Nazipropaganda voor de jeugd

In Hitlers

Duitsland

werd geen propagandamiddel onbeproefd gelaten om de geestdrift onder de jeugd op te stoken. De continuïteit van het

Derde Rijk

hing immers van hen af. Die

propaganda

was succesvol: veel jongeren bleven tot het bittere einde geloven in de heilstaat die de Führer hun jarenlang had voorgehouden. Zelfs als dat ten koste van hun eigen leven ging. In het deze week te verschijnen boek

Hitlers jongste hoop

, staat historicus Gerard Groeneveld stil bij de rol van illustraties voor de jeugd binnen de nazipropaganda. Op Historiek een fragment uit zijn boek, over propagandaplaten op sigarettenpakjes.

Roken voor het rijk

Verzamelen wordt door jongeren vaak als leuk, leerzaam en spannend ervaren. Het trekt een veelzijdige wereld open, waarbij kinderen leren zoeken, snuffelen, ruilen, onderhandelen, selecteren, ordenen, conserveren, samenhang ontdekken en meer. Allemaal bezigheden waarvan de commercie, reclame en marketing al sinds het laatste kwart van de negentiende eeuw handig gebruik wisten te maken. Bijvoorbeeld door massaproducten aan plaatjes te koppelen. Bij aanschaf werd een veelal kleurrijke afbeelding meegeleverd als onderdeel van een serie. Om de diverse interesses van de jeugd aan te spreken, verschenen er series over de meest uiteenlopende thema’s, zoals natuur, geografie, techniek, geschiedenis, religie, sprookjes, theater en film. De verworven plaatjes konden vervolgens in speciaal voor dat doel gedrukte albums worden geplakt. Die aanpak miste zijn doel niet. Geestdriftig sloeg de Duitse jeugd ook tijdens het interbellum aan het verzamelen.

De sigarettenindustrie hielp Hitler graag met het verspreiden van propaganda voor zijn beweging. Dit sigarettenplaatjesalbum, Deutschland erwacht!, was bijzonder succesvol. Kinderen leerden zo op een speelse manier de geschiedenis van de NSDAP kennen.De sigarettenindustrie hielp Hitler graag met het verspreiden van propaganda voor zijn beweging. Dit sigarettenplaatjesalbum, Deutschland erwacht!, was bijzonder succesvol. Kinderen leerden zo op een speelse manier de geschiedenis van de NSDAP kennen.

Sigarettenplaatjes

De tabaksindustrie had een groot aandeel in de verspreiding van die illustraties. Zo’n populair medium als een sigarettenplaatje was precies wat Goebbels nodig had om de Duitse jeugd met zijn propaganda te bereiken. Hij liet er geen gras over groeien. Al snel na de machtsovername sloegen zijn kersverse propagandaministerie en de Duitse tabaksindustrie de handen ineen en voegden aan het arsenaal onderwerpen een nieuw genre toe: het politieke sigarettenplaatjesalbum. De firma Reemtsma liep daarbij voorop. Het werd al snel een ongeëvenaard succes. Veel van de albums behaalden zelfs een oplage van meer dan een miljoen stuks, maar ook van minder succesvolle titels verschenen moeiteloos honderdduizenden exemplaren. De verzamelalbums en de plaatjes droegen zo nadrukkelijk bij aan het collectieve geheugen van de Duitse ‘volksgemeenschap’.

Een pagina uit 'Deutschland erwacht!'Een pagina uit ‘Deutschland erwacht!’Een van de bestsellers die bij de Cigaretten-Bilderdienst Hamburg-Bahrenfeld verscheen, was Deutschland erwacht! Werden, Kampf und Sieg der NSDAP (1933). De tekst was van Wilfrid Bade, aangevuld met stukken van Hitlers adjudant Julius Schaub, rijksjeugdleider Baldur von Schirach en perschef Otto Dietrich. Tekeningen en bandontwerp kwamen van SS-Obersturmführer Felix Albrecht en Hitlers lijffotograaf Heinrich Hoffmann selecteerde de foto’s. Volgens het voorwoord was het boek vooral ter lering bedoeld en moest het de daden van de Nationaalsocialistische Duitse Vrijheidsbeweging tonen, want zonder die geschiedenis waren de Führer en zijn beweging niet echt te begrijpen. Hitlers volksgemeenschap had behoefte aan een nieuwe identiteit en de door de nazi’s herschreven Duitse historie kon die leveren. Op de foto die Hoffmann koos voor het omslag marcheren gehelmde en bepakte SS-mannen met de standaarden van de SA. De spreuk op het doek, ‘Deutschland erwache’, was ontleend aan het gedicht ‘Sturm, Sturm, Sturm’ (‘Wehe dem Volk, das heute noch träumt,/ Deutschland, erwache!’) van Dietrich Eckart, die de eerste nationaalsocialistische dichter werd genoemd en aan wie Hitler het tweede deel van Mein Kampf opdroeg. Eckart werd beschouwd als een ziener, zeker toen zijn oproep met de geboorte van het Derde Rijk werkelijkheid was geworden.

Het album begint met foto’s uit de begintijd van de ‘beweging’, zoals de nationaalsocialisten hun partij graag noemden. Hitler is uiteraard alomtegenwoordig. Verder worden veel marcherende naziformaties met hun vaandels getoond. Aan het eind is een uitklapbare panoramafoto opgenomen van het grootscheepse wijdingsritueel tijdens de laatste dag van de Reichsparteitag des Sieges (1933) in Luitpoldhain. Dit enorme Neurenbergse park was de plek waar de Rijkspartijdagen plaatshadden. Het inwijden van de nazivlaggen, waarbij de bloedvlag van de nazibeweging in contact werd gebracht met de nieuwe vlag of standaard, was een vast ceremonieel onderdeel in het programma. De geschiedenis moest ook wel eens worden bijgesteld. Zo werden de foto’s van SA-chef Ernst Röhm, door Hitler uit weg geruimd tijdens de nacht van de lange messen, in 1934 uiteraard niet meer opgenomen in Deutschland erwacht!

Het is de schone schijn van het Derde Rijk die hier in de etalage staat.

De verspreiding van de propagandaplaatjes via de sigarettenindustrie werkte op twee manieren de integratie van Hitlers beweging in de hand. Ze wonnen de volksgenoten voor de ‘goede zaak’ en bezorgden de firma Reemtsma een nieuw imago. Niet langer werd de tabaksgigant gezien als een volksvijandige ‘grootkapitalist’, maar als een graag geziene supporter van de Nieuwe Orde. Beeld- en tekstregie lagen overigens volledig bij Goebbels’ Reichsministerium für Volksaufklärung und Propaganda. Zo kregen brede lagen van de bevolking voor een gering bedrag een door de propaganda opgepoetst herinneringsalbum in handen.

Was de Führer al nadrukkelijk aanwezig in Deutschland erwacht!, drie jaar later was hij het veelbezongen middelpunt van Adolf Hitler, aus dem Leben des Führers, eveneens door Reemtsma op de markt gebracht.

‘Vandaag kent de wereld hem als schepper van de nationaalsocialistische leer en vormgever van de nationaalsocialistische staat, als baanbreker voor de nieuwe Europese ordening en als wegbereider voor de vrede en welvaart der volkeren’,

Met het album Adolf Hitler, aus dem Leben des Führers kon de jeugd met fraaie foto’s kennisnemen van Duitslands nieuwe leider.Met het album Adolf Hitler, aus dem Leben des Führers kon de jeugd met fraaie foto’s kennisnemen van Duitslands nieuwe leider.…schreef propagandaminister Goebbels in het voorwoord. Nu werd het tijd om de ‘meeslepende en fascinerende verschijning van de mens Adolf Hitler’ te laten zien. Het Duitse volk, vond Goebbels, kreeg zo de gelegenheid de Führer van dichtbij te zien en hem wat meer persoonlijk te leren kennen. Natuurlijk waren dat de zorgvuldig geselecteerde beelden van een Hitler die onvermoeibaar door Duitsland reisde in auto of vliegtuig, als de man van het volk, als vastbesloten en gedreven redenaar en ontspannen in burgerkleding thuis op de Obersalzberg, tussen zijn arbeiders, als kunstenaar, als architect, op de Autobahnen, als bevelhebber van het leger, tussen zijn jeugdige aanhangers en als leider van de nationaalsocialistische beweging. Hitler had vele gezichten, die in dit officiële sigarettenplaatjesalbum zorgvuldig werden opgenomen van ‘grootse eenvoud tot eenvoudige grootheid’.

