek:

“In twee gevallen weten we nu honderd procent zeker wie er in het graf ligt. Het opschrift ‘onbekende soldaat’ kan op hun grafsteen worden vervangen door hun eigen naam.”

Het betreft Pido Tsjoliasjvili en Anton Gviniasjvili. Reiding bezocht namens de stichting deze week Georgië om de twee families persoonlijk het nieuws te kunnen vertellen. In 2016 had Reiding bij mogelijke nabestaanden in Georgië al DNA afgenomen. Reiding bekommert zich al twintig jaar om de 865 soldaten op het Sovjet Ereveld en hun families. Door jarenlang bronnenvergelijk had hij eerder met grote waarschijnlijkheid de namen achterhaald van de vijftien op het Sovjet Ereveld begraven Georgiërs.

De groep was op 20 april 1945 in Beverwijk door de nazi’s gefusilleerd na diefstal van 88 handgranaten. De Georgiërs waren in 1941 aan het Oostfront krijgsgevangen gemaakt door de Duitsers. In 1943 werden ze naar Nederland gebracht om de kust bij Zandvoort en op Texel te verdedigen.

Opening van de graven

Anton Aleksandrovitsj Gviniasjvili (Foto: Stichting Sovjet Ereveld)Anton Aleksandrovitsj Gviniasjvili (Foto: Stichting Sovjet Ereveld)Op Reidings initiatief hebben de betrokken autoriteiten recent ingestemd met het openen van de vijftien graven in Leusden, om DNA van de gevallen Georgische soldaten te kunnen afnemen. De Bergings- en Identificatie Dienst van de Koninklijke Landmacht heeft de klus geklaard. Daartoe moest eerst de aarde boven de houten buiten-kisten worden verwijderd, waarna de zinken binnen-kisten konden worden geopend.

De Georgiërs waren in 1945 nabij hun executieplaats op Fort aan de Sint Aagtendijk begraven. In 1946 waren ze daar geëxhumeerd, in zinken kisten gelegd, en naar Leusden overgebracht. Hierdoor zijn hun stoffelijke overschotten intact gebleven.

De afgelopen jaren is Reiding vaker naar Georgië gereisd om bij mogelijke nabestaanden DNA af te nemen. Het afnemen is voor de nabestaanden een emotionele gebeurtenis. Reiding:

“Families wachten vaak al 75 jaar. Ze willen zo graag weten wat er met hun vader of opa is gebeurd. Door mijn DNA-afname komt het verlossende antwoord wel heel dichtbij. Toch moet ik altijd weer een slag om de arm houden. Het is immers pas een feit bij een honderd procent match.”

Boek: Kind van het ereveld – Remco Reiding

  • DNA
  • Russisch ereveld

Bron

Gevonden: 500 jaar oud skelet met zijn laarzen nog aan

Archeologen hebben in de modder van de rivier de Theems een skelet van ongeveer vijfhonderd jaar oud gevonden. Bijzonder is dat de kniehoge laarzen van de man bewaard zijn gebleven terwijl de rest van de kleding volledig is vergaan.

De ontdekking is gedaan in Bermondsey, in het zuiden van Londen, door archeologen van MOLA Headlind Infrastructure. Het skelet lag met zijn gezicht naar de grond gericht en zijn rechterarm boven het hoofd. Archeologen vermoeden daarom dat de man gevallen is of geduwd werd.

De laarzen van de man (MOLA)De laarzen van de man (MOLA)

Zwaar werk

Gezien het soort laarzen dat bij het skelet zijn gevonden, lijkt het waarschijnlijk dat de man in de haven bij de Theems werkte, mogelijk als dokwerker, zeevaarders of visser. Van zeelieden is bekend dat die in deze periode vaak kniehoge laarzen droegen. Het is niet waarschijnlijk dat de betreffende persoon op de modderige locatie begraven werd met zijn laarzen nog aan. In deze periode was leer namelijk nog zeer waardevol. Na overlijden werden dergelijke laarzen normaal gesproken hergebruikt. Het lijkt daarmee aannemelijker dat de man ter plekke verongelukte, mogelijk tijdens zijn werk.

Uit onderzoek van het skelet blijkt dat de man in de vijftiende of zestiende eeuw moet hebben geleefd en dat hij ongeveer vijfendertig jaar oud werd. Sporen in zijn ruggengraat en heupgewricht wijzen erop dat de man zwaar lichamelijk werk deed.

Boek: Dit is Londen – Leven en dood in een wereldstad

  • Londen

Bron

Arthur Briët (1867-1939) – ‘Rembrandt van de Veluwe’

Bij het Noord-Veluws Museum in Nunspeet noemen ze hem de ‘Rembrandt van de Veluwe’: Arthur Briët. Een kunstenaar die vooral naam maakte in het binnenhuisgenre. Het museum toont momenteel ruim honderd werken van de kunstenaar. Van intieme interieurstukken tot landschappen en van portretten tot sfeerbeelden uit voormalig Nederlands-Indië.

Meisje met lauwerkrans, 1889 - Arthur Briët (Collectie Wiegman)Meisje met lauwerkrans, 1889 – Arthur Briët (Collectie Wiegman)Arthur Briët werd op 25 januari 1867 op Java geboren, als zoon van predikant Paul Fredrik Willem Briët. De predikant overleed een jaar na de geboorte van zijn zoon. Moeder Susanna keerde hierna met de jonge Arthur terug naar Nederland, waar ze zich vestigde in Utrecht en hertrouwde.

Al op jonge leeftijd werd duidelijk dat Arthur Briët goed kon tekenen. Met zijn vriend Théodore van Lelyveld volgde hij lessen model tekenen en in zijn hbs-tijd illustreerde hij een dichtbundel van A.C.W. Staring. Die bundel is in Nunspeet te zien. Met een vriend richtte Briët in deze tijd verder een humoristisch tijdschriftje op waarvoor hij vanzelfsprekend ook veel illustraties maakte.

Kunstacademie

In 1884 meldde Briët zich bij de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen, waar hij onder meer werd onderwezen door Alexandre Struys en Charles Verlat. Kort tijd studeerde hij in Antwerpen ook samen met Vincent van Gogh. De twee woonden dicht bij elkaar en kenden elkaar goed. Briët was echter niet erg gecharmeerd van de stijl Van Gogh’s schilderstijl. Daarin stond hij niet alleen. Van Gogh stierf als een vrij onbekend man en kreeg pas na zijn dood erkenning van het grote publiek. Briët was bij leven al zeer succesvol. Hij exposeerde in Engeland, Sint-Petersburg, Amsterdam en Rome en was ook geliefd in Amerika.

Straatveegster in Antwerpen - Arthur Briët (Foto Historiek)Straatveegster in Antwerpen – Arthur Briët (Foto Historiek)In Antwerpen zocht Arthur Briët zijn modellen graag op straat. Zijn schilderij van een Antwerpse straatveegster wordt beschouwd als een sleutelstuk in zijn oeuvre. Het Noord-Veluws Museum:

“Dit vanwege de aandacht voor het authentieke simpele leven. Zo anders dan geleerd op de Academie, maar wel in lijn met de aanhangers van Barbizon die vernieuwing in de kunst brachten.”

