Category Archives: Uncategorized

Westfriese boeren zorgden in Bronstijd samen voor inrichting landschap

Boeren maakten in de Bronstijd al bewuste keuzes bij de inrichting van hun land en het landschap in West-Friesland, en die keuzes zijn verrassend anders dan gedacht. De mensen woonden in boerendorpjes en vormden een hechte gemeenschap waarin veel werd samengewerkt. Dat concludeert Wouter Roessingh in zijn proefschrift ´Dynamiek in beeld. Onderzoek van Westfriese nederzettingen uit de bronstijd´ dat hij volgende week verdedigt aan de Universiteit Leiden.

In zijn dissertatie worden de onderzoeksgegevens van oude opgravingen samengebracht en de organisatie en de dynamiek van nederzettingen in West-Friesland gedurende de Bronstijd beschreven. Zo ontstaat een beeld van de organisatie van het boeren bestaan destijds.

Het oostelijk deel van West-Friesland was in de Midden- en Late Bronstijd (ca. 1600-800 v.Chr.) een, langdurig bewoond, dichtbevolkt gebied met vele boerendorpjes. Dit in tegenstelling tot wat eerder werd gedacht. Door de uitzonderlijk goede conserveringsomstandigheden in dit voormalig kwelderlandschap is de regio een schatkamer voor overblijfselen uit die tijd. De dorpjes zijn vaak vele generaties lang bewoond en hierdoor is voor archeologen een ‘gestapeld landschap’ bewaard gebleven. In zijn studie ontrafelt Roessingh, archeoloog bij ADC ArcheoProjecten, deze complexe stratigrafie en brengt daarmee een dynamisch cultuurlandschap in kaart.

Inrichting van het landschap

Nieuwe boerderijen werden regelmatig op dezelfde plaats als de voorgangers gebouwd en ook de vele sloten, gegraven om terreinen af te bakenen en het land droog te houden, werden lange tijd onderhouden door samenwerking en afstemming. Dit stabiele landschap wordt op een bepaald moment opgegeven en de functies van terreinen veranderde. Op plaatsen waar eerst boerderijen stonden, werden bijvoorbeeld akkers ingericht. Door de lange bewoningsduur van terreinen en de goede conservering en herkenbaarheid van grondsporen zijn de Westfriese vindplaatsen bij uitstek geschikt om deze dynamiek in beeld te brengen.

~ ADC ArcheoProjecten

De studie: Dynamiek in beeld – Onderzoek van Westfriese nederzettingen uit de bronstijd

Bron

Georgische soldaten in Leusden geïdentificeerd na DNA-match

Door een DNA-match is de identiteit vastgesteld van twee Georgische soldaten op het Sovjet Ereveld in Leusden. Het onderzoek is uitgevoerd door het Nederlands Forensisch Instituut. Het is voor het eerst dat met behulp van DNA onomstotelijk de identiteit van een formeel nog ‘onbekende soldaat’ op het Sovjet Ereveld is vastgesteld.

Pido Tsjoliasjvili (Foto: Stichting Sovjet Ereveld)Pido Tsjoliasjvili (Foto: Stichting Sovjet Ereveld)De Amersfoortse onderzoeker Remco Reiding van de Stichting Sovjet Ereveld over het onderzoek:

“In twee gevallen weten we nu honderd procent zeker wie er in het graf ligt. Het opschrift ‘onbekende soldaat’ kan op hun grafsteen worden vervangen door hun eigen naam.”

Het betreft Pido Tsjoliasjvili en Anton Gviniasjvili. Reiding bezocht namens de stichting deze week Georgië om de twee families persoonlijk het nieuws te kunnen vertellen. In 2016 had Reiding bij mogelijke nabestaanden in Georgië al DNA afgenomen. Reiding bekommert zich al twintig jaar om de 865 soldaten op het Sovjet Ereveld en hun families. Door jarenlang bronnenvergelijk had hij eerder met grote waarschijnlijkheid de namen achterhaald van de vijftien op het Sovjet Ereveld begraven Georgiërs.

De groep was op 20 april 1945 in Beverwijk door de nazi’s gefusilleerd na diefstal van 88 handgranaten. De Georgiërs waren in 1941 aan het Oostfront krijgsgevangen gemaakt door de Duitsers. In 1943 werden ze naar Nederland gebracht om de kust bij Zandvoort en op Texel te verdedigen.

Opening van de graven

Anton Aleksandrovitsj Gviniasjvili (Foto: Stichting Sovjet Ereveld)Anton Aleksandrovitsj Gviniasjvili (Foto: Stichting Sovjet Ereveld)Op Reidings initiatief hebben de betrokken autoriteiten recent ingestemd met het openen van de vijftien graven in Leusden, om DNA van de gevallen Georgische soldaten te kunnen afnemen. De Bergings- en Identificatie Dienst van de Koninklijke Landmacht heeft de klus geklaard. Daartoe moest eerst de aarde boven de houten buiten-kisten worden verwijderd, waarna de zinken binnen-kisten konden worden geopend.

De Georgiërs waren in 1945 nabij hun executieplaats op Fort aan de Sint Aagtendijk begraven. In 1946 waren ze daar geëxhumeerd, in zinken kisten gelegd, en naar Leusden overgebracht. Hierdoor zijn hun stoffelijke overschotten intact gebleven.

De afgelopen jaren is Reiding vaker naar Georgië gereisd om bij mogelijke nabestaanden DNA af te nemen. Het afnemen is voor de nabestaanden een emotionele gebeurtenis. Reiding:

“Families wachten vaak al 75 jaar. Ze willen zo graag weten wat er met hun vader of opa is gebeurd. Door mijn DNA-afname komt het verlossende antwoord wel heel dichtbij. Toch moet ik altijd weer een slag om de arm houden. Het is immers pas een feit bij een honderd procent match.”

Boek: Kind van het ereveld – Remco Reiding

  • DNA
  • Russisch ereveld

Bron

Gevonden: 500 jaar oud skelet met zijn laarzen nog aan

Archeologen hebben in de modder van de rivier de Theems een skelet van ongeveer vijfhonderd jaar oud gevonden. Bijzonder is dat de kniehoge laarzen van de man bewaard zijn gebleven terwijl de rest van de kleding volledig is vergaan.

De ontdekking is gedaan in Bermondsey, in het zuiden van Londen, door archeologen van MOLA Headlind Infrastructure. Het skelet lag met zijn gezicht naar de grond gericht en zijn rechterarm boven het hoofd. Archeologen vermoeden daarom dat de man gevallen is of geduwd werd.

De laarzen van de man (MOLA)De laarzen van de man (MOLA)

Zwaar werk

Gezien het soort laarzen dat bij het skelet zijn gevonden, lijkt het waarschijnlijk dat de man in de haven bij de Theems werkte, mogelijk als dokwerker, zeevaarders of visser. Van zeelieden is bekend dat die in deze periode vaak kniehoge laarzen droegen. Het is niet waarschijnlijk dat de betreffende persoon op de modderige locatie begraven werd met zijn laarzen nog aan. In deze periode was leer namelijk nog zeer waardevol. Na overlijden werden dergelijke laarzen normaal gesproken hergebruikt. Het lijkt daarmee aannemelijker dat de man ter plekke verongelukte, mogelijk tijdens zijn werk.

Uit onderzoek van het skelet blijkt dat de man in de vijftiende of zestiende eeuw moet hebben geleefd en dat hij ongeveer vijfendertig jaar oud werd. Sporen in zijn ruggengraat en heupgewricht wijzen erop dat de man zwaar lichamelijk werk deed.