Een eenvoudige volksgenoot

Een frappant voorbeeld van hoe gewiekst de samenstellers te werk gingen, staat linksonder op pagina 39 van het verzamelalbum. Volgens het onderschrift overhandigt een Pimpf 1 zijn Führer een brief van zijn zieke moeder. Hitler kijkt bezorgd naar de knaap en legt zijn linkerhand troostend op diens schouder. De tekst voert de emotie nog eens op. Met de foto geeft de propaganda het signaal af dat de Führer zich niet ver boven het volk verheft, maar er midden tussen staat en ook voor de eenvoudige volksgenoot benaderbaar is. De Führer is een van ons en voor de kleine Pimpf is Hitler zijn ‘kameraad’, die hem in nood kan helpen. De grote wereld helpt hier de kleine wereld.

Cover uit 'Kampf um’s Dritte Reich'. De meeste politiek getinte sigarettenplaatjesalbums verschenen kort na Hitlers machtsovername. Fabrikant Reemtsma leverde voor dit album ingekleurde plaatjes.Cover uit ‘Kampf um’s Dritte Reich’. De meeste politiek getinte sigarettenplaatjesalbums verschenen kort na Hitlers machtsovername. Fabrikant Reemtsma leverde voor dit album ingekleurde plaatjes.Het is een harmonieuze volksgemeenschap die in dit verzamelalbum wordt getoond. Er zijn geen spanningen, geen geweld, geen klassenverschillen, geen religieuze, politieke of sociale conflicten. Het is de schone schijn van het Derde Rijk die hier in de etalage staat.

Tussen beide plaatjesalbums gaf Reemtsma nog twee albums uit. In 1933 Kampf um’s Dritte Reich. Eine historische Bilderfolge en een jaar later Der Staat der Arbeit und des Friedens. Ein Jahr Regierung Adolf Hitler. De meeste van Hoffmanns foto’s werden voor deze uitgaven ingekleurd. Voor de tekst was Leopold von Schenkendorf, een SA-Sturmführer uit Berlijn verantwoordelijk.

Maar ook andere sigarettenfirma’s profiteerden van de gunstige omstandigheden. De Orientalischen Cigaretten-Compagnie ‘Rosma’ uit Bremen publiceerde in 1934 Männer im Dritten Reich, een biografisch lexicon van de mannen die op dat moment in het Derde Rijk de dienst uitmaakten. In totaal bevatte het album 250 goudomrande, gekleurde portretten. Zigarettenfabrik Kosmos uit Dresden gaf onder de titel Bild-Dokumente unserer Zeit twee verzamelalbums uit, waarvan het tweede speciaal aan de Duitse jeugd was gewijd. Das deutsche Heer im Manöver van de Cigaretten-Bilderdienst Dresden verscheen in 1936, een jaar nadat de Führer de Wehrmacht had opgericht. Het liet vooral zien hoe geweldig het Duitse leger was gemoderniseerd onder Hitlers leiding. Dit verzamelalbum probeerde dat niet via foto’s over te brengen, maar door aquarellen van kunstschilder Erich R. Döbrich, die zich in zijn carrière voornamelijk toelegde op militaire motieven.

Een nieuwe serie!

Hitlers jongste hoop - Gerard GroeneveldHitlers jongste hoop – Gerard GroeneveldDe populariteit van de albumplaatjes drong zelfs door in de Fibel2Zu Hause und in Rheinhof. In de passage ‘Pauls Serienalbum’ roept het jongetje Paul opgewonden:

‘Moeder, ik heb een nieuwe serie, alleen met plaatjes van de Führer, als hij in een vliegtuig vliegt, als hij SA-mannen begroet, als hij een redevoering houdt, hoe een klein meisje hem een bos bloemen geeft, als hij een nieuw vaandel inwijdt en als hij zich in een tuin ophoudt of bij zijn honden. Dit is mijn beste serie.’

~ Gerard Groeneveld
Tekst en beeld

Boek: Hitlers jongste hoop – Nazipropaganda voor de jeugd

Bestel dit boek bij:

Hitlers jongste hoop – Nazipropaganda voor de jeugd wordt donderdag 28 maart gepresenteerd in het Onderwijsmuseum in Dordrecht. Het eerste exemplaar wordt overhandigd aan historicus en publicist Chris van der Heijden.

Noten

1 – Jongste lid van de nazi-jeugdbeweging
2 – Leesboek voor schoolkinderen

Bron

De positivistische misvatting

Wat weten we over de hierboven afgebeelde “dame van Simpelveld”? Je kunt het opsommen. Ze woonde in de buurt van het Zuid-Limburgse Simpelveld, want daar is de sarcofaag gevonden. Ze droeg sieraden, want die zijn in de grafkist aangetroffen. Ze werd gecremeerd, want haar stoffelijke resten lagen daar eveneens in. Dit zijn de harde feiten.

Auguste ComteAuguste Comte

Harde feiten: dat was wat de Franse filosoof Auguste Comte aan het begin van de negentiende eeuw centraal wilde stellen in de menswetenschappen. Die harde feiten moesten dan worden verbonden in de wetmatige verbanden. Hij noemde deze aanpak “positivisme” en zo is het gekomen dat het wetmatige verklaringsmodel waarover ik vorige week schreef wordt aangeduid als “positivistisch”. Ook de nadruk op waarneembare feiten wordt aangeduid met deze uitdrukking. Wat ik opsomde in de eerste alinea zijn dan de positieve feiten over de dame van Simpelveld.

Het lijkt op het eerste gezicht verstandig vooral te kijken naar de concrete feiten, maar er zitten diverse addertjes onder het gras. Eén daarvan is dat niemand van ons ooit een oudhistorisch feit heeft gezien. Het moet worden gededuceerd uit de “neerslag”: de bronnen die erover zijn geschreven, de vondsten, eventueel de wél waarneembare gevolgen. Een feit is dus een reconstructie, wat niet wil zeggen dat je er niet op mag vertrouwen dat, pakweg, Cheops een piramide heeft laten bouwen en dat de Atheners de Perzen hebben verslagen bij Marathon.

Speculeren

Een tweede probleem is dat er meer feiten zijn geweest dan we kunnen reconstrueren. Als ik Romes Germaanse Oorlogen reconstrueer, beschik ik over enkele bronnen: Cassius Dio beschrijft de campagnes van 12, 11, 10 en 9 v.Chr., Velleius Paterculus die van 5, 6 en 10 n.Chr., en Tacitus vermeldt die van 3 v.Chr. en 14, 15 en 16 n.Chr. Pak een willekeurige historische atlas en u ziet die campagnes ook keurig afgebeeld. Lees een boek als Bosman & Lenderings De rand van het Rijk en u leest wat er in de bronnen staat, met een commentaartje erbij. Het probleem is dat er méér moet zijn gebeurd en dat we het niet weten. De fout die Bosman en ik maakten is dat we ons beperkten tot dat wat we (vrij) zeker wisten. Dat staat, met een woord van de Britse archeoloog Anthony Snodgrass, bekend als de positivistische misvatting.

Je zou minimaal ook moeten speculeren over wat niet is overgeleverd: de known unknowns. Een deel daarvan is verantwoord. Ik durf wel voor mijn rekening te nemen dat de nabestaanden van de dame van Simpelveld rijk zijn geweest, want anders kon je zo’n unieke sarcofaag niet laten maken. Ze zal ook wel in een groot landhuis hebben gewoond, waar knechten en slaven het werk deden. Haar kleren zullen niet goedkoop zijn geweest. Afgaande op de normale demografische gegevens zal ze rond haar vijftiende zijn getrouwd met een man van vijfentwintig en had ze zes kinderen, waarvan er drie moeten zijn overleden voor hun moeder.

Deze speculaties zijn verantwoord omdat we de dame van Simpelveld kunnen vergelijken met mensen uit haar eigen tijd en haar eigen omgeving. We hebben echter meer vragen. Een simpel voorbeeld: kon deze vrouw beschikken over haar eigen bezittingen? Nu wordt het lastiger. Wat we denken te weten van het Romeinse Recht is gebaseerd op het Corpus Juris, een verzameling die in de zesde eeuw is aangelegd in het vroege Byzantijnse Rijk. De juristen baseerden zich op een oudere collectie, die was samengesteld in Beiroet, nutrix legum. Die was weer gebaseerd op het recht zoals het in de vroege derde eeuw had gegolden in Italië.