Na zijn vierjarige studie verliet de jonge kunstenaar Antwerpen met een Prix d’Excellence op zak voor een grand tour, waarbij hij onder meer Parijs, Rome, Florence, Venetië en Duitsland aandeed. Vervolgens bezocht Briët ook België. Kunstenaar Alexander Struys inspireerde hem daar om om zich te gaan toeleggen op het schilderen van de binnenhuizen van de minder welgestelden.

Nunspeet

Briët vestigde zich na zijn reizen in Brabant, waar hij zijn vrouw Johanna Sophia Antonia Vorsterman van Oijen leerde kennen. Hierna verkaste hij naar Nunspeet. Deze Veluwse plaats was in die tijd geliefd bij meer kunstenaars. Nunspeet stond bekend als een echte kunstenaarskolonie, een negentiende-eeuws verschijnsel dat zich vanuit Barbizon bij Parijs over heel Europa verspreidde. Deze kunstenaarsoorden speelden een grote rol in de toenmalige avant-garde van realisten en impressionisten. De kunstenaars verzetten zich tegen de ouderwetse historieschilderkunst en streefden naar de weergave van het ‘natuurlijke’ licht. In Nunspeet en Elspeet vormde zich ook een kunstenaarsgroep. Tussen 1890 en 1950 werkten er zo’n tweehonderd beeldende kunstenaars in deze regio.

Arthur Briët zou tot zijn dood in 1939 in Nunspeet wonen, aan de rand van de Zoom. Kenners beschouwen hem tegenwoordig als een van de meest vooraanstaande representanten van het kunstenaarsdorp.

Meisje met geit in graanveld - Arthur Briët (Collectie Westfries Museum)Meisje met geit in graanveld – Arthur Briët (Collectie Westfries Museum)

‘Het binnenuis’

In Nunspeet legde Briët zich met name toe op het vastleggen van ‘het binnenshuis’. Het Noord-Veluws Museum:

“De leefwereld van de arme mensen aan de rand van het dorp, de Zoom, is in die tijd aan het verdwijnen door de opkomende industrialisatie en ontginning. Een proeve van die bijna verloren tijd wil de gegoede burger wel aan de muur hangen.”

Schildershut van Arthur Briët in Nunspeet (via Noord-Veluws Museum)Schildershut van Arthur Briët in Nunspeet (via Noord-Veluws Museum)

Briët maakte al snel naam als meester in dit genre.

“Hij behandelt het interieur en de figuur met evenveel aandacht. Een vrouw doet een karweitje, een kind kijkt toe, een kip scharrelt rond: het zijn alledaagse kalme tafereeltjes die een staat van ‘zijn’ tonen waaraan de hedendaagse mens zich kan spiegelen.”

De kunstenaar woonde zelf aan de rand van de Zoom. Om zelf de regie te houden over de opstelling voor een schilderij richtte Briët een ‘schildershut’ op in zijn tuin, een replica van zo’n boerenvertrek. Later kocht hij zo’n huisje en verplaatste het naar zijn tuin.

In Nunspeet zijn niet alleen ‘binnenhuizen’ maar ook verschillende Veluwse landschappen te zien. Zoals meer kunstenaars uit de omgeving schilderde hij die deels ‘en plein air’. In de buitenlucht dus. Met zijn werk Gezicht op Elspeet in de sneeuw won hij in 1901 een kunstmedaille in Berlijn.

Gezicht op Elspeet in de sneeuw - Arthur Briët (Foto Historiek)Gezicht op Elspeet in de sneeuw – Arthur Briët (Foto Historiek)

Indië

Bijzonder in de tentoonstelling zijn ook verschillende werken die Briët in Nederlands-Indië maakte. Hij reisde in 1921 naar zijn geboorteland en bracht er onder meer het tropische buitenleven in beeld.

Werk van de kunstenaar bevindt zich tegenwoordig onder meer in de collecties van instellingen als het Gemeentemuseum in Den Haag, Drents Museum in Assen, Singer Laren en het Stedelijk Museum in Amsterdam. Veel van deze musea verleenden hun medewerking aan de tentoonstelling waardoor men in Nunspeet een vrij compleet beeld van de kunstenaar krijgt. Naast schilderijen en tekeningen zijn ook de schildersezel en het vermoedelijke palet van de kunstenaar te zien.

Rembrandt?

Portret van een man - Arthur Briët (via Noord-Veluws Museum)Portret van een man – Arthur Briët (via Noord-Veluws Museum)De bijnaam ‘Rembrandt van de Veluwe’ is handig door de makers van de tentoonstelling bedacht. Men sluit daarbij mooi aan bij het Rembrandt-jaar. Het museum vindt de titel passend aangezien Briët net als Rembrandt werkte met een sterk licht-donker contrast.

“Die speciale techniek is een belangrijk kenmerk van de stijl van Rembrandt, ‘clair-obscur’ genoemd, die weer geïnspireerd was door de bekende Italiaanse schilder Caravaggio. Ook in de hantering van zijn penselen is te zien dat hij veel had geleerd van Rembrandt. Briët combineert net zoals de grote meester zowel een naturalistische en impressionistische penseelstreek.”

Of de link met Rembrandt van Rijn terecht is, kunt u het beste zelf beoordelen. De tentoonstelling is in ieder geval meer dan de moeite waard.

Boek: Arthur Briët – Rembrandt van de Veluwe

Naar aanleiding van de tentoonstelling (23 maart t/m 29 september 2019) schreef Williëtte Wolters-Groeneveld een

monografie over Arthur Briët

.

Bron

Vorstengraf in Oss (700 v.Chr.)

Rond de zevende eeuw voor Christus (vroege ijzertijd) stierf in de buurt van het huidige Oss een belangrijk man. Dat is althans wat af te leiden is uit de objecten die hij als grafgiften meekreeg. In het zogeheten vorstengraf van Oss vonden archeologen naast crematieresten onder meer een groot kromgetrokken zwaard, delen van een paardentuig en een ijzeren mes.

Zwaard van de vorst van Oss, Vorstengrafzwaard (Foto: Museum Jan Cunen - RMO)Zwaard van de vorst van Oss, Vorstengrafzwaard (Foto: Museum Jan Cunen – RMO)Zoals gebruikelijk in deze tijd werd ‘de vorst van Oss’ na zijn dood gecremeerd, samen met verschillende van zijn bezittingen. De resten werden hierna in een bronzen emmer gestopt, een zogeheten situla. Deze is vermoedelijk afkomstig uit Oostelijk Alpengebied. De inhoud van de emmer is na de crematie, samen met een opgekruld met goud versierd Middelheim-zwaard, mes en een paardentuig, onder een heuvel begraven. Een dergelijk grafgebruik is afgeleid van de Midden-Europese Hallstattcultuur. In Duitsland zijn veel meer van dergelijke vorstengraven gevonden; voor Nederland is het vorstengraf in Oss vrij uniek.

De vorst van Oss was rijk en de vraag is hoe hij die rijkdom heeft weten te verwerven. In de loop der tijd zijn hier verschillende verklaringen voor aangevoerd. Zo is wel eens beweerd dat de nieuwe elite die in deze tijd rond Oss ontstond, de controle had over de zouthandel. Die handel ontwikkelde zich echter pas een paar honderd jaar later op grote schaal. Mogelijk vergaarde de vorst rijkdom met slaventransport of door controle over de veehandel, maar ook dat is speculeren.

Wie was de vorst van Oss?