Boek: Dit is Londen – Leven en dood in een wereldstad

  • Londen

Bron

Arthur Briët (1867-1939) – ‘Rembrandt van de Veluwe’

Bij het Noord-Veluws Museum in Nunspeet noemen ze hem de ‘Rembrandt van de Veluwe’: Arthur Briët. Een kunstenaar die vooral naam maakte in het binnenhuisgenre. Het museum toont momenteel ruim honderd werken van de kunstenaar. Van intieme interieurstukken tot landschappen en van portretten tot sfeerbeelden uit voormalig Nederlands-Indië.

Meisje met lauwerkrans, 1889 - Arthur Briët (Collectie Wiegman)Meisje met lauwerkrans, 1889 – Arthur Briët (Collectie Wiegman)Arthur Briët werd op 25 januari 1867 op Java geboren, als zoon van predikant Paul Fredrik Willem Briët. De predikant overleed een jaar na de geboorte van zijn zoon. Moeder Susanna keerde hierna met de jonge Arthur terug naar Nederland, waar ze zich vestigde in Utrecht en hertrouwde.

Al op jonge leeftijd werd duidelijk dat Arthur Briët goed kon tekenen. Met zijn vriend Théodore van Lelyveld volgde hij lessen model tekenen en in zijn hbs-tijd illustreerde hij een dichtbundel van A.C.W. Staring. Die bundel is in Nunspeet te zien. Met een vriend richtte Briët in deze tijd verder een humoristisch tijdschriftje op waarvoor hij vanzelfsprekend ook veel illustraties maakte.

Kunstacademie

In 1884 meldde Briët zich bij de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen, waar hij onder meer werd onderwezen door Alexandre Struys en Charles Verlat. Kort tijd studeerde hij in Antwerpen ook samen met Vincent van Gogh. De twee woonden dicht bij elkaar en kenden elkaar goed. Briët was echter niet erg gecharmeerd van de stijl Van Gogh’s schilderstijl. Daarin stond hij niet alleen. Van Gogh stierf als een vrij onbekend man en kreeg pas na zijn dood erkenning van het grote publiek. Briët was bij leven al zeer succesvol. Hij exposeerde in Engeland, Sint-Petersburg, Amsterdam en Rome en was ook geliefd in Amerika.

Straatveegster in Antwerpen - Arthur Briët (Foto Historiek)Straatveegster in Antwerpen – Arthur Briët (Foto Historiek)In Antwerpen zocht Arthur Briët zijn modellen graag op straat. Zijn schilderij van een Antwerpse straatveegster wordt beschouwd als een sleutelstuk in zijn oeuvre. Het Noord-Veluws Museum:

“Dit vanwege de aandacht voor het authentieke simpele leven. Zo anders dan geleerd op de Academie, maar wel in lijn met de aanhangers van Barbizon die vernieuwing in de kunst brachten.”

Na zijn vierjarige studie verliet de jonge kunstenaar Antwerpen met een Prix d’Excellence op zak voor een grand tour, waarbij hij onder meer Parijs, Rome, Florence, Venetië en Duitsland aandeed. Vervolgens bezocht Briët ook België. Kunstenaar Alexander Struys inspireerde hem daar om om zich te gaan toeleggen op het schilderen van de binnenhuizen van de minder welgestelden.

Nunspeet

Briët vestigde zich na zijn reizen in Brabant, waar hij zijn vrouw Johanna Sophia Antonia Vorsterman van Oijen leerde kennen. Hierna verkaste hij naar Nunspeet. Deze Veluwse plaats was in die tijd geliefd bij meer kunstenaars. Nunspeet stond bekend als een echte kunstenaarskolonie, een negentiende-eeuws verschijnsel dat zich vanuit Barbizon bij Parijs over heel Europa verspreidde. Deze kunstenaarsoorden speelden een grote rol in de toenmalige avant-garde van realisten en impressionisten. De kunstenaars verzetten zich tegen de ouderwetse historieschilderkunst en streefden naar de weergave van het ‘natuurlijke’ licht. In Nunspeet en Elspeet vormde zich ook een kunstenaarsgroep. Tussen 1890 en 1950 werkten er zo’n tweehonderd beeldende kunstenaars in deze regio.

Arthur Briët zou tot zijn dood in 1939 in Nunspeet wonen, aan de rand van de Zoom. Kenners beschouwen hem tegenwoordig als een van de meest vooraanstaande representanten van het kunstenaarsdorp.

Meisje met geit in graanveld - Arthur Briët (Collectie Westfries Museum)Meisje met geit in graanveld – Arthur Briët (Collectie Westfries Museum)

‘Het binnenuis’

In Nunspeet legde Briët zich met name toe op het vastleggen van ‘het binnenshuis’. Het Noord-Veluws Museum:

“De leefwereld van de arme mensen aan de rand van het dorp, de Zoom, is in die tijd aan het verdwijnen door de opkomende industrialisatie en ontginning. Een proeve van die bijna verloren tijd wil de gegoede burger wel aan de muur hangen.”

Schildershut van Arthur Briët in Nunspeet (via Noord-Veluws Museum)Schildershut van Arthur Briët in Nunspeet (via Noord-Veluws Museum)

Briët maakte al snel naam als meester in dit genre.

“Hij behandelt het interieur en de figuur met evenveel aandacht. Een vrouw doet een karweitje, een kind kijkt toe, een kip scharrelt rond: het zijn alledaagse kalme tafereeltjes die een staat van ‘zijn’ tonen waaraan de hedendaagse mens zich kan spiegelen.”

De kunstenaar woonde zelf aan de rand van de Zoom. Om zelf de regie te houden over de opstelling voor een schilderij richtte Briët een ‘schildershut’ op in zijn tuin, een replica van zo’n boerenvertrek. Later kocht hij zo’n huisje en verplaatste het naar zijn tuin.

In Nunspeet zijn niet alleen ‘binnenhuizen’ maar ook verschillende Veluwse landschappen te zien. Zoals meer kunstenaars uit de omgeving schilderde hij die deels ‘en plein air’. In de buitenlucht dus. Met zijn werk Gezicht op Elspeet in de sneeuw won hij in 1901 een kunstmedaille in Berlijn.

Gezicht op Elspeet in de sneeuw - Arthur Briët (Foto Historiek)Gezicht op Elspeet in de sneeuw – Arthur Briët (Foto Historiek)

Indië

Bijzonder in de tentoonstelling zijn ook verschillende werken die Briët in Nederlands-Indië maakte. Hij reisde in 1921 naar zijn geboorteland en bracht er onder meer het tropische buitenleven in beeld.

Werk van de kunstenaar bevindt zich tegenwoordig onder meer in de collecties van instellingen als het Gemeentemuseum in Den Haag, Drents Museum in Assen, Singer Laren en het Stedelijk Museum in Amsterdam. Veel van deze musea verleenden hun medewerking aan de tentoonstelling waardoor men in Nunspeet een vrij compleet beeld van de kunstenaar krijgt. Naast schilderijen en tekeningen zijn ook de schildersezel en het vermoedelijke palet van de kunstenaar te zien.

Rembrandt?

Portret van een man - Arthur Briët (via Noord-Veluws Museum)Portret van een man – Arthur Briët (via Noord-Veluws Museum)De bijnaam ‘Rembrandt van de Veluwe’ is handig door de makers van de tentoonstelling bedacht. Men sluit daarbij mooi aan bij het Rembrandt-jaar. Het museum vindt de titel passend aangezien Briët net als Rembrandt werkte met een sterk licht-donker contrast.

“Die speciale techniek is een belangrijk kenmerk van de stijl van Rembrandt, ‘clair-obscur’ genoemd, die weer geïnspireerd was door de bekende Italiaanse schilder Caravaggio. Ook in de hantering van zijn penselen is te zien dat hij veel had geleerd van Rembrandt. Briët combineert net zoals de grote meester zowel een naturalistische en impressionistische penseelstreek.”