Je kunt zeggen dat het Corpus Juris relevant is voor de Lage Landen omdat het beter is dan niets. Je kunt ook een vergelijking maken: deze tekst benutten voor de dame van Simpelveld is zoiets als uitspraken doen over de juridische status van pakweg Judith Leyster aan de hand van een in 1870 gemaakte samenvatting van het Italiaanse privaatrecht uit de vroege achttiende eeuw. Of om een ander voorbeeld te geven: het is zoiets als een film maken over de Friese vorst Radboud en de lacunes in je kennis te vullen met Vikingsaga’s en Griekse mythen over Amazones. Ik zou geneigd zijn dit niet te beschouwen als speculatie maar als flauwekul.

~ Jona Lendering

Jona Lendering is historicus, webmaster van Livius.org en docent bij Livius Onderwijs. Hij publiceerde verschillende boeken. Zie ook zijn blog: mainzerbeobachter.com

Bron

Nieuwe geschiedenisboeken, verschenen en besproken in week 13 (2019)

Wekelijks verschijnen er nieuwe geschiedenisboeken. Van lijvige studies tot publieksboeken en van naslagwerken tot historische strips. Op Historiek plaatsen we veel voorpublicaties en we bespreken zoveel mogelijk titels, maar alles bespreken is ondoenlijk. Daarom hebben we de rubriek ‘signalementen’. Hier plaatsen we wekelijks een bericht met daarin recent verschenen en besproken titels.

| Signalementen week 14 >>>

Hitlers jongste hoop - Gerard GroeneveldHitlers jongste hoop. Nazipropaganda voor de jeugd

In Hitlers Duitsland werd geen propagandamiddel onbeproefd gelaten om de geestdrift onder de jeugd op te stoken. De continuïteit van het Derde Rijk hing immers van hen af. Die propaganda was succesvol: veel jongeren bleven tot het bittere einde geloven in de heilstaat die de Fu?hrer hun jarenlang had voorgehouden. Zelfs als dat ten koste van hun eigen leven ging.
Voorpublicatie: Nazipropaganda voor de jeugd
Meer informatie / bestellen

Wahibre-em-achet en andere Grieken - Landverhuizers in de OudheidWahibre-em-achet en andere Grieken – Jona Lendering

Historicus Jona Lendering vertelt in ‘Wahibre-em-achet en andere Grieken’, het Themaboekje van de Week van Klassieken 2019, over de tienduizenden migranten in de Oudheid. De Griek Wahibre-em-achet was er daar één van. Als de inscriptie van zijn sarcofaag in het RMO in Leiden niet de namen had vermeld van zijn ouders, Alexikles en Zenodota, zou niets ons hebben doen vermoeden dat hij van Griekse afkomst was. Op hun reizen namen de migranten nieuwe ideeën mee, maar gevaarlijke ziektes werden ook via de reizende massa verspreid.
Fragment: De Oudheid, waarom?
Meer informatie / bestellen

Napoleon Inspiratie voor hedendaags management en leidinggevenNapoleon. Inspiratie voor hedendaags management en …

Zakelijk management is nauw verwant aan politiek en militair leidinggeven. Succes is het resultaat van een sterke strategie, constante evaluatie en de juiste antwoorden hierop: dit vat Napoleon Bonaparte perfect samen. Bovendien is hij voor hedendaagse leiders extra interessant omdat hij op zoveel gebieden actief is geweest: HR, marketing, financieel beleid, operationele leiding, … Napoleon-kenner en communicatieconsultant Johan Op de Beeck vertelt hoe de weergaloze successen – en ook de fouten – van Napoleon meer dan tweehonderd jaar later managers kunnen inspireren.
Bespreking: Managementlessen van Napoleon Bonaparte
Meer informatie (+ video) / bestellen

Provinciale politiekProvinciale politiek. De provincies democratisch getoetst

Maakt het iets uit op welke partij je stemt bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten? Kunnen provinciebesturen wel uitvoering geven aan de wensen van kiezers? Dat zijn cruciale vragen voor wie de democratische kwaliteit van de provincies wil bepalen. Opmerkelijk genoeg is hierover tot nu toe nauwelijks gepubliceerd. Als provincies al aandacht krijgen, dan is het bijvoorbeeld vanwege de vraag of de provinciale bestuurslaag nog moet blijven bestaan tussen gemeenten en Rijk.
Fragment: Een historische schets van het provinciaal bestuur
Bespreking: Blik op een vrijwel onbekende bestuurslaag
Meer informatie / bestellen

Marie AntoinetteMarie Antoinette. Portret van een middelmatige vrouw

Marie Antoinette (1755-1793) was de jongste dochter van keizer Frans I Stefanus en keizerin Maria Theresia van Oostenrijk. Op 19 april 1770, op 14-jarige leeftijd, trouwt ze met de Franse dauphin (kroonprins), Lodewijk XVI Augustus. Stefan Zweig beschrijft wat er gebeurt in de koninklijke slaapkamer, aan het hof en in de extravagante wereld van het lustpaviljoen Trianon. Daarnaast vertelt hij nauwgezet van de gepassioneerde liefde tussen Marie Antoinette en de Zweedse graaf Hans Axel von Fersen, de revolutie, de ontsnapping naar Varennes, de gevangenis in de Conciergerie en Marie Antoinettes tragisch einde onder de guillotine.
Meer informatie / bestellen

De kinderen van PimDe kinderen van Pim – Joost Vullings

Na de moord op Pim Fortuyn in 2002 verloor de lpf, de politieke partij die begin deze eeuw hard op weg was de grootste van Nederland te worden, niet alleen haar naamgever maar ook haar grote blikvanger. Plots stonden alle camera’s gericht op zijn politieke nazaten, zesentwintig lpf-Kamerleden die elkaar nauwelijks kenden. Verweesd, onervaren maar vol bravoure besloten ze het avontuur aan te gaan en mee te gaan regeren. Het bleek het startpunt van een turbulente politieke soap waar hoogoplopende onderlinge ruzies uiteindelijk leidden tot de ondergang van de partij.
Meer informatie / bestellen

Blijf hun namen noemenBlijf hun namen noemen – Simon Stranger

Een ontluisterende familiegeschiedenis in de Tweede Wereldoorlog
Het is 1941. Een doodgewone woning in Trondheim, Noorwegen, wordt in beslag genomen door de nazi’s en omgedoopt tot hoofdkwartier van de gehate Gestapo-agent Henry Oliver Rinnan. Het huis wordt bezet door de Rinnan gang, die in de kelder honderden gevangenen op gruwelijke wijze verhoort, martelt en vermoordt. Vijf jaar na de oorlog, krijgt het huis nieuwe bewoners: een jong, Joods stel met hun kinderen, die opgroeien in dezelfde kamers waarin slechts enkele jaren daarvoor nog gruwelijke taferelen plaatsvonden.
Meer informatie (+ video) / bestellen

RSC Anderlecht: 110 jaar voetbaltraditieRSC Anderlecht: 110 jaar voetbaltraditie

RSC Anderlecht is een begrip in het Belgische en Europese voetbal. De club heeft sinds de stichting in 1908 inderdaad een rijke geschiedenis opgebouwd: ze won tot nog toe 34 landstitels, negen Bekers van België en drie Europese Bekers. En ze leverde tal van spelers af van vaak internationale klasse. Dit boek brengt een up-to-date en geschiedkundig goed onderbouwd overzicht in negen chronologische delen van de clubgeschiedenis, nu in 2018 de club 110 jaar bestaat. Aan de belangrijkste spelers en bestuursleden zijn aparte kaderteksten gewijd.
Meer informatie / bestellen

 Eer tegen eerEer tegen eer – Rolf Hage

Een cultuurhistorische studie van schaking tijdens de Republiek, 1580-1795
De bekendste schaking tijdens de Republiek was die van Catharina van Orliens in 1664. Zij werd 17 maart ’s avonds op hardhandige wijze uit het huis van haar familie in Den Haag ontvoerd door Johan Diederik de Mortaigne. Deze geruchtmakende zaak is een van de 200 casussen uit de periode 1580-1795 die Rolf Hage verzamelde. Tot nu toe onderscheiden historici en juristen schaking in gewelddadige ontvoering en ‘doorgaan’, waarbij de jonge vrouw aan het vertrek meewerkte.
Meer informatie (+ video) / bestellen