Hoewel de vorst van Oss werd gecremeerd, zijn er toch botresten bewaard gebleven in de situla. Archeologen zijn erin geslaagd op basis van die fragmenten meer te weten te komen over de man. Evert van Ginkel en Leo Verhart schrijven daarover in hun boek Onder onze voeten:

“Uit de bewaarde botresten was af te leiden dat het om een man ging in de leeftijdscategorie van veertig tot zestig jaar. Het meest interessant waren enkele relatief goed bewaarde rugwervels die met elkaar vergroeid bleken te zijn. Dit is het gevolg van een ziekte die bekend staat als DISH (Diffuse Idiopathische Hyperostose), een reumatische aandoening waarbij te veel bot wordt aangemaakt, met name in de wervelkolom.”

Met name in de Middeleeuwen was die ziekte, ook wel bekend als de ziekte van Forestier, relatief veelvoorkomend. Vooral geestelijken leden eraan, waarschijnlijk als gevolg van te weinig lichaamsbeweging. Vandaag de dag wordt DISH wel eens beschouwd als een welvaartsziekte die vooral ontstaat door overgewicht, suikerziekte en te weinig beweging. Van Ginkel en Verhart:

“Als dat voor de ‘Vorst van Oss’ ook heeft gegolden, dan moet het een dikke man zijn geweest die inderdaad niet erg actief was.”

Vorstengrafzwaard

Het meest opvallende object in de grafemmer is zonder twijfel het kromgetrokken zwaard, dat de macht van de vorst moest uitdrukken. Het zwaard is ingelegd met goud en op het lemmet is een gravering te vinden. Toen het werd gevonden zaten er nog textielresten op. Vermoed wordt daarom dat het zwaard in stof gewikkeld werd en na de crematie met de verbrande botten in de situla is gestopt. Het is een van de oudste ijzeren objecten ooit in Nederland gevonden.

Ontdekking

Het vorstengraf uit Oss werd in 1933 ontdekt tijdens de aanleg van een woonwagenkamp op de Osse Heide. Toen men iets blinkends aantrof, naar later bleek het vorstengrafzwaard, werd het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden ingeschakeld. In bijzijn van een Leidse archeoloog werd de opgraving hierna hervat. De bronzen situla werd hierna met inhoud overgebracht naar Leiden. Daar is de situla met inhoud nog altijd te bewonderen. In 2005 werden in de omgeving van het vorstengraf nog elf grafheuvels opgegraven.

Replica van het vorstengraf bij Oss (Publiek Domein - wiki)Replica van het vorstengraf bij Oss (Publiek Domein – wiki)

Replica

De grafheuvel is begin deze eeuw gedeeltelijk gerestaureerd. Een deel van de omtrek van de heuvel is aangegeven met palen. Een stalen constructie maakt daarnaast de opbouw en inhoud van het graf inzichtelijk.

Op een rotonde in Oss is sinds eind 2018 een metershoge replica van het rondgebogen zwaard te zien, samen met emmer waarin deze gevonden werd. Naar aanleiding van de opening van die rotonde is het originele zwaard, samen met enkele andere objecten uit de urn, twee weken te zien in Museum Jan Cunen in Oss.

Lees ook: Prehistorie – Begrip en periodisering
…en: Het Zwaard van Ommerschans – Ceremonieel zwaard uit de bronstijd
Overzicht van Boeken over archeologie en archeologische opgravingen

Spoorzoeker: ‘Grafheuvels bij Oss’

Deel 2 van de video

Bronnen

-https://www.rmo.nl/museumkennis/

archeologie

-van-nederland/nederland-in-de-

prehistorie

/een-vorstengraf-uit-oss/

-Onder onze voeten – Evert van Ginkel en Leo Verhart (Bert Bakker, 2009) – p. 119-121

-Nederland in de prehistorie – Theo Holleman (Teleac) – p.124

-Nederland van alle tijden – Bas Blokker e.a. (Balans, 2015) p.29

-https://reumanederland.nl/reuma/vormen-van-reuma/forestier-dish-ziekte-van/

Bron

Oorlog om het kerkje op de Ommerschans

De Maatschappij van Weldadigheid wilde de armen ‘opbeuren’ uit de ‘zedelijke verbastering’ waar zij door hun jarenlange armoede in terecht gekomen waren. Zij stichtte van 1818 tot 1825 de koloniën Frederiksoord, Wilhelminaoord, Willemsoord, Ommerschans en

Veenhuizen

. Wil Schackmann schreef over die koloniën van weldadigheid vier boeken:

De proefkolonie

,

De bedelaarskolonie

,

De kinderkolonie

en

De strafkolonie

. Dertien weken lang publiceert hij op deze plek Verhalen uit de koloniën, afkomstig uit die boeken en uit het restmateriaal.

Het kerkje op de Ommerschans

Als het bedelaarsgesticht op de Ommerschans in september 1822 in gebruik wordt genomen, wordt er schoolgehouden in een van de zalen van het gebouw. Maar binnen een jaar is de toeloop van bedelaars zo groot dat die zaal voor bewoning gebruikt moet worden. In mei 1823 komt er nieuwbouw gereed, een multifunctioneel gebouwtje op de zuidwal van de schans. Het dient doordeweeks als school en als ruimte waar catechisatie gegeven wordt, en op zondag is het ‘ten gebruike der gereformeerde en roomsch katholieke gemeente’. Om en om, de katholieken eerst tot half elf, dan de protestanten, dan de katholieken weer tot half drie en dan de protestanten. Zondag 1 februari 1835 loopt dat helemaal fout.

De voorzitter van ‘de Kerkenraad der Protestantsche Gemeente te Ommerschans’, die tevens directeur van het gesticht is, schrijft aan de landelijke leiding van de koloniën dat de gemeente zich die ochtend ‘te 10 1/2 uur, na dat vooraf de bel geluid heeft, naar de kerk heeft begeven’. Maar daar is de katholieke mis nog bezig, en nadat de protestantse bevolking ‘ruim 1/4 uur in koude en guur weder buiten de kerk had gestaan’, keert ze onverrichter zake en heel boos terug naar het gesticht. Volgens de kerkenraad zijn de katholieken tot wel tien minuten voor elf doorgegaan.

‘Ergerlijk toneel’

Dat wordt bestreden door de andere kant. De parochie Sint Vincentius a Paulo, vernoemd naar de heilige die over de armen en zieken waakt, doet het tijdelijk zonder pastoor en wordt waargenomen door een kapelaan als ‘deservitor’, plaatsvervanger. Hij laat de volgende dag weten dat de directie van de schans zich regelmatig ‘hatelijk of onverdraagzaam omtrent de R.K. Godsdienst’ gedraagt. Neem nu het ‘ergerlijk toneel’ van ‘gisteren, zondag den 1 februarij’. Toen liet de directie de klok luiden ‘meer dan twintig minuten vroeger dan half elf uur’.

Het had de kapelaan overvallen. ‘Ik was juist bezig de communie toe te dienen, toen de protestantsche bevolking aanrukte.’ Niet alleen ‘moeste ik de preek overslaan’, maar de ‘dienst der misse was nog in geenen deelen ten einde’. Hij beschouwt het als zijn plicht om, dan maar zonder preek, de dienst af te raffelen, en toen hij dat gedaan had, ‘was het nog tien minuten voor half elf uur’.