Of de link met Rembrandt van Rijn terecht is, kunt u het beste zelf beoordelen. De tentoonstelling is in ieder geval meer dan de moeite waard.

Boek: Arthur Briët – Rembrandt van de Veluwe

Naar aanleiding van de tentoonstelling (23 maart t/m 29 september 2019) schreef Williëtte Wolters-Groeneveld een

monografie over Arthur Briët

.

Bron

Vorstengraf in Oss (700 v.Chr.)

Rond de zevende eeuw voor Christus (vroege ijzertijd) stierf in de buurt van het huidige Oss een belangrijk man. Dat is althans wat af te leiden is uit de objecten die hij als grafgiften meekreeg. In het zogeheten vorstengraf van Oss vonden archeologen naast crematieresten onder meer een groot kromgetrokken zwaard, delen van een paardentuig en een ijzeren mes.

Zwaard van de vorst van Oss, Vorstengrafzwaard (Foto: Museum Jan Cunen - RMO)Zwaard van de vorst van Oss, Vorstengrafzwaard (Foto: Museum Jan Cunen – RMO)Zoals gebruikelijk in deze tijd werd ‘de vorst van Oss’ na zijn dood gecremeerd, samen met verschillende van zijn bezittingen. De resten werden hierna in een bronzen emmer gestopt, een zogeheten situla. Deze is vermoedelijk afkomstig uit Oostelijk Alpengebied. De inhoud van de emmer is na de crematie, samen met een opgekruld met goud versierd Middelheim-zwaard, mes en een paardentuig, onder een heuvel begraven. Een dergelijk grafgebruik is afgeleid van de Midden-Europese Hallstattcultuur. In Duitsland zijn veel meer van dergelijke vorstengraven gevonden; voor Nederland is het vorstengraf in Oss vrij uniek.

De vorst van Oss was rijk en de vraag is hoe hij die rijkdom heeft weten te verwerven. In de loop der tijd zijn hier verschillende verklaringen voor aangevoerd. Zo is wel eens beweerd dat de nieuwe elite die in deze tijd rond Oss ontstond, de controle had over de zouthandel. Die handel ontwikkelde zich echter pas een paar honderd jaar later op grote schaal. Mogelijk vergaarde de vorst rijkdom met slaventransport of door controle over de veehandel, maar ook dat is speculeren.

Wie was de vorst van Oss?

Hoewel de vorst van Oss werd gecremeerd, zijn er toch botresten bewaard gebleven in de situla. Archeologen zijn erin geslaagd op basis van die fragmenten meer te weten te komen over de man. Evert van Ginkel en Leo Verhart schrijven daarover in hun boek Onder onze voeten:

“Uit de bewaarde botresten was af te leiden dat het om een man ging in de leeftijdscategorie van veertig tot zestig jaar. Het meest interessant waren enkele relatief goed bewaarde rugwervels die met elkaar vergroeid bleken te zijn. Dit is het gevolg van een ziekte die bekend staat als DISH (Diffuse Idiopathische Hyperostose), een reumatische aandoening waarbij te veel bot wordt aangemaakt, met name in de wervelkolom.”

Met name in de Middeleeuwen was die ziekte, ook wel bekend als de ziekte van Forestier, relatief veelvoorkomend. Vooral geestelijken leden eraan, waarschijnlijk als gevolg van te weinig lichaamsbeweging. Vandaag de dag wordt DISH wel eens beschouwd als een welvaartsziekte die vooral ontstaat door overgewicht, suikerziekte en te weinig beweging. Van Ginkel en Verhart:

“Als dat voor de ‘Vorst van Oss’ ook heeft gegolden, dan moet het een dikke man zijn geweest die inderdaad niet erg actief was.”

Vorstengrafzwaard

Het meest opvallende object in de grafemmer is zonder twijfel het kromgetrokken zwaard, dat de macht van de vorst moest uitdrukken. Het zwaard is ingelegd met goud en op het lemmet is een gravering te vinden. Toen het werd gevonden zaten er nog textielresten op. Vermoed wordt daarom dat het zwaard in stof gewikkeld werd en na de crematie met de verbrande botten in de situla is gestopt. Het is een van de oudste ijzeren objecten ooit in Nederland gevonden.

Ontdekking

Het vorstengraf uit Oss werd in 1933 ontdekt tijdens de aanleg van een woonwagenkamp op de Osse Heide. Toen men iets blinkends aantrof, naar later bleek het vorstengrafzwaard, werd het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden ingeschakeld. In bijzijn van een Leidse archeoloog werd de opgraving hierna hervat. De bronzen situla werd hierna met inhoud overgebracht naar Leiden. Daar is de situla met inhoud nog altijd te bewonderen. In 2005 werden in de omgeving van het vorstengraf nog elf grafheuvels opgegraven.

Replica van het vorstengraf bij Oss (Publiek Domein - wiki)Replica van het vorstengraf bij Oss (Publiek Domein – wiki)

Replica

De grafheuvel is begin deze eeuw gedeeltelijk gerestaureerd. Een deel van de omtrek van de heuvel is aangegeven met palen. Een stalen constructie maakt daarnaast de opbouw en inhoud van het graf inzichtelijk.

Op een rotonde in Oss is sinds eind 2018 een metershoge replica van het rondgebogen zwaard te zien, samen met emmer waarin deze gevonden werd. Naar aanleiding van de opening van die rotonde is het originele zwaard, samen met enkele andere objecten uit de urn, twee weken te zien in Museum Jan Cunen in Oss.

Lees ook: Prehistorie – Begrip en periodisering
…en: Het Zwaard van Ommerschans – Ceremonieel zwaard uit de bronstijd
Overzicht van Boeken over archeologie en archeologische opgravingen

Spoorzoeker: ‘Grafheuvels bij Oss’

Deel 2 van de video

Bronnen

-https://www.rmo.nl/museumkennis/

archeologie

-van-nederland/nederland-in-de-

prehistorie

/een-vorstengraf-uit-oss/

-Onder onze voeten – Evert van Ginkel en Leo Verhart (Bert Bakker, 2009) – p. 119-121

-Nederland in de prehistorie – Theo Holleman (Teleac) – p.124

-Nederland van alle tijden – Bas Blokker e.a. (Balans, 2015) p.29

-https://reumanederland.nl/reuma/vormen-van-reuma/forestier-dish-ziekte-van/

Bron

Oorlog om het kerkje op de Ommerschans

De Maatschappij van Weldadigheid wilde de armen ‘opbeuren’ uit de ‘zedelijke verbastering’ waar zij door hun jarenlange armoede in terecht gekomen waren. Zij stichtte van 1818 tot 1825 de koloniën Frederiksoord, Wilhelminaoord, Willemsoord, Ommerschans en

Veenhuizen

. Wil Schackmann schreef over die koloniën van weldadigheid vier boeken:

De proefkolonie

,

De bedelaarskolonie

,

De kinderkolonie

en

De strafkolonie

. Dertien weken lang publiceert hij op deze plek Verhalen uit de koloniën, afkomstig uit die boeken en uit het restmateriaal.

Het kerkje op de Ommerschans

Als het bedelaarsgesticht op de Ommerschans in september 1822 in gebruik wordt genomen, wordt er schoolgehouden in een van de zalen van het gebouw. Maar binnen een jaar is de toeloop van bedelaars zo groot dat die zaal voor bewoning gebruikt moet worden. In mei 1823 komt er nieuwbouw gereed, een multifunctioneel gebouwtje op de zuidwal van de schans. Het dient doordeweeks als school en als ruimte waar catechisatie gegeven wordt, en op zondag is het ‘ten gebruike der gereformeerde en roomsch katholieke gemeente’. Om en om, de katholieken eerst tot half elf, dan de protestanten, dan de katholieken weer tot half drie en dan de protestanten. Zondag 1 februari 1835 loopt dat helemaal fout.