Voorbij het geheugen Een familiegeschiedenisVoorbij het geheugen. Een familiegeschiedenis

Wanneer Maria Stepanova op zoek gaat naar de geschiedenis van haar joods-Russische familie stuit ze op dokters, architecten, bibliothecarissen, accountants en ingenieurs die voorbestemd waren om slachtoffer te worden van vervolging en onderdrukking. Gek genoeg overleefde iedereen de verschrikkingen van de twintigste eeuw. Stepanova’s voorouders waren stuk voor stuk onopvallende figuren die in een roerige tijd probeerden een onspectaculair leven te leiden. De zoektocht naar haar familiegeschiedenis zet Stepanova aan het denken. Wie of wat getuigt van mensen en dingen die verdwijnen? Zijn herinneringen aan het verleden eigenlijk wel te bewaren?
Meer informatie / bestellen

Meer geschiedenisboeken:

  • Koopmanszoon Michiel Heusch op Italiëreis – Marijke van der Wal
  • De republiek der vrije geesten – Peter Neumann (+ video)
  • Vergeten verzetshelden. Een onderzoek naar het onderduikershol Anloo
  • ‘Neu Turkestan’ en ‘Handschar’ aan het front – Islamitische soldaten uit de Kaukasus …
  • De aardappelcentrale. Een monumentenman op oorlogspad – Atte Jongstra (+ video)
  • Alberto Giacometti. Een modern avontuur – Sébastien Delot

| Signalementen week 14 >>>

Bron

Ruim honderd Romeinse munten gevonden in beekdal Brabantse Aa

Twee broers hebben in de winter van 2017 ruim honderd Romeinse munten gevonden in het dal van de Brabantse Aa. Dat meldt de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) dat in oktober onderzoek heeft gedaan naar de bijzondere vondst.

Denarii, sestertii en assen

Gebroeders van Schaik in actie. Foto: RCE.Gebroeders van Schaik in actie. Foto: RCE.Wim en Nico van Schaijk vonden de munten in de winter van 2017 op enkele meters afstand van de Aa ter hoogte van Berlicum (gemeente Sint-Michielsgestel). Ze lagen in een zone van 50 bij 50 meter op een locatie waar de bovengrond was afgegraven voor een natuurontwikkelingsproject van waterschap Aa en Maas, ook wel het Dynamisch beekdal de Aa genoemd. Het gaat om vier zilveren denarii en 103 voornamelijk bronzen sestertii en assen.

Voorlopig onderzoek door Dr. Liesbeth Claes (Universiteit Leiden) wijst uit dat de munten geslagen zijn vanaf de regeerperiode van keizer Vespasianus (69 na Chr.) tot aan keizer Marcus Aurelius (180 na Chr.). Daarnaast is er één Republikeinse munt van de muntmeester Calpurnius (90 vr. Chr.) gevonden. Opvallend detail is dat een groot deel van de munten met een dikke korst ijzer bedekt was. Ze zijn afkomstig uit een zandlaag met zeer veel natuurlijke brokken ijzer. Dit wijst er volgens de onderzoekers op dat ze oorspronkelijk in een relatief nat gebied lagen.

Proefsleuf

In oktober heeft de Rijksdienst een proefsleuf gegraven om meer inzicht te krijgen in de oorspronkelijke context van de munten. Belangrijke vragen waar het onderzoek antwoord op moet geven zijn: waar en wanneer de munten precies zijn begraven en vooral waarom. De broers van Schaijk hebben met de metaaldetector geassisteerd en nog twee munten gevonden. In de sleuf is de insnijding van een oudere, inmiddels dichtgeraakte, beekbedding vastgesteld, waarin Romeins aardewerk is gevonden. Waarschijnlijk was hier in de Romeinse tijd al een beek en mogelijk zelfs een voorde. Een voorde is een doorwaadbare plaats van een beek of rivier.

Door de verspreiding van de munten en de relatief grote tijdsperiode van hun afkomst, lijkt het niet om een eenmalige actie te gaan. Het is waarschijnlijker dat de munten gedurende een langere periode in de nattigheid terecht zijn gekomen. Misschien deed men in de Romeinse tijd voor de oversteek een schietgebedje en offerden ze, zodra de overkant veilig bereikt was, een muntje als dank? Maar andere verklaringen zoals verlies of geloof in de goddelijke kracht van de beek worden ook niet uitgesloten.

Voorspellingen

De komende maanden worden de resultaten van het onderzoek verder uitgewerkt. Daarnaast krijgt waterschap Aa en Maas tips over hoe zij de vindplaats het beste kunnen beheren. Het onderzoek maakt volgens de RCE duidelijk hoe belangrijk het is dat vondsten door vrijwilligers en particulieren gemeld worden bij Portible Antiquities of the Netherlands (PAN). Dat is een samenwerkingsproject van de Vrije Universiteit met onder meer de Rijksdienst en NUMIS.

Overzicht van boeken over het Romeinse Rijk

Bron

Een filosofische geschiedenis van de inhaligheid

Een van de grootste menselijke hartstochten is hebzucht. De laatste jaren staat deze menselijke eigenschap volop in de belangstelling. Zo doken de media bovenop de hebzucht in de bankenwereld na de financiële crisis van 2008.

Verbeelding van de hebzucht - Gravure van Jacob Matham, ca. 1587Verbeelding van de hebzucht – Gravure van Jacob Matham, ca. 1587Hebzucht is niet alleen beperkt tot de bankenwereld, zo stelt filosoof Jeroen Linssen in zijn recent verschenen boek Hebzucht. Een filosofische geschiedenis van de inhaligheid (VanTilt, 2019). Linssen, geboren in 1960, is als universitair hoofddocent sociale en politieke filosofie verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Eerder schreef hij onder meer een boek over het gedachtegoed van de geschiedfilosoof Michel Foucault, getiteld Het andere van het heden denken. Filosofie als actualiteitenanalyse bij Michel Foucault (2005).

Een historisch-filosofische speurtocht vanaf de Middeleeuwen tot nu

Sinds midden jaren 1980 doet in de westerse wereld niet alleen de bancaire sector, maar ook de gewone burger volop mee aan de graaicultuur door boven zijn stand te leven. Geld lenen, hoge hypotheken afsluiten: het kan niet op. Waar komt deze hebzucht vandaan? Is hebzucht per definitie slecht, of zitten er ook nuttige aspecten aan deze eigenschap? Geschiedenis en filosofie kunnen helpen om op deze vragen een antwoord te geven en het fenomeen hebzucht in historisch perspectief te plaatsen, aldus Linssen:

“Met een aanleiding in de actualiteit is dit boek dus voornamelijk een historisch-filosofische speurtocht. Ik ga op zoek naar de intellectuele en vooral de filosofische opvattingen over de hebzucht vanaf de elfde eeuw tot nu. Het gaat dus niet over al die lieden die in de voorbije tien eeuwen hun hebzucht hebben botgevierd. Het gaat niet om de geschiedenis van ‘het grote graaien’ zelf. (…) Het is een geschiedenis van het filosofisch denken over hebzucht. Grofweg kan men zeggen dat de filosofische reflecties zich in twee richtingen bewogen. Aan de ene kant probeerde men de hebzucht op religieuze, morele of politieke gronden in te dammen, terwijl men anderzijds, veelal op basis van economische redenen, poogde aan de hebzucht meer ruimte te geven.” (10)

Linssen begint zijn boek in de elfde eeuw, toen de economie in Europa na eeuwenlange neergang weer begon op te krabbelen en de steden opkwamen. Vanaf deze tijd namen handel en bedrijvigheid sterk toe.

Vanaf toen begonnen er ook polemieken over hebzucht. ‘De nieuwe commercie viel slecht bij de middeleeuwse christenheid’, zo stelt Linssen. Theologen als Gregorius de Grote en later Maarten Luther beriepen zich op de Bijbel om hun punt te maken: ‘Jullie kunnen niet God dienen en de Mammon’ (Mattheüs 6:24) en op de notie dat het voor rijken moeilijk is om in de hemel te komen (Lucas 18:24-25).

Maar ook baseerden schrijvers zich op Plato en Aristoteles, die beiden beweerden dat rijkdom geen doel op zich mag zijn. Goederen en geld waren volgens deze Griekse filosofen geen doel op zich, maar middelen om te kunnen leven.