Als hij merkt dat de protestanten dan alweer weggegaan zijn, is hij eerst verbaasd en dan verontrust. Hij maakt zich zorgen hoe door zo’n gebeurtenis ‘de gemoederen der Protestanten en Roomsch Katholijken tegen elkanderen verbitterd moeten worden’. Hij vreest ‘onderlinge verwijdering’ en een einde aan de ‘verdraagzamheid, welke alhier onder de bevolking geheerscht heeft’ en hij vraagt de leiding te zorgen dat zo’n ‘ergerlijk, hatelijk en schandalig voorval’ niet meer plaatsvindt.

De hakken in het zand

Boeken van Wil Schackmann over de Koloniën van WeldadigheidBoeken van Wil Schackmann over de Koloniën van WeldadigheidBeide versies liggen dan bij de landelijke leiding, die allicht iets zou kunnen verzinnen om het met een sisser af te laten lopen. Bijvoorbeeld iedereen een horloge geven. Maar de directeur vindt het nodig om een paar dagen later een briefje aan de kapelaan te schrijven waarin hij in venijnige bewoordingen zijn kijk op de kwestie uiteenzet. Dat leidt bij de kapelaan tot een driftcollaps.

De beschuldiging ‘dat ik vorigen zondag de godsdienstoefening te laat heb laten uitgaan’, noemt hij een aantijging ‘welke niet gering mag beschouwd worden’ en waarover hij ‘zeer beleedigd’ is en die hij verlangt ‘bewezen te hebben’. Zolang die bewijzen er niet zijn beschouwt hij de directeur als ‘eene laaghartige ziel en lasteraar’. Om tot slot in juridische termen te dreigen met gerechtelijke stappen.

Nu is het oorlog op de schans. Dit komt niet meer goed. De kapelaan laat de landelijke ‘Directeur Generaal voor de zaken van de Roomsch Katholijke Eeredienst’ weten hoe verschrikkelijk er hier met katholieken wordt omgegaan. Die directeur-generaal schrijft een beschuldigende brief aan de landelijke leiding en die – allemaal protestanten – reageert dat het uitsluitend de schuld van de kapelaan is. De gezindten hebben de hakken in het zand gezet. En daarom zullen we nooit te weten komen of die zondag in februari de protestanten te vroeg kwamen of de katholieken te laat ophielden.

~ Wil Schackmann

Reeks: Verhalen uit de Koloniën van Weldadigheid
Overzicht van boeken van Wil Schackmann

Bron

Terpen en Wierdenland – Het Noord-Nederlandse kustgebied

Misschien is het lege landschap van Noord-Nederland wel op zijn mooist, nu er half december even sneeuw ligt op de winterse akkers. Hier aan ’s lands einde bepalen zo’n 500 wierden (Groningen) en terpen (Friesland) op veel plekken nog steeds het beeld. Nog in de vroege negentiende eeuw dachten velen dat dit landschap van nature heuvelachtig was … later in de eeuw groeven arbeiders honderden terpen en wierden af omdat de vruchtbare grond stevige prijzen kon opbrengen.

Terpen en WierdenlandTerpen en WierdenlandNaar schatting ging in Friesland 73% van de terpen verloren en in Groningen 46%. Maar de spade opende ook de aarden archieven van dit ooit rijke en welvarende gebied, zoals de invloedrijke Friese jurist/historicus Pieter Boeles rond 1930 zou schrijven. Talloze vondsten boden inzicht in deze welvarende nederzettinkjes die hier ver voor de jaartelling ontstaan waren. De beroemde opgravingen van Albert van Giffen zouden het wierdendorp Ezinge beroemd maken: hier lag dus het Pompeï van het Noorden, het Groningse Ilion, om het maar es op ronkende toon te zeggen. Dat rijke verleden is terug te vinden in heel veel lokale musea. Maar herbergt de geschiedenis van terpen en wierden ook nog een les voor de toekomst?

In het prachtig vormgegeven boek ‘Terpen- en Wierdenland’ neemt schrijver, journalist en historicus Erik Betten een lange aanloop om die vraag te beantwoorden. Hij onderscheidt in de geschiedenis van dit gebied een viertal wendingen, namelijk een eerste wending naar de zee toe, vanaf ongeveer 600 voor Christus; een tweede wending, dit keer van de zee af, toen de bewoners vanaf pakweg het jaar 1000 dijken gingen aanleggen; in de negentiende eeuw legden de overheden (de derde wending) nog meer nadruk op beheersing van het water; een vierde wending ziet Betten in prille pogingen om net als in de tijd van de terpenbouwers minder tegen maar meer mét de zee en de stijgende waterspiegel te leven. Kortom, wat heeft zich hier allemaal afgespeeld?

Wendingen

De eerste pioniers vestigden zich op de kwelderwallen dicht aan zee of aan de oeverwallen van rivieren als Eems, Fivel, Hunze, Riet, Lauwers en Boorne. De gevaren vielen mee, aldus Betten, want bij hoogwater overstroomden die kwelders zelden. Het water kon immers alle kanten op. Vuistregel was dat de kwelder die…

“…minder dan 50 keer per jaar onder water stond, bruikbaar was voor menselijk gebruik.”

Pas na de bouw van de eerste dijken zouden stormvloeden de kracht ontwikkelen om na een dijkdoorbraak ravages aan te richten.

De tweede wending had met de bedijking te maken. Dijken waren nodig ter bescherming van akkers tegen het steeds opdringerige water. Boeren trokken de uitgestrekte ‘wolden’ (lees: moerassige, onbewoonde wildernissen of venen) in het achterland in. De ontginningen zouden eeuwen duren en uiteindelijk vruchtbare landbouwgebieden opleveren. Maar eerst leidden ze tot rampen. Wat gebeurde er? In die ‘wolden’ en ‘wouden’ leidde het graaf- en spitwerk inclusief de talrijke sloten tot een enorme daling van het maaiveld. Dat maakte afvoer van rivierwater naar zee steeds moeilijker. Terwijl de wolden eerder veel hoger hadden gelegen dan de kust, was het nu andersom: het land slibde aan de kust op, terwijl het ontwaterde veen in het achterland als een plumpudding in elkaar zakte. De gevolgen laten zich raden: stormen en hoog water veroorzaakten rampen, zoals valt na te lezen in de magnifieke twaalfde- en dertiende-eeuwse kronieken uit de kloosters te Hallum en Wittewierum. Belangrijk rampen waren de Sint Julianavloed van 1164, Allerheiligen van 1170, de Sint Nicolaasvloed van 1196, de Sint Marcellusvloed van 1219, de Allerheiligenvloed van 1275, maar ook de Sint Maartensvloed van 1686 en de kerstvloed van 1717.

De Kerstvloed 1717 op een kaart uit 1720 van de Neurenberger cartograaf J.B, Homann. Volgens hedendaagse deskundigen heeft hij de omvang zwaar overdreven.Kaart van de gevolgen van de Kerstvloed van 1717 – Johann Baptist Homann

Het antwoord op de catastrofes lag in het verplaatsen van dorpen naar drogere gebieden maar ook steeds meer in het bedijken, eerst lokaal, later op grotere schaal. In de dertiende eeuw gaven de kloosters daar leiding aan want Friesland en Groningen erkenden geen grafelijk gezag. Het Friese recht voorzag enigszins in die leemte, maar de abten moesten soms de blaren op hun tong praten om een bovenlokaal antwoord te vinden op de problemen. Wat later zouden zijlen en grietenijen, dat wil zeggen, waterschappen, hun rol deels overnemen.