De voorzitter van ‘de Kerkenraad der Protestantsche Gemeente te Ommerschans’, die tevens directeur van het gesticht is, schrijft aan de landelijke leiding van de koloniën dat de gemeente zich die ochtend ‘te 10 1/2 uur, na dat vooraf de bel geluid heeft, naar de kerk heeft begeven’. Maar daar is de katholieke mis nog bezig, en nadat de protestantse bevolking ‘ruim 1/4 uur in koude en guur weder buiten de kerk had gestaan’, keert ze onverrichter zake en heel boos terug naar het gesticht. Volgens de kerkenraad zijn de katholieken tot wel tien minuten voor elf doorgegaan.

‘Ergerlijk toneel’

Dat wordt bestreden door de andere kant. De parochie Sint Vincentius a Paulo, vernoemd naar de heilige die over de armen en zieken waakt, doet het tijdelijk zonder pastoor en wordt waargenomen door een kapelaan als ‘deservitor’, plaatsvervanger. Hij laat de volgende dag weten dat de directie van de schans zich regelmatig ‘hatelijk of onverdraagzaam omtrent de R.K. Godsdienst’ gedraagt. Neem nu het ‘ergerlijk toneel’ van ‘gisteren, zondag den 1 februarij’. Toen liet de directie de klok luiden ‘meer dan twintig minuten vroeger dan half elf uur’.

Het had de kapelaan overvallen. ‘Ik was juist bezig de communie toe te dienen, toen de protestantsche bevolking aanrukte.’ Niet alleen ‘moeste ik de preek overslaan’, maar de ‘dienst der misse was nog in geenen deelen ten einde’. Hij beschouwt het als zijn plicht om, dan maar zonder preek, de dienst af te raffelen, en toen hij dat gedaan had, ‘was het nog tien minuten voor half elf uur’.

Als hij merkt dat de protestanten dan alweer weggegaan zijn, is hij eerst verbaasd en dan verontrust. Hij maakt zich zorgen hoe door zo’n gebeurtenis ‘de gemoederen der Protestanten en Roomsch Katholijken tegen elkanderen verbitterd moeten worden’. Hij vreest ‘onderlinge verwijdering’ en een einde aan de ‘verdraagzamheid, welke alhier onder de bevolking geheerscht heeft’ en hij vraagt de leiding te zorgen dat zo’n ‘ergerlijk, hatelijk en schandalig voorval’ niet meer plaatsvindt.

De hakken in het zand

Boeken van Wil Schackmann over de Koloniën van WeldadigheidBoeken van Wil Schackmann over de Koloniën van WeldadigheidBeide versies liggen dan bij de landelijke leiding, die allicht iets zou kunnen verzinnen om het met een sisser af te laten lopen. Bijvoorbeeld iedereen een horloge geven. Maar de directeur vindt het nodig om een paar dagen later een briefje aan de kapelaan te schrijven waarin hij in venijnige bewoordingen zijn kijk op de kwestie uiteenzet. Dat leidt bij de kapelaan tot een driftcollaps.

De beschuldiging ‘dat ik vorigen zondag de godsdienstoefening te laat heb laten uitgaan’, noemt hij een aantijging ‘welke niet gering mag beschouwd worden’ en waarover hij ‘zeer beleedigd’ is en die hij verlangt ‘bewezen te hebben’. Zolang die bewijzen er niet zijn beschouwt hij de directeur als ‘eene laaghartige ziel en lasteraar’. Om tot slot in juridische termen te dreigen met gerechtelijke stappen.

Nu is het oorlog op de schans. Dit komt niet meer goed. De kapelaan laat de landelijke ‘Directeur Generaal voor de zaken van de Roomsch Katholijke Eeredienst’ weten hoe verschrikkelijk er hier met katholieken wordt omgegaan. Die directeur-generaal schrijft een beschuldigende brief aan de landelijke leiding en die – allemaal protestanten – reageert dat het uitsluitend de schuld van de kapelaan is. De gezindten hebben de hakken in het zand gezet. En daarom zullen we nooit te weten komen of die zondag in februari de protestanten te vroeg kwamen of de katholieken te laat ophielden.

~ Wil Schackmann

Reeks: Verhalen uit de Koloniën van Weldadigheid
Overzicht van boeken van Wil Schackmann

Bron

Terpen en Wierdenland – Het Noord-Nederlandse kustgebied

Misschien is het lege landschap van Noord-Nederland wel op zijn mooist, nu er half december even sneeuw ligt op de winterse akkers. Hier aan ’s lands einde bepalen zo’n 500 wierden (Groningen) en terpen (Friesland) op veel plekken nog steeds het beeld. Nog in de vroege negentiende eeuw dachten velen dat dit landschap van nature heuvelachtig was … later in de eeuw groeven arbeiders honderden terpen en wierden af omdat de vruchtbare grond stevige prijzen kon opbrengen.

Terpen en WierdenlandTerpen en WierdenlandNaar schatting ging in Friesland 73% van de terpen verloren en in Groningen 46%. Maar de spade opende ook de aarden archieven van dit ooit rijke en welvarende gebied, zoals de invloedrijke Friese jurist/historicus Pieter Boeles rond 1930 zou schrijven. Talloze vondsten boden inzicht in deze welvarende nederzettinkjes die hier ver voor de jaartelling ontstaan waren. De beroemde opgravingen van Albert van Giffen zouden het wierdendorp Ezinge beroemd maken: hier lag dus het Pompeï van het Noorden, het Groningse Ilion, om het maar es op ronkende toon te zeggen. Dat rijke verleden is terug te vinden in heel veel lokale musea. Maar herbergt de geschiedenis van terpen en wierden ook nog een les voor de toekomst?

In het prachtig vormgegeven boek ‘Terpen- en Wierdenland’ neemt schrijver, journalist en historicus Erik Betten een lange aanloop om die vraag te beantwoorden. Hij onderscheidt in de geschiedenis van dit gebied een viertal wendingen, namelijk een eerste wending naar de zee toe, vanaf ongeveer 600 voor Christus; een tweede wending, dit keer van de zee af, toen de bewoners vanaf pakweg het jaar 1000 dijken gingen aanleggen; in de negentiende eeuw legden de overheden (de derde wending) nog meer nadruk op beheersing van het water; een vierde wending ziet Betten in prille pogingen om net als in de tijd van de terpenbouwers minder tegen maar meer mét de zee en de stijgende waterspiegel te leven. Kortom, wat heeft zich hier allemaal afgespeeld?

Wendingen

De eerste pioniers vestigden zich op de kwelderwallen dicht aan zee of aan de oeverwallen van rivieren als Eems, Fivel, Hunze, Riet, Lauwers en Boorne. De gevaren vielen mee, aldus Betten, want bij hoogwater overstroomden die kwelders zelden. Het water kon immers alle kanten op. Vuistregel was dat de kwelder die…

“…minder dan 50 keer per jaar onder water stond, bruikbaar was voor menselijk gebruik.”

Pas na de bouw van de eerste dijken zouden stormvloeden de kracht ontwikkelen om na een dijkdoorbraak ravages aan te richten.