Interessant is de constatering van Linssen dat diverse intellectuelen in de middeleeuwen een verschuiving hebben opgemerkt in kritische aandacht voor de zeven hoofdzonden die in de zesde eeuw door Gregorius de Grote waren benoemd. De kritiek verschoof van hoogmoed (superbia) als grootst mogelijke zonde, naar kritiek op averitia (hebzucht) als grootste der zeven hoofdzonden. Onder meer Johan Huizinga in Herfsttij der Middeleeuwen (1919) en in zijn kielzog historicus Jacques le Goff viel dit op.

Strijd tussen de geldzakken en de geldkisten, Pieter van der Heyden (Publiek Domein - wiki)Strijd tussen de geldzakken en de geldkisten, Pieter van der Heyden (Publiek Domein – wiki)

Adam Smith: interactie tussen hebzucht en hoogmoed

De ‘vader van het liberalisme’ Adam Smith, wiens gedachtegoed over hebzucht in hoofdstuk vier aan bod komt en bepalend was voor het economisch denken in de tijd van de Verlichting (de achttiende eeuw), was er juist een balans tussen het menselijk streven naar hebzucht en menselijke hoogmoed.

In Smiths optiek waren mensen hebzuchtig en streefden ze naar rijkdom om daarmee meer aanzien te krijgen. Hebzucht uit eigenbelang. In deze opvatting is er dus sprake van een wisselwerking tussen hoogmoedig gedrag en de jacht naar meer rijkdom.

Maar bij Smith is dit eigenbelang niet verkeerd. Hij begreep dat mensen een afkeer hadden van hoogmoed en ijdelheid, maar hij beklemtoonde ook de positieve aspecten van eigenbelang en hebzucht:

“Hoe zelfzuchtig de mens ook wordt geacht te zijn, er zijn onweerlegbaar enige principes in zijn natuur die hem belangstelling geven voor de voorspoed van anderen, en hun geluk ook voor hem noodzakelijk doen zijn, ook al ontleent hij daar verder niets aan behalve het genot het te mogen aanzien.” (206)

Hebzucht - Een filosofische geschiedenisHebzucht – Een filosofische geschiedenisHebzucht keurde Smith wel af, maar hij beschouwde deze negatieve variant als de hebzucht die tegen het vrijmarktdenken inging. Eigenbelang keurde hij goed, omdat dit principe economische schade en verlies kan voorkomen.

Slot

Linssen heeft een boeiend en leerzaam boek geschreven, waarin hij het morele, filosofische en politieke denken over hebzucht en eigenbelang goed in kaart brengt. We maken in het boek kennis met alle grote denker op dit gebied. Naast de al genoemde filosofen, theologen en schrijvers, komen tal van anderen aan bod. Het gedachtegoed van Johannes Calvijn, Thomas More (bekend van het boek Utopia), Bernard Mandeville, David Hume of Thomas Hobbes: Linssen blijkt van alle (economische) markten thuis te zijn. Dit boek is dan ook een aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in filosofie en economie.

~ Enne Koops

Boek: Jeroen Linssen – Hebzucht. Een filosofische geschiedenis van de inhaligheid (2019)

Bestel dit boek bij:

Bron

Resten 2000 jaar oude waterput gevonden bij onderzoek Ring Utrecht

Archeologen hebben naast de snelweg A27 bij Houten recent verschillende archeologische vondsten gedaan. Het gaat onder meer om potscherven, Romeinse mantelspelden, munten, een medaillon en een schoenzool. Het meest bijzondere is de vondst van een oude waterput uit de late IJzertijd met daarin een aantal houten planken. Dat meldt Rijkswaterstaat.

De opgraving vond plaats naar aanleiding van de aanpassing van de A27/A12 Ring Utrecht. De gevonden put is zorgvuldig uitgegraven en de planken zijn voorzichtig vervoerd naar het conserveringsatelier van de archeologen. Daar wordt de vondst onderzocht en worden de best geconserveerde planken bewaard voor de toekomst. Een exact jaartal aan het hout en de waterput geven is op dit moment nog niet mogelijk. Archeologen denken dat ze uit de tweede eeuw na Christus dateren.

Mogelijk maakt de Romeinse waterput nog onderdeel uit van de inheems-Romeinse nederzetting ‘Houten-Doornkade’, die in de jaren negentig aan de oostzijde van de A27 is opgegraven.

  • Utrecht
  • Waterputten

Bron

Pieter de Kempeneer (1503- ca.1580)

Pieter de Kempeneer werd in het begin van de zestiende eeuw te Brussel geboren in een kunstminnende familie van tapijtwevers. Als schilder was hij voornamelijk werkzaam in Italië en Spanje waar hij met zijn overwegend religieus geïnspireerde schilderstukken grote faam verwierf onder de naam Pedro de Campagῆa. Een kennismaking met een man die in zijn kunstwerken op meesterlijke wijze religie en geloof een plaats wist te geven binnen de toen heersende tijdsgeest.

Jeugdjaren en opleiding

Kruisiging - Pieter de Kempeneer, Louvre (Publiek Domein - wiki)Kruisiging – Pieter de Kempeneer, Louvre (Publiek Domein – wiki)Pieter’s talent voor de schilderkunst kwam al vroeg tot uiting en onder impuls van zijn vader ging hij al op jeugdige leeftijd in de leer bij Barend van Orley (ca. 1488-1541), één van de meest toonaangevende kunstschilders en ontwerpers van kartons voor wandtapijten uit het Brusselse. Na zijn schildersopleiding bij van Orley reist de Kempeneer naar Italië waar hij kennis maakt met de renaissancestijl van het ‘Cinquecento’. Hij raakt er bevriend met kardinaal Grimani, de zoon van de Doge van Venetië en kunstliefhebber die zijn mecenas en beschermheer wordt. Na de dood van Grimani reist de Kempeneer verder door naar Rome waar hij voor het eerst in aanraking komt met het werk van Rafaël (1483-1520) dat hem in zijn verder oeuvre blijvend zal beïnvloeden.

Verder weten we uit vermeldingen in onder andere het schildershandboek van Francisco Pacheco (1564-1644) en het “Groot Schilderboeck” van de Luikse kunstschilder Gerard de Lairesse (1640-1711) dat hij in 1530 meewerkte aan één van de cartouches op een triomfboog die te Bologna werd opgericht naar aanleiding van Karel V’s keizerskroning door paus Clemens VII. Het is onduidelijk hoelang en waar de Kempeneer daarna nog in Italië verbleef, wel is zeker dat hij zich enige tijd later in het Spaanse Sevilla vestigde en daar zijn naam wijzigde in Pedro de Campaῆa.

De Spaanse periode

De Kempeneer verwierf in Sevilla met zijn religieus getinte schilderstukken die vaak gekenmerkt waren door een expressief kleurenpalet algauw grote naamsbekendheid en richtte er samen met de Spaanse maniëristische kunstschilder Luis de Vargas (1502-1568) een schildersacademie op. Luis de Morales (ca. 1509-1586), bijgenaamd “El Divino” (letterlijk: ‘De godellijke’) omwille van zijn begeestering voor mystieke religieuze schilderwerken, wordt tot één van zijn bekendste leerlingen gerekend.

Verscheidene werken van de Kempeneer uit die periode zijn te bezichtigen in buitenlandse musea zoals onder meer de “Onze-Lieve-Vrouw van de Zeven Smarten” (Musée des Beaux Arts in Besançon), “De graflegging van Christus” (Academia Carrara in het Italiaanse Bergamo), “De bekering van Maria Magdalena” (National Gallery in Londen), “Portret van een vrouw” (Städel Museum Frankfurt am Main), “De kruisiging van Christus” (Musée du Louvre) en “De Zeven Deugden” (Museo Nacional de San Carlos in Mexico-stad).

Kruisafneming - Pieter de Kempeneer, Musée Fabre (Publiek Domein - wiki)Kruisafneming – Pieter de Kempeneer, Musée Fabre (Publiek Domein – wiki)

Zijn meest bekende realisatie, om niet te zeggen zijn ‘magnum opus’, is echter ongetwijfeld het meer dan drie meter hoge altaarstuk dat in een meesterlijk coloriet de kruisafneming van Christus voorstelt en nu in de ‘Sacristia Mayor’ van de kathedraal van Sevilla hangt. Ter parenthesis: in 1882 maakte de bekende beeldhouwer en schilder van historische en religieuze genrestukken, Constantin Meunier (1831-1905), er in opdracht van de Belgische regering een waarheidsgetrouwe copie van voor het Museum van Schone Kunsten van België in Brussel.