In de negentiende eeuw viel de derde wending: de zee, rivieren en beken werden een soort variabele in het werk van waterschappen, mechaniserende landbouwers en zich uitbreidende steden. De tijden veranderden. Toen in 1755 een enorme aardbeving en tsunami Lissabon troffen, werd dat ook in Noord-Nederland meteen gevoeld. De Groninger Courant van dinsdag 4 november van dat jaar meldde dat…

‘…op de voorgaande zaterdag bij stil weer plotseling schepen in de Groninger stadshaven tegen de kade gesmeten werden en … elkaars masten geraakt hadden. Bij Garnwerd was in het Reitdiep een schip als het ware van de ene naar de andere kant geworpen en in het Leekstermeer was het water zo hoog gestegen, dat het over het aan de kant staande riet, hetgeen de hoogte van een manslengte heeft, was heen gestoven’.

Pas een maand later werd overigens duidelijk dat de aardbeving in Lissabon de oorzaak was voor alle opschudding.

Die kwetsbaarheid zou dik honderd jaar later sterk afnemen. De afsluiting in 1877 van het Reitdiep, de zeearm die Groningen met zee verbond, zou de stad voortaan onbereikbaar maken voor de grillen van de zee. Dat proces van toenemende controle en beheersing zette in 1969 met de afsluiting van de Lauwerszee door. De Friese studenten die in 1960 in Leeuwarden hadden geroepen…

‘Potdomme, de dyk sil er komme’

…hadden hun zin gekregen, de vissers in Zoutkamp hadden een kater.

Zodenhuis in Firdgum - Rijksuniversiteit GroningenZodenhuis in Firdgum – Rijksuniversiteit Groningen

Ecobouw

Intussen doet zich een vierde wending voor, schrijft Betten, de wending naar zee toe. Wat te doen bij extreme neerslag en hogere zeespiegels? Kan dit kustgebied opnieuw pionier zijn in de omgang met de zee? Het antwoord op die vragen op basis van een aantal kleinschalige projecten in het kustgebied is nog niet al te overtuigend, maar geeft misschien wel een richting aan. Het zodenhuis van Firdgum biedt inzichten in ‘archeologisch geïnspireerde ecobouw’…; bij Hallum wordt buitendijks geëxperimenteerd met kwelderakkers en zilte teelt. De net opgerichte Franeker Academie gaat er onderzoek naar doen. In het Friese kustplaatsje Holwerd droomt een aantal dorpelingen over ‘Holwerd aan zee’ waarvoor de zeedijk moet plaatsmaken voor een stormvloedkering of schutsluis. Daarmee zou ‘werelderfgoed de Waddenzee’ weer ontsloten kunnen worden en Holwerd een plek veroveren op de toeristische kaart. Zo zijn er meer kleinschalige ideeën en initiatieven die gericht zijn op een ander leven met en bij de zee. Maar de ‘vierde wending’ moet toch nog wel wat meer momentum krijgen om echt te overtuigen.

Kijkboek

Wie minder zin heeft aan een boek over experimenten met en bij de zee moet zich van bovenstaande wendingen niet al te veel aantrekken want dit is ook gewoon een mooi boek over de oude geschiedenis van terpen en wierden, dat de kijkers en lezers nu al dit gebied in wil trekken. Mooie kaartjes geven aan hoe de kustlijn in de loop van een paar duizend eeuwen veranderde. Prachtige luchtfoto’s, plaatjes van liefelijke terpdorpjes en kleinschalig toerisme … lokken om eens te gaan kijken naar dit onbekende gebied met zijn historische schatten. Voor wie meer houdt van nog onopgeloste raadsels heeft dit kustgebied ook van alles te bieden. Ik noem er twee:

In sommige wierde- en terphuizen vonden de archeologen botfragmenten, waaruit zij afleiden dat dat de bewoners aan voorouderverering deden. Spectaculair was de vondst in het Groningse Englum waar archeologe Annet Nieuwhof een aantal menselijke schedels ontdekte met sporen van vraat door dieren. Werden de doden rond het jaar nul – grafvelden uit deze periode zijn nauwelijks teruggevonden – aan de elementen blootgesteld?

Een ander klassiek vraagstuk is het bijna spoorloos verdwijnen van de oorspronkelijke bewoners van de kust. Er zou archeologisch gezien sprake zijn van een ‘lege vierde eeuw’, vooral in het huidige Friesland en in iets mindere mate op de Groningse klei. Na een kleine eeuw zonder bewoning zouden de terpen en wierden vanuit het Oosten weer bevolkt zijn geraakt. De nieuwe bewoners waren anders, kenden ander aardewerk en andere begrafenisrituelen, bouwden andere huizen en droegen andere mantelspelden. De dominante Franken van de zesde en zevende eeuw noemden hen opnieuw ‘Friezen’, maar waren ze dat ook? En waarom lieten de nieuwkomers, die vermoedelijk eerder aan de Angelen en Saksen verwant waren, zich dat aanleunen? En waar zijn trouwens die oude Friezen van voor het jaar 300 gebleven? Gingen ze op in de volksverhuizingen?

Waddenzee - Zonsondergang bij Wierum (CC BY-SA 3.0 - Uberprutser - wiki)Waddenzee – Zonsondergang bij Wierum (CC BY-SA 3.0 – Uberprutser – wiki)

Rand

Kortom, een mooi boek om een bezoek voor te bereiden aan het hoge Noorden van ons land. Een beetje aandacht kan de regio goed gebruiken, want er zijn ook veel problemen die met één woord samen te vatten zijn: krimp. Dit ooit zo dichtbevolkte gebied is al eeuwenlang emigratiegebied, de kruidenier is allang vertrokken, in veel dorpen is het gemoedelijk maar is de welvaart achter gebleven. Dit kustgebied is ook steeds meer rand van Nederland geworden waar de wegen doodlopen op de Waddenzee en de jeugd wegtrekt. Ook zonder aardbevingen zou dit noordelijkste stukje Nederland miljarden nodig hebben om leefbaar te blijven.

~ Joost Eskes

Boek: Terpen en Wierdenland – Erik Betten

Bestel dit boek bij:

Bron

Daar kraait geen haan naar

De uitdrukking ‘daar kraait geen haan naar’ gebruiken we om aan te geven dat niemand enige aandacht zal schenken aan een bepaalde gebeurtenis. Waar komt deze uitdrukking eigenlijk vandaan?

Verloochening van Petrus - Jan van de Venne (Publiek Domein - wiki)Verloochening van Petrus – Jan van de Venne (Publiek Domein – wiki)Mensen met een beetje Bijbelkennis zullen bij de uitdrukking ‘daar kraait geen haan naar’ vermoedelijk denken aan gebeurtenis die in het evangelie van Matteüs wordt beschreven. De apostel Mattheüs zegt dan, nadat Jezus heeft aangekondigd dat hij door iedereen verlaten zal worden, dat hij zijn meester nooit zal afvallen. Jezus antwoordt dan:

“Voorwaar, Ik zeg u, dat gij in dezen zelfden nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.” Mattheüs 26:34 – online-bijbel.nl

Enkele uren later, als Jezus inmiddels gevangen genomen is, komt de voorspelling uit. Bang om ook opgepakt te worden beweert Petrus drie keer dat hij Jezus niet kent en helemaal niets met hem te maken heeft. Dan kraait er een haan en herinnert Petrus zich de woorden van Jezus.