De tweede wending had met de bedijking te maken. Dijken waren nodig ter bescherming van akkers tegen het steeds opdringerige water. Boeren trokken de uitgestrekte ‘wolden’ (lees: moerassige, onbewoonde wildernissen of venen) in het achterland in. De ontginningen zouden eeuwen duren en uiteindelijk vruchtbare landbouwgebieden opleveren. Maar eerst leidden ze tot rampen. Wat gebeurde er? In die ‘wolden’ en ‘wouden’ leidde het graaf- en spitwerk inclusief de talrijke sloten tot een enorme daling van het maaiveld. Dat maakte afvoer van rivierwater naar zee steeds moeilijker. Terwijl de wolden eerder veel hoger hadden gelegen dan de kust, was het nu andersom: het land slibde aan de kust op, terwijl het ontwaterde veen in het achterland als een plumpudding in elkaar zakte. De gevolgen laten zich raden: stormen en hoog water veroorzaakten rampen, zoals valt na te lezen in de magnifieke twaalfde- en dertiende-eeuwse kronieken uit de kloosters te Hallum en Wittewierum. Belangrijk rampen waren de Sint Julianavloed van 1164, Allerheiligen van 1170, de Sint Nicolaasvloed van 1196, de Sint Marcellusvloed van 1219, de Allerheiligenvloed van 1275, maar ook de Sint Maartensvloed van 1686 en de kerstvloed van 1717.

De Kerstvloed 1717 op een kaart uit 1720 van de Neurenberger cartograaf J.B, Homann. Volgens hedendaagse deskundigen heeft hij de omvang zwaar overdreven.Kaart van de gevolgen van de Kerstvloed van 1717 – Johann Baptist Homann

Het antwoord op de catastrofes lag in het verplaatsen van dorpen naar drogere gebieden maar ook steeds meer in het bedijken, eerst lokaal, later op grotere schaal. In de dertiende eeuw gaven de kloosters daar leiding aan want Friesland en Groningen erkenden geen grafelijk gezag. Het Friese recht voorzag enigszins in die leemte, maar de abten moesten soms de blaren op hun tong praten om een bovenlokaal antwoord te vinden op de problemen. Wat later zouden zijlen en grietenijen, dat wil zeggen, waterschappen, hun rol deels overnemen.

In de negentiende eeuw viel de derde wending: de zee, rivieren en beken werden een soort variabele in het werk van waterschappen, mechaniserende landbouwers en zich uitbreidende steden. De tijden veranderden. Toen in 1755 een enorme aardbeving en tsunami Lissabon troffen, werd dat ook in Noord-Nederland meteen gevoeld. De Groninger Courant van dinsdag 4 november van dat jaar meldde dat…

‘…op de voorgaande zaterdag bij stil weer plotseling schepen in de Groninger stadshaven tegen de kade gesmeten werden en … elkaars masten geraakt hadden. Bij Garnwerd was in het Reitdiep een schip als het ware van de ene naar de andere kant geworpen en in het Leekstermeer was het water zo hoog gestegen, dat het over het aan de kant staande riet, hetgeen de hoogte van een manslengte heeft, was heen gestoven’.

Pas een maand later werd overigens duidelijk dat de aardbeving in Lissabon de oorzaak was voor alle opschudding.

Die kwetsbaarheid zou dik honderd jaar later sterk afnemen. De afsluiting in 1877 van het Reitdiep, de zeearm die Groningen met zee verbond, zou de stad voortaan onbereikbaar maken voor de grillen van de zee. Dat proces van toenemende controle en beheersing zette in 1969 met de afsluiting van de Lauwerszee door. De Friese studenten die in 1960 in Leeuwarden hadden geroepen…

‘Potdomme, de dyk sil er komme’

…hadden hun zin gekregen, de vissers in Zoutkamp hadden een kater.

Zodenhuis in Firdgum - Rijksuniversiteit GroningenZodenhuis in Firdgum – Rijksuniversiteit Groningen

Ecobouw

Intussen doet zich een vierde wending voor, schrijft Betten, de wending naar zee toe. Wat te doen bij extreme neerslag en hogere zeespiegels? Kan dit kustgebied opnieuw pionier zijn in de omgang met de zee? Het antwoord op die vragen op basis van een aantal kleinschalige projecten in het kustgebied is nog niet al te overtuigend, maar geeft misschien wel een richting aan. Het zodenhuis van Firdgum biedt inzichten in ‘archeologisch geïnspireerde ecobouw’…; bij Hallum wordt buitendijks geëxperimenteerd met kwelderakkers en zilte teelt. De net opgerichte Franeker Academie gaat er onderzoek naar doen. In het Friese kustplaatsje Holwerd droomt een aantal dorpelingen over ‘Holwerd aan zee’ waarvoor de zeedijk moet plaatsmaken voor een stormvloedkering of schutsluis. Daarmee zou ‘werelderfgoed de Waddenzee’ weer ontsloten kunnen worden en Holwerd een plek veroveren op de toeristische kaart. Zo zijn er meer kleinschalige ideeën en initiatieven die gericht zijn op een ander leven met en bij de zee. Maar de ‘vierde wending’ moet toch nog wel wat meer momentum krijgen om echt te overtuigen.

Kijkboek

Wie minder zin heeft aan een boek over experimenten met en bij de zee moet zich van bovenstaande wendingen niet al te veel aantrekken want dit is ook gewoon een mooi boek over de oude geschiedenis van terpen en wierden, dat de kijkers en lezers nu al dit gebied in wil trekken. Mooie kaartjes geven aan hoe de kustlijn in de loop van een paar duizend eeuwen veranderde. Prachtige luchtfoto’s, plaatjes van liefelijke terpdorpjes en kleinschalig toerisme … lokken om eens te gaan kijken naar dit onbekende gebied met zijn historische schatten. Voor wie meer houdt van nog onopgeloste raadsels heeft dit kustgebied ook van alles te bieden. Ik noem er twee:

In sommige wierde- en terphuizen vonden de archeologen botfragmenten, waaruit zij afleiden dat dat de bewoners aan voorouderverering deden. Spectaculair was de vondst in het Groningse Englum waar archeologe Annet Nieuwhof een aantal menselijke schedels ontdekte met sporen van vraat door dieren. Werden de doden rond het jaar nul – grafvelden uit deze periode zijn nauwelijks teruggevonden – aan de elementen blootgesteld?

Een ander klassiek vraagstuk is het bijna spoorloos verdwijnen van de oorspronkelijke bewoners van de kust. Er zou archeologisch gezien sprake zijn van een ‘lege vierde eeuw’, vooral in het huidige Friesland en in iets mindere mate op de Groningse klei. Na een kleine eeuw zonder bewoning zouden de terpen en wierden vanuit het Oosten weer bevolkt zijn geraakt. De nieuwe bewoners waren anders, kenden ander aardewerk en andere begrafenisrituelen, bouwden andere huizen en droegen andere mantelspelden. De dominante Franken van de zesde en zevende eeuw noemden hen opnieuw ‘Friezen’, maar waren ze dat ook? En waarom lieten de nieuwkomers, die vermoedelijk eerder aan de Angelen en Saksen verwant waren, zich dat aanleunen? En waar zijn trouwens die oude Friezen van voor het jaar 300 gebleven? Gingen ze op in de volksverhuizingen?

Waddenzee - Zonsondergang bij Wierum (CC BY-SA 3.0 - Uberprutser - wiki)Waddenzee – Zonsondergang bij Wierum (CC BY-SA 3.0 – Uberprutser – wiki)

Rand

Kortom, een mooi boek om een bezoek voor te bereiden aan het hoge Noorden van ons land. Een beetje aandacht kan de regio goed gebruiken, want er zijn ook veel problemen die met één woord samen te vatten zijn: krimp. Dit ooit zo dichtbevolkte gebied is al eeuwenlang emigratiegebied, de kruidenier is allang vertrokken, in veel dorpen is het gemoedelijk maar is de welvaart achter gebleven. Dit kustgebied is ook steeds meer rand van Nederland geworden waar de wegen doodlopen op de Waddenzee en de jeugd wegtrekt. Ook zonder aardbevingen zou dit noordelijkste stukje Nederland miljarden nodig hebben om leefbaar te blijven.