Een greep uit zijn verder oeuvre

Sint-Nicolaasretabel, Mezquita van Pieter de Kempeneer (CC BY-SA 3.0 es - Zarateman)Sint-Nicolaasretabel, Mezquita van Pieter de Kempeneer (CC BY-SA 3.0 es – Zarateman)Naast het schilderen op doek was de Kempeneer eveneens actief als retabelschilder. Tot zijn mooiste creaties behoren het Sint-Nicolaasretabel in de Mezquita van Córdoba en een polychroom altaarretabel vervaardigd in samenwerking met Antonio de Alfian (fl. 1539-1587) dat de “De Zuivering van de Heilige Maagd” uitbeeldt en in de “Capilla del Mariscal” van de kathedtaal in Sevilla staat opgesteld.

Laatste levensjaren in Brussel

In het najaar van 1562 keert hij terug naar zijn geboortestad waar hij voor de gerenommeerde tapijtweverij van Frans Ghieteels verschillende kartons schildert voor diens wandtapijten. Hij vervaardigt er onder meer in opdracht van abt François d’Avroult van de Gentse Sint-Pietersabdij de ontwerpen voor een tiendelige tapijtenreeks over het leven van de apostels Petrus en Paulus.

Voor een andere Brusselse tapijtenmanufactuur maakte hij de kartons voor een achtdelige reeks van wandtapijten die de Joodse opstanden verhalen tegen de Romeinse keizers Vespasianus en Titus. De volledige tapijtenreeks is te bekijken in het “Museo degli Arazzi flamminghi” in Marsala.

Aanbidding der Wijzen - Pieter de KempeneerAanbidding der Wijzen – Pieter de KempeneerDe Kempeneer zou tot aan het einde van zijn leven werkzaam blijven in Brussel. Zijn veelzijdig oeuvre maakt dat hij zonder meer kan beschouwd worden als één van de meest getalenteerde en invloedrijkste kunstschilders van zijn tijd.

~ Rudi Schrever
Brusselse stadsgids | Rondleidingen op aanvraag | rudi.schrever@skynet.be

Boekenrubriek: Biografieën van kunstenaars

Bron

Westfriese boeren zorgden in Bronstijd samen voor inrichting landschap

Boeren maakten in de Bronstijd al bewuste keuzes bij de inrichting van hun land en het landschap in West-Friesland, en die keuzes zijn verrassend anders dan gedacht. De mensen woonden in boerendorpjes en vormden een hechte gemeenschap waarin veel werd samengewerkt. Dat concludeert Wouter Roessingh in zijn proefschrift ´Dynamiek in beeld. Onderzoek van Westfriese nederzettingen uit de bronstijd´ dat hij volgende week verdedigt aan de Universiteit Leiden.

In zijn dissertatie worden de onderzoeksgegevens van oude opgravingen samengebracht en de organisatie en de dynamiek van nederzettingen in West-Friesland gedurende de Bronstijd beschreven. Zo ontstaat een beeld van de organisatie van het boeren bestaan destijds.

Het oostelijk deel van West-Friesland was in de Midden- en Late Bronstijd (ca. 1600-800 v.Chr.) een, langdurig bewoond, dichtbevolkt gebied met vele boerendorpjes. Dit in tegenstelling tot wat eerder werd gedacht. Door de uitzonderlijk goede conserveringsomstandigheden in dit voormalig kwelderlandschap is de regio een schatkamer voor overblijfselen uit die tijd. De dorpjes zijn vaak vele generaties lang bewoond en hierdoor is voor archeologen een ‘gestapeld landschap’ bewaard gebleven. In zijn studie ontrafelt Roessingh, archeoloog bij ADC ArcheoProjecten, deze complexe stratigrafie en brengt daarmee een dynamisch cultuurlandschap in kaart.

Inrichting van het landschap

Nieuwe boerderijen werden regelmatig op dezelfde plaats als de voorgangers gebouwd en ook de vele sloten, gegraven om terreinen af te bakenen en het land droog te houden, werden lange tijd onderhouden door samenwerking en afstemming. Dit stabiele landschap wordt op een bepaald moment opgegeven en de functies van terreinen veranderde. Op plaatsen waar eerst boerderijen stonden, werden bijvoorbeeld akkers ingericht. Door de lange bewoningsduur van terreinen en de goede conservering en herkenbaarheid van grondsporen zijn de Westfriese vindplaatsen bij uitstek geschikt om deze dynamiek in beeld te brengen.

~ ADC ArcheoProjecten

De studie: Dynamiek in beeld – Onderzoek van Westfriese nederzettingen uit de bronstijd

Bron

Georgische soldaten in Leusden geïdentificeerd na DNA-match

Door een DNA-match is de identiteit vastgesteld van twee Georgische soldaten op het Sovjet Ereveld in Leusden. Het onderzoek is uitgevoerd door het Nederlands Forensisch Instituut. Het is voor het eerst dat met behulp van DNA onomstotelijk de identiteit van een formeel nog ‘onbekende soldaat’ op het Sovjet Ereveld is vastgesteld.

Pido Tsjoliasjvili (Foto: Stichting Sovjet Ereveld)Pido Tsjoliasjvili (Foto: Stichting Sovjet Ereveld)De Amersfoortse onderzoeker Remco Reiding van de Stichting Sovjet Ereveld over het onderzoek:

“In twee gevallen weten we nu honderd procent zeker wie er in het graf ligt. Het opschrift ‘onbekende soldaat’ kan op hun grafsteen worden vervangen door hun eigen naam.”

Het betreft Pido Tsjoliasjvili en Anton Gviniasjvili. Reiding bezocht namens de stichting deze week Georgië om de twee families persoonlijk het nieuws te kunnen vertellen. In 2016 had Reiding bij mogelijke nabestaanden in Georgië al DNA afgenomen. Reiding bekommert zich al twintig jaar om de 865 soldaten op het Sovjet Ereveld en hun families. Door jarenlang bronnenvergelijk had hij eerder met grote waarschijnlijkheid de namen achterhaald van de vijftien op het Sovjet Ereveld begraven Georgiërs.

De groep was op 20 april 1945 in Beverwijk door de nazi’s gefusilleerd na diefstal van 88 handgranaten. De Georgiërs waren in 1941 aan het Oostfront krijgsgevangen gemaakt door de Duitsers. In 1943 werden ze naar Nederland gebracht om de kust bij Zandvoort en op Texel te verdedigen.

Opening van de graven

Anton Aleksandrovitsj Gviniasjvili (Foto: Stichting Sovjet Ereveld)Anton Aleksandrovitsj Gviniasjvili (Foto: Stichting Sovjet Ereveld)Op Reidings initiatief hebben de betrokken autoriteiten recent ingestemd met het openen van de vijftien graven in Leusden, om DNA van de gevallen Georgische soldaten te kunnen afnemen. De Bergings- en Identificatie Dienst van de Koninklijke Landmacht heeft de klus geklaard. Daartoe moest eerst de aarde boven de houten buiten-kisten worden verwijderd, waarna de zinken binnen-kisten konden worden geopend.

De Georgiërs waren in 1945 nabij hun executieplaats op Fort aan de Sint Aagtendijk begraven. In 1946 waren ze daar geëxhumeerd, in zinken kisten gelegd, en naar Leusden overgebracht. Hierdoor zijn hun stoffelijke overschotten intact gebleven.

De afgelopen jaren is Reiding vaker naar Georgië gereisd om bij mogelijke nabestaanden DNA af te nemen. Het afnemen is voor de nabestaanden een emotionele gebeurtenis. Reiding:

“Families wachten vaak al 75 jaar. Ze willen zo graag weten wat er met hun vader of opa is gebeurd. Door mijn DNA-afname komt het verlossende antwoord wel heel dichtbij. Toch moet ik altijd weer een slag om de arm houden. Het is immers pas een feit bij een honderd procent match.”

Boek: Kind van het ereveld – Remco Reiding

  • DNA
  • Russisch ereveld

Bron

Gevonden: 500 jaar oud skelet met zijn laarzen nog aan

Archeologen hebben in de modder van de rivier de Theems een skelet van ongeveer vijfhonderd jaar oud gevonden. Bijzonder is dat de kniehoge laarzen van de man bewaard zijn gebleven terwijl de rest van de kleding volledig is vergaan.