“En Petrus werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitterlijk. Mattheüs 26:75 – online-bijbel.nl

Oud volksgeloof

Of de uitdrukking ‘daar kraait geen haan naar’ inderdaad is afgeleid van deze geschiedenis, staat niet vast. Mogelijk is er ook een verband met een oud volksgeloof waarbij een haan door te kraaien een moordenaar aanwees als er geen getuigen waren. Als er dan een misdaad in stilte was gepleegd zonder dat er getuigen waren, zei men wel eens:

“Daar zal geen haan naar kraaien.”

Ook interessant: Petrus: discipel van Jezus en christelijk apostel
Overzicht van Historische uitdrukkingen, spreekwoorden en scheldwoorden

Bronnen

-https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_0755.php#569
-Nederlands Bijbelgenootschap – Facebook

Bron

‘Wetenschap is pas af als ze is gecommuniceerd’

Afgelopen vrijdag was aan de Vrije Universiteit het Romeinensymposium. Jona Lendering was daar een van de sprekers. Op Historiek publiceren we de tekst van zijn lezing. Lendering pleit hierin voor betere wetenschapsvoorlichting, één die niet de zender maar de informatiebehoefte van de ontvangers als uitgangspunt neemt.

Veel geschreeuw en weinig wetenschap

Het is als met de kruipolie die maakt dat een machine soepel draait: alles gaat beter als de informatie waarop we ons baseren accuraat is. Onderzoekers speuren naar die informatie en is deze eenmaal verworven, dan is het zaak haar zo snel en adequaat mogelijk over te dragen aan zoveel mogelijk mensen. Wetenschap is pas af als ze is gecommuniceerd.

“In de

archeologie

ligt de nadruk vaak op iets dat is opgegraven en nauwelijks op de eigenlijke inzichten. Het gaat dus wel over vondsten maar niet over archeologie.”

Archeologen werken vanouds samen met musea en doen hun overdracht zo beroerd niet, maar er is verbetering mogelijk. Daarbij is de crux: het gaat om de informatiebehoefte van de ontvangers en niet om wat de zenders toevallig hebben te bieden. Bij zenders kunt u denken aan universiteiten, musea, stichtingen, re-enactors, journalisten, erfgoedhuizen en wat dies meer zij.

Ik denk dat ik over dit onderwerp iets kan zeggen omdat ik al twintig jaar de Oudheid uitleg: op mijn website staan binnenkort precies 4000 pagina’s, ik blog dagelijks, verzorg een nieuwsbrief, schreef boeken, treed op als reisleider en museumgids, organiseer met het RMO “Oog op de Oudheid”, doe journalistiek werk en verzorg cursussen, lezingen en lessen. Deze zomer heb ik gewerkt aan een project om 86.000 Oudheid-foto’s rechtenvrij online te plaatsen; momenteel begeleid ik profielwerkstukken en ook voer ik derde-lijns-gesprekken. En vooral: ik beantwoord veel mail. Denk aan twintig tot dertig vragen per week, duizend per jaar. Het is op deze ervaring dat ik het onderstaande baseer.

Een innovatief project

De limes is extreem innovatief omdat het een omkering is van het Gelderse geschiedbeeld. Dat is gevormd door de Nijmeegse geleerde Gerard Geldenhouwer, die in zijn Historia Batavica (1530; 1541) Nijmegen identificeerde als hoofdstad van de Bataven én aangaf dat “wij” in de Lage Landen afstammen van de Germanen. Ik blogde er al eens over.

Dit is het dominante beeld gebleven: je kunt de Bataafse mythe moeiteloos volgen via de ereboog voor prins Maurits naar Rembrandts “Eedgenootschap van Claudius Civilis” en de Bataafse Republiek, en daarvandaan langs Batavus Droogstoppel tot de Batavus-fietsen. Logisch, want via de afkeer van Latijnse persoonsnamen in middeleeuws Nederland, “Wat Walsch es valsch eyst” en de middelnederlandse literatuur gaat onze culturele identiteit (wat dat ook moge zijn) inderdaad terug op de Germanen. Dankzij de limes-projecten krijgt iemand die zich wil verdiepen in de Nederlandse Oudheid nu echter een omgekeerd beeld, waarin de boeman van weleer centraal staat. Dit is revolutionair.

Deze ommekeer heeft te maken met internationaal erfgoedbeleid en is deels politiek. Er is ook een interne, Nederlandse aanleiding: de in 2006 door de commissie-Van Oostrom opgestelde canon met vijftig vensters. Als je de principes (“rode draden”) uit dat project rustig bekijkt, zou het venster op de Oudheid logischerwijs de stad Nijmegen zijn geweest, maar het werd dus de limes. Omdat in de commissie geen archeoloog of oudhistoricus zat, heb ik Van Oostrom eens opgezocht om te vragen hoe de keuze was gemaakt. Hij antwoordde dat alle commissieleden dit onderwerp hadden gekend en daar zonder werkelijk debat mee hadden ingestemd. Dit is een voorbeeld van het psychologische mechanisme dat bij een vergadering niet over de belangrijkste thema’s wordt gesproken maar over onderwerpen waar iedereen van heeft gehoord.

Weerstand

Innovatie roept weerstand op. Mensen houden er immers niet van vertrouwde zaken op te geven. Zeker in een klimaat van groeiende wetenschapsscepsis is bij een innovatie als de limes een specifieke vorm van voorlichting vereist en daar is ook onderzoek naar gedaan.

Dat onderzoek is onvoldoende bekend. Oudheidkundigen hebben althans weinig gedaan om hun voorlichting te professionaliseren en kiezen vaak voor gemakzuchtige oplossingen: in de archeologie ligt de nadruk vaak op iets dat is opgegraven en nauwelijks op de eigenlijke inzichten. Het gaat dus wel over vondsten maar niet over archeologie. Verder wordt strijk en zet overdreven, zodat we onlangs lazen dat een ring was ontdekt van Pontius Pilatus.

Het vervelende is dat het publiek de overdrijving herkent, sceptisch is geworden en archeologen niet langer gelooft, zelfs als ze de waarheid spreken. Dat gebeurde in de Nijmeegse Aquaductenaffaire en zal zich herhalen zolang we niet professioneler worden.

De omgekeerde volgorde

Ons doel is dat nieuwe inzichten, bijvoorbeeld over de limes, zo snel en adequaat mogelijk terechtkomen bij zoveel mogelijk mensen. Een goed proces zou erop neerkomen dat er (1) een wetenschappelijke publicatie is met dat nieuwe inzicht, (2) een beslissing valt dit inzicht met het publiek te delen, (3) overleg plaatsvindt over de eigenlijke boodschap, (4) doelgroepen worden geïdentificeerd, (5) media bij de doelgroepen worden gezocht, (6) een communicatieplan wordt opgesteld dat (7) wordt uitgevoerd. Tot slot is er een evaluatie.