~ Joost Eskes

Boek: Terpen en Wierdenland – Erik Betten

Bestel dit boek bij:

Bron

Daar kraait geen haan naar

De uitdrukking ‘daar kraait geen haan naar’ gebruiken we om aan te geven dat niemand enige aandacht zal schenken aan een bepaalde gebeurtenis. Waar komt deze uitdrukking eigenlijk vandaan?

Verloochening van Petrus - Jan van de Venne (Publiek Domein - wiki)Verloochening van Petrus – Jan van de Venne (Publiek Domein – wiki)Mensen met een beetje Bijbelkennis zullen bij de uitdrukking ‘daar kraait geen haan naar’ vermoedelijk denken aan gebeurtenis die in het evangelie van Matteüs wordt beschreven. De apostel Mattheüs zegt dan, nadat Jezus heeft aangekondigd dat hij door iedereen verlaten zal worden, dat hij zijn meester nooit zal afvallen. Jezus antwoordt dan:

“Voorwaar, Ik zeg u, dat gij in dezen zelfden nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.” Mattheüs 26:34 – online-bijbel.nl

Enkele uren later, als Jezus inmiddels gevangen genomen is, komt de voorspelling uit. Bang om ook opgepakt te worden beweert Petrus drie keer dat hij Jezus niet kent en helemaal niets met hem te maken heeft. Dan kraait er een haan en herinnert Petrus zich de woorden van Jezus.

“En Petrus werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitterlijk. Mattheüs 26:75 – online-bijbel.nl

Oud volksgeloof

Of de uitdrukking ‘daar kraait geen haan naar’ inderdaad is afgeleid van deze geschiedenis, staat niet vast. Mogelijk is er ook een verband met een oud volksgeloof waarbij een haan door te kraaien een moordenaar aanwees als er geen getuigen waren. Als er dan een misdaad in stilte was gepleegd zonder dat er getuigen waren, zei men wel eens:

“Daar zal geen haan naar kraaien.”

Ook interessant: Petrus: discipel van Jezus en christelijk apostel
Overzicht van Historische uitdrukkingen, spreekwoorden en scheldwoorden

Bronnen

-https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_0755.php#569
-Nederlands Bijbelgenootschap – Facebook

Bron

‘Wetenschap is pas af als ze is gecommuniceerd’

Afgelopen vrijdag was aan de Vrije Universiteit het Romeinensymposium. Jona Lendering was daar een van de sprekers. Op Historiek publiceren we de tekst van zijn lezing. Lendering pleit hierin voor betere wetenschapsvoorlichting, één die niet de zender maar de informatiebehoefte van de ontvangers als uitgangspunt neemt.

Veel geschreeuw en weinig wetenschap

Het is als met de kruipolie die maakt dat een machine soepel draait: alles gaat beter als de informatie waarop we ons baseren accuraat is. Onderzoekers speuren naar die informatie en is deze eenmaal verworven, dan is het zaak haar zo snel en adequaat mogelijk over te dragen aan zoveel mogelijk mensen. Wetenschap is pas af als ze is gecommuniceerd.

“In de

archeologie

ligt de nadruk vaak op iets dat is opgegraven en nauwelijks op de eigenlijke inzichten. Het gaat dus wel over vondsten maar niet over archeologie.”

Archeologen werken vanouds samen met musea en doen hun overdracht zo beroerd niet, maar er is verbetering mogelijk. Daarbij is de crux: het gaat om de informatiebehoefte van de ontvangers en niet om wat de zenders toevallig hebben te bieden. Bij zenders kunt u denken aan universiteiten, musea, stichtingen, re-enactors, journalisten, erfgoedhuizen en wat dies meer zij.

Ik denk dat ik over dit onderwerp iets kan zeggen omdat ik al twintig jaar de Oudheid uitleg: op mijn website staan binnenkort precies 4000 pagina’s, ik blog dagelijks, verzorg een nieuwsbrief, schreef boeken, treed op als reisleider en museumgids, organiseer met het RMO “Oog op de Oudheid”, doe journalistiek werk en verzorg cursussen, lezingen en lessen. Deze zomer heb ik gewerkt aan een project om 86.000 Oudheid-foto’s rechtenvrij online te plaatsen; momenteel begeleid ik profielwerkstukken en ook voer ik derde-lijns-gesprekken. En vooral: ik beantwoord veel mail. Denk aan twintig tot dertig vragen per week, duizend per jaar. Het is op deze ervaring dat ik het onderstaande baseer.

Een innovatief project

De limes is extreem innovatief omdat het een omkering is van het Gelderse geschiedbeeld. Dat is gevormd door de Nijmeegse geleerde Gerard Geldenhouwer, die in zijn Historia Batavica (1530; 1541) Nijmegen identificeerde als hoofdstad van de Bataven én aangaf dat “wij” in de Lage Landen afstammen van de Germanen. Ik blogde er al eens over.

Dit is het dominante beeld gebleven: je kunt de Bataafse mythe moeiteloos volgen via de ereboog voor prins Maurits naar Rembrandts “Eedgenootschap van Claudius Civilis” en de Bataafse Republiek, en daarvandaan langs Batavus Droogstoppel tot de Batavus-fietsen. Logisch, want via de afkeer van Latijnse persoonsnamen in middeleeuws Nederland, “Wat Walsch es valsch eyst” en de middelnederlandse literatuur gaat onze culturele identiteit (wat dat ook moge zijn) inderdaad terug op de Germanen. Dankzij de limes-projecten krijgt iemand die zich wil verdiepen in de Nederlandse Oudheid nu echter een omgekeerd beeld, waarin de boeman van weleer centraal staat. Dit is revolutionair.

Deze ommekeer heeft te maken met internationaal erfgoedbeleid en is deels politiek. Er is ook een interne, Nederlandse aanleiding: de in 2006 door de commissie-Van Oostrom opgestelde canon met vijftig vensters. Als je de principes (“rode draden”) uit dat project rustig bekijkt, zou het venster op de Oudheid logischerwijs de stad Nijmegen zijn geweest, maar het werd dus de limes. Omdat in de commissie geen archeoloog of oudhistoricus zat, heb ik Van Oostrom eens opgezocht om te vragen hoe de keuze was gemaakt. Hij antwoordde dat alle commissieleden dit onderwerp hadden gekend en daar zonder werkelijk debat mee hadden ingestemd. Dit is een voorbeeld van het psychologische mechanisme dat bij een vergadering niet over de belangrijkste thema’s wordt gesproken maar over onderwerpen waar iedereen van heeft gehoord.

Weerstand

Innovatie roept weerstand op. Mensen houden er immers niet van vertrouwde zaken op te geven. Zeker in een klimaat van groeiende wetenschapsscepsis is bij een innovatie als de limes een specifieke vorm van voorlichting vereist en daar is ook onderzoek naar gedaan.

Dat onderzoek is onvoldoende bekend. Oudheidkundigen hebben althans weinig gedaan om hun voorlichting te professionaliseren en kiezen vaak voor gemakzuchtige oplossingen: in de archeologie ligt de nadruk vaak op iets dat is opgegraven en nauwelijks op de eigenlijke inzichten. Het gaat dus wel over vondsten maar niet over archeologie. Verder wordt strijk en zet overdreven, zodat we onlangs lazen dat een ring was ontdekt van Pontius Pilatus.

Het vervelende is dat het publiek de overdrijving herkent, sceptisch is geworden en archeologen niet langer gelooft, zelfs als ze de waarheid spreken. Dat gebeurde in de Nijmeegse Aquaductenaffaire en zal zich herhalen zolang we niet professioneler worden.