De ontdekking is gedaan in Bermondsey, in het zuiden van Londen, door archeologen van MOLA Headlind Infrastructure. Het skelet lag met zijn gezicht naar de grond gericht en zijn rechterarm boven het hoofd. Archeologen vermoeden daarom dat de man gevallen is of geduwd werd.

De laarzen van de man (MOLA)De laarzen van de man (MOLA)

Zwaar werk

Gezien het soort laarzen dat bij het skelet zijn gevonden, lijkt het waarschijnlijk dat de man in de haven bij de Theems werkte, mogelijk als dokwerker, zeevaarders of visser. Van zeelieden is bekend dat die in deze periode vaak kniehoge laarzen droegen. Het is niet waarschijnlijk dat de betreffende persoon op de modderige locatie begraven werd met zijn laarzen nog aan. In deze periode was leer namelijk nog zeer waardevol. Na overlijden werden dergelijke laarzen normaal gesproken hergebruikt. Het lijkt daarmee aannemelijker dat de man ter plekke verongelukte, mogelijk tijdens zijn werk.

Uit onderzoek van het skelet blijkt dat de man in de vijftiende of zestiende eeuw moet hebben geleefd en dat hij ongeveer vijfendertig jaar oud werd. Sporen in zijn ruggengraat en heupgewricht wijzen erop dat de man zwaar lichamelijk werk deed.

Boek: Dit is Londen – Leven en dood in een wereldstad

  • Londen

Bron

Arthur Briët (1867-1939) – ‘Rembrandt van de Veluwe’

Bij het Noord-Veluws Museum in Nunspeet noemen ze hem de ‘Rembrandt van de Veluwe’: Arthur Briët. Een kunstenaar die vooral naam maakte in het binnenhuisgenre. Het museum toont momenteel ruim honderd werken van de kunstenaar. Van intieme interieurstukken tot landschappen en van portretten tot sfeerbeelden uit voormalig Nederlands-Indië.

Meisje met lauwerkrans, 1889 - Arthur Briët (Collectie Wiegman)Meisje met lauwerkrans, 1889 – Arthur Briët (Collectie Wiegman)Arthur Briët werd op 25 januari 1867 op Java geboren, als zoon van predikant Paul Fredrik Willem Briët. De predikant overleed een jaar na de geboorte van zijn zoon. Moeder Susanna keerde hierna met de jonge Arthur terug naar Nederland, waar ze zich vestigde in Utrecht en hertrouwde.

Al op jonge leeftijd werd duidelijk dat Arthur Briët goed kon tekenen. Met zijn vriend Théodore van Lelyveld volgde hij lessen model tekenen en in zijn hbs-tijd illustreerde hij een dichtbundel van A.C.W. Staring. Die bundel is in Nunspeet te zien. Met een vriend richtte Briët in deze tijd verder een humoristisch tijdschriftje op waarvoor hij vanzelfsprekend ook veel illustraties maakte.

Kunstacademie

In 1884 meldde Briët zich bij de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen, waar hij onder meer werd onderwezen door Alexandre Struys en Charles Verlat. Kort tijd studeerde hij in Antwerpen ook samen met Vincent van Gogh. De twee woonden dicht bij elkaar en kenden elkaar goed. Briët was echter niet erg gecharmeerd van de stijl Van Gogh’s schilderstijl. Daarin stond hij niet alleen. Van Gogh stierf als een vrij onbekend man en kreeg pas na zijn dood erkenning van het grote publiek. Briët was bij leven al zeer succesvol. Hij exposeerde in Engeland, Sint-Petersburg, Amsterdam en Rome en was ook geliefd in Amerika.

Straatveegster in Antwerpen - Arthur Briët (Foto Historiek)Straatveegster in Antwerpen – Arthur Briët (Foto Historiek)In Antwerpen zocht Arthur Briët zijn modellen graag op straat. Zijn schilderij van een Antwerpse straatveegster wordt beschouwd als een sleutelstuk in zijn oeuvre. Het Noord-Veluws Museum:

“Dit vanwege de aandacht voor het authentieke simpele leven. Zo anders dan geleerd op de Academie, maar wel in lijn met de aanhangers van Barbizon die vernieuwing in de kunst brachten.”

Na zijn vierjarige studie verliet de jonge kunstenaar Antwerpen met een Prix d’Excellence op zak voor een grand tour, waarbij hij onder meer Parijs, Rome, Florence, Venetië en Duitsland aandeed. Vervolgens bezocht Briët ook België. Kunstenaar Alexander Struys inspireerde hem daar om om zich te gaan toeleggen op het schilderen van de binnenhuizen van de minder welgestelden.

Nunspeet

Briët vestigde zich na zijn reizen in Brabant, waar hij zijn vrouw Johanna Sophia Antonia Vorsterman van Oijen leerde kennen. Hierna verkaste hij naar Nunspeet. Deze Veluwse plaats was in die tijd geliefd bij meer kunstenaars. Nunspeet stond bekend als een echte kunstenaarskolonie, een negentiende-eeuws verschijnsel dat zich vanuit Barbizon bij Parijs over heel Europa verspreidde. Deze kunstenaarsoorden speelden een grote rol in de toenmalige avant-garde van realisten en impressionisten. De kunstenaars verzetten zich tegen de ouderwetse historieschilderkunst en streefden naar de weergave van het ‘natuurlijke’ licht. In Nunspeet en Elspeet vormde zich ook een kunstenaarsgroep. Tussen 1890 en 1950 werkten er zo’n tweehonderd beeldende kunstenaars in deze regio.

Arthur Briët zou tot zijn dood in 1939 in Nunspeet wonen, aan de rand van de Zoom. Kenners beschouwen hem tegenwoordig als een van de meest vooraanstaande representanten van het kunstenaarsdorp.

Meisje met geit in graanveld - Arthur Briët (Collectie Westfries Museum)Meisje met geit in graanveld – Arthur Briët (Collectie Westfries Museum)

‘Het binnenuis’

In Nunspeet legde Briët zich met name toe op het vastleggen van ‘het binnenshuis’. Het Noord-Veluws Museum:

“De leefwereld van de arme mensen aan de rand van het dorp, de Zoom, is in die tijd aan het verdwijnen door de opkomende industrialisatie en ontginning. Een proeve van die bijna verloren tijd wil de gegoede burger wel aan de muur hangen.”

Schildershut van Arthur Briët in Nunspeet (via Noord-Veluws Museum)Schildershut van Arthur Briët in Nunspeet (via Noord-Veluws Museum)

Briët maakte al snel naam als meester in dit genre.

“Hij behandelt het interieur en de figuur met evenveel aandacht. Een vrouw doet een karweitje, een kind kijkt toe, een kip scharrelt rond: het zijn alledaagse kalme tafereeltjes die een staat van ‘zijn’ tonen waaraan de hedendaagse mens zich kan spiegelen.”

De kunstenaar woonde zelf aan de rand van de Zoom. Om zelf de regie te houden over de opstelling voor een schilderij richtte Briët een ‘schildershut’ op in zijn tuin, een replica van zo’n boerenvertrek. Later kocht hij zo’n huisje en verplaatste het naar zijn tuin.

In Nunspeet zijn niet alleen ‘binnenhuizen’ maar ook verschillende Veluwse landschappen te zien. Zoals meer kunstenaars uit de omgeving schilderde hij die deels ‘en plein air’. In de buitenlucht dus. Met zijn werk Gezicht op Elspeet in de sneeuw won hij in 1901 een kunstmedaille in Berlijn.

Gezicht op Elspeet in de sneeuw - Arthur Briët (Foto Historiek)Gezicht op Elspeet in de sneeuw – Arthur Briët (Foto Historiek)

Indië

Bijzonder in de tentoonstelling zijn ook verschillende werken die Briët in Nederlands-Indië maakte. Hij reisde in 1921 naar zijn geboorteland en bracht er onder meer het tropische buitenleven in beeld.

Werk van de kunstenaar bevindt zich tegenwoordig onder meer in de collecties van instellingen als het Gemeentemuseum in Den Haag, Drents Museum in Assen, Singer Laren en het Stedelijk Museum in Amsterdam. Veel van deze musea verleenden hun medewerking aan de tentoonstelling waardoor men in Nunspeet een vrij compleet beeld van de kunstenaar krijgt. Naast schilderijen en tekeningen zijn ook de schildersezel en het vermoedelijke palet van de kunstenaar te zien.