Bij de limes is het niet volgens dit ideale schema gegaan. Er was al veel gedaan toen het besluit viel de limes te promoten (Commissie-Van Oostrom, daarna werelderfgoedstatus-aanvraag). Hierop volgden meer uitwerkingen, met Hoge Woerd als hoogtepunt, maar ondertussen werd er nauwelijks gesproken over de boodschap en werd onnadenkend de verkeerde doelgroep gekozen (zo meteen meer). Pas vrij laat kwam het Interpretatief Kader, waarvan de opstellers rekening moesten houden met partijen en praktijken die in het ideale schema nooit een rol zouden hebben gespeeld. Dit is de cruciale fout geweest: niet vertrekken bij de informatiebehoefte van het publiek, niet zoeken welke expertise noodzakelijk was, maar uitgaan van het aanbod van partijen die al bekend waren. Mede hierdoor groeide een “tweede trechter” (zo meteen meer). De echte wetenschappelijke synthese is eigenlijk pas zojuist verschenen. We zijn dus begonnen bij stap zeven, eindigen bij stap één en zitten opgezadeld met voldongen feiten.

“Goede informatie is onvindbaar door het herhalen van dezelfde, platte boodschap.”

Dit is verre van ideaal. Nu is ook de ideale situatie onwenselijk, want ze zou betekenen dat de wetenschap de toon zet in het krachtenspel tussen de diverse belanghebbenden. Dat is echter geen open samenleving meer maar een technocratie. Omgekeerd geldt dat niemand erbij is gebaat als nieuwe inzichten niet snel en adequaat terechtkomen bij zoveel mogelijk mensen. De stem van de wetenschap klinkt bij de limes wel érg zacht – en dan bedoel ik zowel de stem van de oudheidkundige disciplines als de stem van de wetenschapscommunicatie.

Doelgroepen en lijnen

Je hoeft geen marktonderzoek te doen om te weten dat er mensen zijn met een oppervlakkige belangstelling en mensen met meer interesse. Het spreekt al even vanzelf dat sommigen de wetenschap vertrouwen en anderen er sceptisch tegenover staan. Dat blijkt ook uit de mails die ik dagelijks beantwoord; die gaan natuurlijk niet allemaal over de limes, maar de doelgroepen zijn ook daar aanwezig en de drie lijnen waarover ik wel vaker schrijf, zijn ook hier relevant.

Wetenschapspositief Wetenschapsnegatief
Hoge informatiebehoefte Tweede lijn Derde lijn
Lage informatiebehoefte Eerste lijn

Het probleem is dat vrijwel alle voorlichting over de limes zich richt op mensen met een lage informatiebehoefte en een positieve houding. Het is een schoolvoorbeeld van de eerste lijn: het vereenvoudigd presenteren van de feiten ofwel het bieden van een kennismaking.

Soms is dat inderdaad genoeg. Ik denk niet dat het verkeerd is kinderen een goed verhaal te vertellen en doe het zelf ook graag. Het probleem is echter dat kinderen over twee maanden hun Romeinenliefde hebben verruild voor een dinosaurussenpassie. Het beklijft niet, terwijl de opzet van de limes-projecten is een nieuwe visie op de Nederlandse Oudheid ingang te doen vinden. Het is beter je pas op kinderen te richten als je volwassenen iets hebt te bieden, want zij vormen de cruciale doelgroep: bij hen immers moet de bewustzijnsverandering zich voltrekken.

Het probleem is nu dat volwassenen al iets denken te weten en dat innovatie dus weerstand oproept. Die zul je moeten wegnemen en daaruit volgt dat je mensen die geïnteresseerd beginnen te raken, méér moet bieden: waarom is de omkering van het Gelderse geschiedbeeld een verbetering? Dat is de tweede lijn: de verdieping die noodzakelijk is om de cruciale doelgroep te overtuigen en scepsis de pas af te snijden. In de woorden van Tussen onderzoek en samenleving, het brave advies dat mag gelden als informele kwaliteitsnorm, is het doorslaggevend dat het wetenschappelijk proces inzichtelijk wordt gemaakt.

Doordat in de limesvoorlichting deze tweede lijn vrijwel geheel achterwege blijft, is het onvermijdelijk dat juist de meer geïnteresseerde mensen sceptisch worden. Ik herken dit in de mail: eigenlijk heb ik elke maand wel contact met iemand die steeds dezelfde informatie over de limes heeft gevonden, nergens de verdieping aantrof die hij zocht (of werd afgescheept met “je moet maar een congres bezoeken”) en heeft geconcludeerd dat het thema intellectuele diepgang ontbeert. Zo iemand keert zich tegen de limes. Ik wees hier al eerder op in mijn stukken “Limes en scepsis” en “Limesmoeheid” en waarschuwde ervoor in een preadvies voor het Interpretatief Kader.

Kanttekening: er zal altijd een groep blijven die ook na uitleg van het wetenschappelijk proces niet overtuigd worden wil. Dan speelt bijna altijd een bezorgdheid een rol. Ik heb weleens te maken gehad met iemand die waarde hechtte aan het kwakhistorische idee dat de weg op de Peutingerkaart loopt naar Antwerpen, omdat zijn huis stond bij een beschermde limes-locatie. Voor hem gold: liever pseudowetenschap dan een wetenschap die dreigt mijn huis onverkoopbaar te maken.

Voor zulke situaties is er de derde lijn: een persoonlijk gesprek waarin je een scheiding aanbrengt tussen de bezorgdheid en het wetenschappelijke probleem. Omdat de limes nauwelijks een tweede lijn kent, is onvermijdelijk dat weer een relletje zal ontstaan à la Nijmeegse Aquaductenaffaire en dat de limes-organisaties dan niet zijn voorbereid op de derde-lijns-gesprekken.

Samenvattend: doordat de limes-voorlichting niet is ontstaan door first things first te doen, is onnadenkend de verkeerde doelgroep gekozen. We moeten ons echter niet slechts richten op mensen met een lage informatiebehoefte, maar ook op mensen met een hoge behoefte. Zo behouden we de geïnteresseerden voor de goede zaak. Momenteel tonen we een limes die intellectueel geen diepgang heeft en verjagen we de cruciale doelgroep.

De Romeinse limes op vici.orgDe Romeinse limes op vici.org

Junk news en aanverwante problemen

Je hebt fake news en junk news. De eerste categorie is het bekendst: onjuiste informatie, niet per se moedwillig verspreid, zoals de opmerking eerder dit jaar in De Volkskrant dat er in Nederland geen Romeinse ruïnes zichtbaar zijn. Het waren niet alleen Heerlenaren die zich ergerden.

Ergerlijk als fake news is, is het minder problematisch dan junk news. Dat is een platte boodschap die zó vaak wordt herhaald dat mensen de echte informatie niet meer vinden kunnen. Bad information drives out good. Dit is hét centrale probleem voor de limes: waar je ook zoekt, je vindt steeds dezelfde flauwe informatie en het echte verhaal is onvindbaar. We bieden veel geschreeuw en tonen weinig wetenschap.

De onvindbaarheid van de juiste informatie wordt versterkt door de “tweede trechter”. Een trechter is een metafoor om aan te geven hoe je mensen naar inzicht brengt: je trekt eerst hun aandacht en leidt ze steeds verder naar de eigenlijke informatie. Je kunt ook de metafoor gebruiken van een ladder waarlangs je opklimt richting wetenschap.