De omgekeerde volgorde

Ons doel is dat nieuwe inzichten, bijvoorbeeld over de limes, zo snel en adequaat mogelijk terechtkomen bij zoveel mogelijk mensen. Een goed proces zou erop neerkomen dat er (1) een wetenschappelijke publicatie is met dat nieuwe inzicht, (2) een beslissing valt dit inzicht met het publiek te delen, (3) overleg plaatsvindt over de eigenlijke boodschap, (4) doelgroepen worden geïdentificeerd, (5) media bij de doelgroepen worden gezocht, (6) een communicatieplan wordt opgesteld dat (7) wordt uitgevoerd. Tot slot is er een evaluatie.

Bij de limes is het niet volgens dit ideale schema gegaan. Er was al veel gedaan toen het besluit viel de limes te promoten (Commissie-Van Oostrom, daarna werelderfgoedstatus-aanvraag). Hierop volgden meer uitwerkingen, met Hoge Woerd als hoogtepunt, maar ondertussen werd er nauwelijks gesproken over de boodschap en werd onnadenkend de verkeerde doelgroep gekozen (zo meteen meer). Pas vrij laat kwam het Interpretatief Kader, waarvan de opstellers rekening moesten houden met partijen en praktijken die in het ideale schema nooit een rol zouden hebben gespeeld. Dit is de cruciale fout geweest: niet vertrekken bij de informatiebehoefte van het publiek, niet zoeken welke expertise noodzakelijk was, maar uitgaan van het aanbod van partijen die al bekend waren. Mede hierdoor groeide een “tweede trechter” (zo meteen meer). De echte wetenschappelijke synthese is eigenlijk pas zojuist verschenen. We zijn dus begonnen bij stap zeven, eindigen bij stap één en zitten opgezadeld met voldongen feiten.

“Goede informatie is onvindbaar door het herhalen van dezelfde, platte boodschap.”

Dit is verre van ideaal. Nu is ook de ideale situatie onwenselijk, want ze zou betekenen dat de wetenschap de toon zet in het krachtenspel tussen de diverse belanghebbenden. Dat is echter geen open samenleving meer maar een technocratie. Omgekeerd geldt dat niemand erbij is gebaat als nieuwe inzichten niet snel en adequaat terechtkomen bij zoveel mogelijk mensen. De stem van de wetenschap klinkt bij de limes wel érg zacht – en dan bedoel ik zowel de stem van de oudheidkundige disciplines als de stem van de wetenschapscommunicatie.

Doelgroepen en lijnen

Je hoeft geen marktonderzoek te doen om te weten dat er mensen zijn met een oppervlakkige belangstelling en mensen met meer interesse. Het spreekt al even vanzelf dat sommigen de wetenschap vertrouwen en anderen er sceptisch tegenover staan. Dat blijkt ook uit de mails die ik dagelijks beantwoord; die gaan natuurlijk niet allemaal over de limes, maar de doelgroepen zijn ook daar aanwezig en de drie lijnen waarover ik wel vaker schrijf, zijn ook hier relevant.

Wetenschapspositief Wetenschapsnegatief
Hoge informatiebehoefte Tweede lijn Derde lijn
Lage informatiebehoefte Eerste lijn

Het probleem is dat vrijwel alle voorlichting over de limes zich richt op mensen met een lage informatiebehoefte en een positieve houding. Het is een schoolvoorbeeld van de eerste lijn: het vereenvoudigd presenteren van de feiten ofwel het bieden van een kennismaking.

Soms is dat inderdaad genoeg. Ik denk niet dat het verkeerd is kinderen een goed verhaal te vertellen en doe het zelf ook graag. Het probleem is echter dat kinderen over twee maanden hun Romeinenliefde hebben verruild voor een dinosaurussenpassie. Het beklijft niet, terwijl de opzet van de limes-projecten is een nieuwe visie op de Nederlandse Oudheid ingang te doen vinden. Het is beter je pas op kinderen te richten als je volwassenen iets hebt te bieden, want zij vormen de cruciale doelgroep: bij hen immers moet de bewustzijnsverandering zich voltrekken.

Het probleem is nu dat volwassenen al iets denken te weten en dat innovatie dus weerstand oproept. Die zul je moeten wegnemen en daaruit volgt dat je mensen die geïnteresseerd beginnen te raken, méér moet bieden: waarom is de omkering van het Gelderse geschiedbeeld een verbetering? Dat is de tweede lijn: de verdieping die noodzakelijk is om de cruciale doelgroep te overtuigen en scepsis de pas af te snijden. In de woorden van Tussen onderzoek en samenleving, het brave advies dat mag gelden als informele kwaliteitsnorm, is het doorslaggevend dat het wetenschappelijk proces inzichtelijk wordt gemaakt.

Doordat in de limesvoorlichting deze tweede lijn vrijwel geheel achterwege blijft, is het onvermijdelijk dat juist de meer geïnteresseerde mensen sceptisch worden. Ik herken dit in de mail: eigenlijk heb ik elke maand wel contact met iemand die steeds dezelfde informatie over de limes heeft gevonden, nergens de verdieping aantrof die hij zocht (of werd afgescheept met “je moet maar een congres bezoeken”) en heeft geconcludeerd dat het thema intellectuele diepgang ontbeert. Zo iemand keert zich tegen de limes. Ik wees hier al eerder op in mijn stukken “Limes en scepsis” en “Limesmoeheid” en waarschuwde ervoor in een preadvies voor het Interpretatief Kader.

Kanttekening: er zal altijd een groep blijven die ook na uitleg van het wetenschappelijk proces niet overtuigd worden wil. Dan speelt bijna altijd een bezorgdheid een rol. Ik heb weleens te maken gehad met iemand die waarde hechtte aan het kwakhistorische idee dat de weg op de Peutingerkaart loopt naar Antwerpen, omdat zijn huis stond bij een beschermde limes-locatie. Voor hem gold: liever pseudowetenschap dan een wetenschap die dreigt mijn huis onverkoopbaar te maken.

Voor zulke situaties is er de derde lijn: een persoonlijk gesprek waarin je een scheiding aanbrengt tussen de bezorgdheid en het wetenschappelijke probleem. Omdat de limes nauwelijks een tweede lijn kent, is onvermijdelijk dat weer een relletje zal ontstaan à la Nijmeegse Aquaductenaffaire en dat de limes-organisaties dan niet zijn voorbereid op de derde-lijns-gesprekken.

Samenvattend: doordat de limes-voorlichting niet is ontstaan door first things first te doen, is onnadenkend de verkeerde doelgroep gekozen. We moeten ons echter niet slechts richten op mensen met een lage informatiebehoefte, maar ook op mensen met een hoge behoefte. Zo behouden we de geïnteresseerden voor de goede zaak. Momenteel tonen we een limes die intellectueel geen diepgang heeft en verjagen we de cruciale doelgroep.

De Romeinse limes op vici.orgDe Romeinse limes op vici.org

Junk news en aanverwante problemen

Je hebt fake news en junk news. De eerste categorie is het bekendst: onjuiste informatie, niet per se moedwillig verspreid, zoals de opmerking eerder dit jaar in De Volkskrant dat er in Nederland geen Romeinse ruïnes zichtbaar zijn. Het waren niet alleen Heerlenaren die zich ergerden.

Ergerlijk als fake news is, is het minder problematisch dan junk news. Dat is een platte boodschap die zó vaak wordt herhaald dat mensen de echte informatie niet meer vinden kunnen. Bad information drives out good. Dit is hét centrale probleem voor de limes: waar je ook zoekt, je vindt steeds dezelfde flauwe informatie en het echte verhaal is onvindbaar. We bieden veel geschreeuw en tonen weinig wetenschap.

De onvindbaarheid van de juiste informatie wordt versterkt door de “tweede trechter”. Een trechter is een metafoor om aan te geven hoe je mensen naar inzicht brengt: je trekt eerst hun aandacht en leidt ze steeds verder naar de eigenlijke informatie. Je kunt ook de metafoor gebruiken van een ladder waarlangs je opklimt richting wetenschap.