Vanouds hebben we bladen als Archeologie Magazine en Hermeneus, de Week van de Klassieken, voortreffelijke musea en lesprogramma’s voor de scholen. Perfect is het niet, maar de mensen weten de weg naar deze informatie te vinden en de betrokkenen kunnen hun positie benoemen in het grote gebouw der humaniora. Ze kunnen duidelijk maken waarom de geesteswetenschappen maatschappelijk belangrijk zijn, waarom een vakopleiding nut heeft en welke betekenis archeologie heeft voor onze cultuur.

De limes-organisaties hebben deze structuur grotendeels genegeerd: naast de Week van de Klassieken is er een Romeinenweek gekomen. Je kon nog beweren dat de eerste ging over de Oudheid en de tweede over de Nederlandse Oudheid, maar volgend jaar is het thema “de vrouw”, waarbij dit onderscheid onmogelijk is. Het thema valt immers alleen te behandelen door de gegevens te halen uit Italië. Dan heb je twee keer hetzelfde evenement.

(Tussen haakjes wijs ik erop dat we hier een voorbeeld hebben van eclecticisme: je kunt een vraag niet beantwoorden, haalt informatie dus van elders en neemt maar aan dat wat daar en toen gold, ook voor jouw regio en tijdperk geldt. Als het doel is een zo breed mogelijk publiek zo snel mogelijk te voorzien van adequate informatie, is dat laatste mislukt. Het zal worden herkend en het zal de scepsis verder versterken.)

Andere voorbeelden van verdubbeling: online hebben we een educatief platform over de limes naast Quamlibet, het platform dat classici en historici al gebruiken. Het zou makkelijker zijn geweest alles op één al vertrouwd punt onder te brengen. Verder herhalen de diverse limes-websites vrijwel allemaal dezelfde informatie – allemaal eerstelijns en nooit Web 2.0. Afhankelijk van wie je vraagt zijn er nu vier of zes limes-fietsroutes. Ze zijn niet identiek maar het kon efficiënter.

Kortom: goede informatie is onvindbaar door het herhalen van dezelfde, platte boodschap. De dubbele trechter maakt het nog verwarrender. Het kan dus efficiënter.

Aanbevelingen

Triest als het is: er zijn voldongen feiten. Die zijn niet allemaal slecht maar er is ruimte voor verbetering. Het moge duidelijk zijn dat ik ervoor pleit dat we naast de eerste lijn een tweede lijn openen, opdat we geïnteresseerden niet langer afstoten. Dat betekent:

  1. Het wetenschappelijk proces moet uitgelegd. Hoe weten we wat we weten? Waartoe dient dat? Wat is het belang van kennis van archeologie, limes, humaniora? Dit uitleggen heeft als voordeel dat je belet dat een olijke staatssecretaris van Cultuur zich afvraagt wat ’ie moet met musea vol opgegraven potten en pannen.
  2. Leg uit waarom de omkering van het Gelderse geschiedbeeld excess empirical content oplevert en een verbetering is. Of misschien moet ik zeggen: excess educational content. Het voordeel is dat je scepsis vóór bent.
  3. Toon hoe de limes, als onderdeel van de geesteswetenschappen, helpt onze eigen denkbeelden te doorgronden. Gebruik de Romeinse noties over de grenzen van het imperium om de betrekkelijkheid van de eigentijdse (op de negentiende eeuw teruggaande) noties over territoriaal begrensde staten te begrijpen.
  4. Overschat je eigen kennis niet want de academische opleidingen zijn sinds de jaren tachtig te kort. Werk dus samen met wetenschapscommunicatoren, classici en historici. Bedenk hierbij dat het grote publiek de academische specialismen niet (h)erkent. (Een archeoloog die spreekt over veenlijken, krijgt te maken met een publiek dat deze vondsten interpreteert met behulp van Tacitus’ Germania en een classicus die spreekt over die tekst, krijgt vragen over het Meisje van Yde.) Het voordeel van samenwerking is dat ook anderen je inzichten verspreiden.
  5. Vermijd junk news en fuseer de trechters. Als de Romeinenweek samengaat met de Week van de Klassieken is het voordeel dat een evenement ontstaat dat er echt toe doet.
  6. Gezond wetenschapscommunicatiebeleid heeft als vertrekpunt de informatiebehoefte van de doelgroepen, niet wat de betrokken partijen toevallig hebben te bieden.

~ Jona Lendering

Jona Lendering is historicus, webmaster van Livius.org en docent bij Livius Onderwijs. Hij publiceerde verschillende boeken. Zie ook zijn blog: mainzerbeobachter.com

Bron

Het boetekleed aantrekken – Herkomst en betekenis

Wie het boetekleed aantrekt, neemt de schuld van een bepaalde gebeurtenis op zich. De uitdrukking verwijst naar een oud religieus gebruik waarbij men met behulp van een kleed boete deed en liet zien dat men een ‘schuldig’ was.

Boetekleed van een christen (CC BY-SA 4.0 - Anupam - wiki)Boetekleed van een christen (CC BY-SA 4.0 – Anupam – wiki)Binnen de katholieke kerk is het boetekleed vooral bekend onder de naam cilicium. Vaak was dit kleed gemaakt van ruw geitenhaar. Hij werd soms als boven, maar ook geregeld als onderkleed gedragen. Het gebruik gaat al zeker terug tot de vierde eeuw. Volgens sommige historici zochten gelovigen toen naar nieuwe manieren om uiting te geven aan de diepte van hun geloof. Kort hiervoor had keizer Constantijn de Grote het christendom aangenomen, waardoor de christenvervolgingen waren gestopt. Met behulp van het boetekleed kon men toch laten zien hoeveel het geloof voor hen betekende en dat men bereid was voor het geloof te lijden. Het boetekleed was namelijk niet erg comfortabel. Zeker wanneer het op de blote huid werd gedragen, zorgde het voor bijvoorbeeld schaafwonden.

Veel gelovigen (waaronder Franciscus van Assisi, Thomas More, Geert Grote en Moeder Teresa) trokken in de loop der eeuwen vrijwillig het boetekleed aan. Vooral dagen als Aswoensdag en Goede Vrijdag leenden zich goed voor het gebruik van het boetekleed.

Keizer Lodewijk de Vrome, een zoon van Karel de Grote, moest in de negende eeuw na een conflict openbaar boete doen. In de kerk van St. Médard van Soissons werd hij gedwongen zijn koninklijk gewaad te verwisselen voor het boetekleed. De aanwezige bisschoppen dreven Lodewijk vervolgens gehuld in het boetekleed de kerk uit.

Spijt

De beruchte Russische tsaar Ivan de Verschrikkelijke kreeg tegen het einde van zijn leven spijt van verschillende van de gruwelijke daden die hij in zijn leven beging. Hij trok daarom geregeld het boetekleed aan. Een afbeelding van zijn boetekleed is boven dit artikel te zien.

De boetekleden of -gordels waren overigens niet altijd gemaakt van (geiten)haar. Er zijn ook metalen varianten bekend.

Overzicht van Historische uitdrukkingen, spreekwoorden en scheldwoorden
Boekenrubriek: Taalgeschiedenis

Video over het boetekleed van Ivan de Verschrikkelijke

Bronnen

-https://www.dbnl.org/tekst/weil004kuns01_01/weil004kuns01_01_0003.php#c0781
-https://www.vandale.nl/gratis-woordenboek/nederlands/betekenis/boetekleed#.XJ3yxrdAq-s
-https://nl.wikipedia.org/wiki/Cilicium
-Macht en gezag in de negende eeuw – Mayke de Jong (p.70)

Bron