Vanouds hebben we bladen als Archeologie Magazine en Hermeneus, de Week van de Klassieken, voortreffelijke musea en lesprogramma’s voor de scholen. Perfect is het niet, maar de mensen weten de weg naar deze informatie te vinden en de betrokkenen kunnen hun positie benoemen in het grote gebouw der humaniora. Ze kunnen duidelijk maken waarom de geesteswetenschappen maatschappelijk belangrijk zijn, waarom een vakopleiding nut heeft en welke betekenis archeologie heeft voor onze cultuur.

De limes-organisaties hebben deze structuur grotendeels genegeerd: naast de Week van de Klassieken is er een Romeinenweek gekomen. Je kon nog beweren dat de eerste ging over de Oudheid en de tweede over de Nederlandse Oudheid, maar volgend jaar is het thema “de vrouw”, waarbij dit onderscheid onmogelijk is. Het thema valt immers alleen te behandelen door de gegevens te halen uit Italië. Dan heb je twee keer hetzelfde evenement.

(Tussen haakjes wijs ik erop dat we hier een voorbeeld hebben van eclecticisme: je kunt een vraag niet beantwoorden, haalt informatie dus van elders en neemt maar aan dat wat daar en toen gold, ook voor jouw regio en tijdperk geldt. Als het doel is een zo breed mogelijk publiek zo snel mogelijk te voorzien van adequate informatie, is dat laatste mislukt. Het zal worden herkend en het zal de scepsis verder versterken.)

Andere voorbeelden van verdubbeling: online hebben we een educatief platform over de limes naast Quamlibet, het platform dat classici en historici al gebruiken. Het zou makkelijker zijn geweest alles op één al vertrouwd punt onder te brengen. Verder herhalen de diverse limes-websites vrijwel allemaal dezelfde informatie – allemaal eerstelijns en nooit Web 2.0. Afhankelijk van wie je vraagt zijn er nu vier of zes limes-fietsroutes. Ze zijn niet identiek maar het kon efficiënter.

Kortom: goede informatie is onvindbaar door het herhalen van dezelfde, platte boodschap. De dubbele trechter maakt het nog verwarrender. Het kan dus efficiënter.

Aanbevelingen

Triest als het is: er zijn voldongen feiten. Die zijn niet allemaal slecht maar er is ruimte voor verbetering. Het moge duidelijk zijn dat ik ervoor pleit dat we naast de eerste lijn een tweede lijn openen, opdat we geïnteresseerden niet langer afstoten. Dat betekent:

  1. Het wetenschappelijk proces moet uitgelegd. Hoe weten we wat we weten? Waartoe dient dat? Wat is het belang van kennis van archeologie, limes, humaniora? Dit uitleggen heeft als voordeel dat je belet dat een olijke staatssecretaris van Cultuur zich afvraagt wat ’ie moet met musea vol opgegraven potten en pannen.
  2. Leg uit waarom de omkering van het Gelderse geschiedbeeld excess empirical content oplevert en een verbetering is. Of misschien moet ik zeggen: excess educational content. Het voordeel is dat je scepsis vóór bent.
  3. Toon hoe de limes, als onderdeel van de geesteswetenschappen, helpt onze eigen denkbeelden te doorgronden. Gebruik de Romeinse noties over de grenzen van het imperium om de betrekkelijkheid van de eigentijdse (op de negentiende eeuw teruggaande) noties over territoriaal begrensde staten te begrijpen.
  4. Overschat je eigen kennis niet want de academische opleidingen zijn sinds de jaren tachtig te kort. Werk dus samen met wetenschapscommunicatoren, classici en historici. Bedenk hierbij dat het grote publiek de academische specialismen niet (h)erkent. (Een archeoloog die spreekt over veenlijken, krijgt te maken met een publiek dat deze vondsten interpreteert met behulp van Tacitus’ Germania en een classicus die spreekt over die tekst, krijgt vragen over het Meisje van Yde.) Het voordeel van samenwerking is dat ook anderen je inzichten verspreiden.
  5. Vermijd junk news en fuseer de trechters. Als de Romeinenweek samengaat met de Week van de Klassieken is het voordeel dat een evenement ontstaat dat er echt toe doet.
  6. Gezond wetenschapscommunicatiebeleid heeft als vertrekpunt de informatiebehoefte van de doelgroepen, niet wat de betrokken partijen toevallig hebben te bieden.

~ Jona Lendering

Jona Lendering is historicus, webmaster van Livius.org en docent bij Livius Onderwijs. Hij publiceerde verschillende boeken. Zie ook zijn blog: mainzerbeobachter.com

Bron

Het boetekleed aantrekken – Herkomst en betekenis

Wie het boetekleed aantrekt, neemt de schuld van een bepaalde gebeurtenis op zich. De uitdrukking verwijst naar een oud religieus gebruik waarbij men met behulp van een kleed boete deed en liet zien dat men een ‘schuldig’ was.

Boetekleed van een christen (CC BY-SA 4.0 - Anupam - wiki)Boetekleed van een christen (CC BY-SA 4.0 – Anupam – wiki)Binnen de katholieke kerk is het boetekleed vooral bekend onder de naam cilicium. Vaak was dit kleed gemaakt van ruw geitenhaar. Hij werd soms als boven, maar ook geregeld als onderkleed gedragen. Het gebruik gaat al zeker terug tot de vierde eeuw. Volgens sommige historici zochten gelovigen toen naar nieuwe manieren om uiting te geven aan de diepte van hun geloof. Kort hiervoor had keizer Constantijn de Grote het christendom aangenomen, waardoor de christenvervolgingen waren gestopt. Met behulp van het boetekleed kon men toch laten zien hoeveel het geloof voor hen betekende en dat men bereid was voor het geloof te lijden. Het boetekleed was namelijk niet erg comfortabel. Zeker wanneer het op de blote huid werd gedragen, zorgde het voor bijvoorbeeld schaafwonden.

Veel gelovigen (waaronder Franciscus van Assisi, Thomas More, Geert Grote en Moeder Teresa) trokken in de loop der eeuwen vrijwillig het boetekleed aan. Vooral dagen als Aswoensdag en Goede Vrijdag leenden zich goed voor het gebruik van het boetekleed.

Keizer Lodewijk de Vrome, een zoon van Karel de Grote, moest in de negende eeuw na een conflict openbaar boete doen. In de kerk van St. Médard van Soissons werd hij gedwongen zijn koninklijk gewaad te verwisselen voor het boetekleed. De aanwezige bisschoppen dreven Lodewijk vervolgens gehuld in het boetekleed de kerk uit.

Spijt

De beruchte Russische tsaar Ivan de Verschrikkelijke kreeg tegen het einde van zijn leven spijt van verschillende van de gruwelijke daden die hij in zijn leven beging. Hij trok daarom geregeld het boetekleed aan. Een afbeelding van zijn boetekleed is boven dit artikel te zien.

De boetekleden of -gordels waren overigens niet altijd gemaakt van (geiten)haar. Er zijn ook metalen varianten bekend.

Overzicht van Historische uitdrukkingen, spreekwoorden en scheldwoorden
Boekenrubriek: Taalgeschiedenis

Video over het boetekleed van Ivan de Verschrikkelijke

Bronnen

-https://www.dbnl.org/tekst/weil004kuns01_01/weil004kuns01_01_0003.php#c0781
-https://www.vandale.nl/gratis-woordenboek/nederlands/betekenis/boetekleed#.XJ3yxrdAq-s
-https://nl.wikipedia.org/wiki/Cilicium
-Macht en gezag in de negende eeuw – Mayke de Jong (p.70)

Bron