Rembrandt?

Portret van een man - Arthur Briët (via Noord-Veluws Museum)Portret van een man – Arthur Briët (via Noord-Veluws Museum)De bijnaam ‘Rembrandt van de Veluwe’ is handig door de makers van de tentoonstelling bedacht. Men sluit daarbij mooi aan bij het Rembrandt-jaar. Het museum vindt de titel passend aangezien Briët net als Rembrandt werkte met een sterk licht-donker contrast.

“Die speciale techniek is een belangrijk kenmerk van de stijl van Rembrandt, ‘clair-obscur’ genoemd, die weer geïnspireerd was door de bekende Italiaanse schilder Caravaggio. Ook in de hantering van zijn penselen is te zien dat hij veel had geleerd van Rembrandt. Briët combineert net zoals de grote meester zowel een naturalistische en impressionistische penseelstreek.”

Of de link met Rembrandt van Rijn terecht is, kunt u het beste zelf beoordelen. De tentoonstelling is in ieder geval meer dan de moeite waard.

Boek: Arthur Briët – Rembrandt van de Veluwe

Naar aanleiding van de tentoonstelling (23 maart t/m 29 september 2019) schreef Williëtte Wolters-Groeneveld een

monografie over Arthur Briët

.

Bron

Vorstengraf in Oss (700 v.Chr.)

Rond de zevende eeuw voor Christus (vroege ijzertijd) stierf in de buurt van het huidige Oss een belangrijk man. Dat is althans wat af te leiden is uit de objecten die hij als grafgiften meekreeg. In het zogeheten vorstengraf van Oss vonden archeologen naast crematieresten onder meer een groot kromgetrokken zwaard, delen van een paardentuig en een ijzeren mes.

Zwaard van de vorst van Oss, Vorstengrafzwaard (Foto: Museum Jan Cunen - RMO)Zwaard van de vorst van Oss, Vorstengrafzwaard (Foto: Museum Jan Cunen – RMO)Zoals gebruikelijk in deze tijd werd ‘de vorst van Oss’ na zijn dood gecremeerd, samen met verschillende van zijn bezittingen. De resten werden hierna in een bronzen emmer gestopt, een zogeheten situla. Deze is vermoedelijk afkomstig uit Oostelijk Alpengebied. De inhoud van de emmer is na de crematie, samen met een opgekruld met goud versierd Middelheim-zwaard, mes en een paardentuig, onder een heuvel begraven. Een dergelijk grafgebruik is afgeleid van de Midden-Europese Hallstattcultuur. In Duitsland zijn veel meer van dergelijke vorstengraven gevonden; voor Nederland is het vorstengraf in Oss vrij uniek.

De vorst van Oss was rijk en de vraag is hoe hij die rijkdom heeft weten te verwerven. In de loop der tijd zijn hier verschillende verklaringen voor aangevoerd. Zo is wel eens beweerd dat de nieuwe elite die in deze tijd rond Oss ontstond, de controle had over de zouthandel. Die handel ontwikkelde zich echter pas een paar honderd jaar later op grote schaal. Mogelijk vergaarde de vorst rijkdom met slaventransport of door controle over de veehandel, maar ook dat is speculeren.

Wie was de vorst van Oss?

Hoewel de vorst van Oss werd gecremeerd, zijn er toch botresten bewaard gebleven in de situla. Archeologen zijn erin geslaagd op basis van die fragmenten meer te weten te komen over de man. Evert van Ginkel en Leo Verhart schrijven daarover in hun boek Onder onze voeten:

“Uit de bewaarde botresten was af te leiden dat het om een man ging in de leeftijdscategorie van veertig tot zestig jaar. Het meest interessant waren enkele relatief goed bewaarde rugwervels die met elkaar vergroeid bleken te zijn. Dit is het gevolg van een ziekte die bekend staat als DISH (Diffuse Idiopathische Hyperostose), een reumatische aandoening waarbij te veel bot wordt aangemaakt, met name in de wervelkolom.”

Met name in de Middeleeuwen was die ziekte, ook wel bekend als de ziekte van Forestier, relatief veelvoorkomend. Vooral geestelijken leden eraan, waarschijnlijk als gevolg van te weinig lichaamsbeweging. Vandaag de dag wordt DISH wel eens beschouwd als een welvaartsziekte die vooral ontstaat door overgewicht, suikerziekte en te weinig beweging. Van Ginkel en Verhart:

“Als dat voor de ‘Vorst van Oss’ ook heeft gegolden, dan moet het een dikke man zijn geweest die inderdaad niet erg actief was.”

Vorstengrafzwaard

Het meest opvallende object in de grafemmer is zonder twijfel het kromgetrokken zwaard, dat de macht van de vorst moest uitdrukken. Het zwaard is ingelegd met goud en op het lemmet is een gravering te vinden. Toen het werd gevonden zaten er nog textielresten op. Vermoed wordt daarom dat het zwaard in stof gewikkeld werd en na de crematie met de verbrande botten in de situla is gestopt. Het is een van de oudste ijzeren objecten ooit in Nederland gevonden.

Ontdekking

Het vorstengraf uit Oss werd in 1933 ontdekt tijdens de aanleg van een woonwagenkamp op de Osse Heide. Toen men iets blinkends aantrof, naar later bleek het vorstengrafzwaard, werd het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden ingeschakeld. In bijzijn van een Leidse archeoloog werd de opgraving hierna hervat. De bronzen situla werd hierna met inhoud overgebracht naar Leiden. Daar is de situla met inhoud nog altijd te bewonderen. In 2005 werden in de omgeving van het vorstengraf nog elf grafheuvels opgegraven.

Replica van het vorstengraf bij Oss (Publiek Domein - wiki)Replica van het vorstengraf bij Oss (Publiek Domein – wiki)

Replica

De grafheuvel is begin deze eeuw gedeeltelijk gerestaureerd. Een deel van de omtrek van de heuvel is aangegeven met palen. Een stalen constructie maakt daarnaast de opbouw en inhoud van het graf inzichtelijk.

Op een rotonde in Oss is sinds eind 2018 een metershoge replica van het rondgebogen zwaard te zien, samen met emmer waarin deze gevonden werd. Naar aanleiding van de opening van die rotonde is het originele zwaard, samen met enkele andere objecten uit de urn, twee weken te zien in Museum Jan Cunen in Oss.

Lees ook: Prehistorie – Begrip en periodisering
…en: Het Zwaard van Ommerschans – Ceremonieel zwaard uit de bronstijd
Overzicht van Boeken over archeologie en archeologische opgravingen

Spoorzoeker: ‘Grafheuvels bij Oss’

Deel 2 van de video

Bronnen

-https://www.rmo.nl/museumkennis/

archeologie

-van-nederland/nederland-in-de-

prehistorie

/een-vorstengraf-uit-oss/

-Onder onze voeten – Evert van Ginkel en Leo Verhart (Bert Bakker, 2009) – p. 119-121

-Nederland in de prehistorie – Theo Holleman (Teleac) – p.124

-Nederland van alle tijden – Bas Blokker e.a. (Balans, 2015) p.29

-https://reumanederland.nl/reuma/vormen-van-reuma/forestier-dish-ziekte-van/

Bron

Oorlog om het kerkje op de Ommerschans

De Maatschappij van Weldadigheid wilde de armen ‘opbeuren’ uit de ‘zedelijke verbastering’ waar zij door hun jarenlange armoede in terecht gekomen waren. Zij stichtte van 1818 tot 1825 de koloniën Frederiksoord, Wilhelminaoord, Willemsoord, Ommerschans en

Veenhuizen

. Wil Schackmann schreef over die koloniën van weldadigheid vier boeken:

De proefkolonie

,

De bedelaarskolonie

,

De kinderkolonie

en

De strafkolonie

. Dertien weken lang publiceert hij op deze plek Verhalen uit de koloniën, afkomstig uit die boeken en uit het restmateriaal.

Het kerkje op de Ommerschans

Als het bedelaarsgesticht op de Ommerschans in september 1822 in gebruik wordt genomen, wordt er schoolgehouden in een van de zalen van het gebouw. Maar binnen een jaar is de toeloop van bedelaars zo groot dat die zaal voor bewoning gebruikt moet worden. In mei 1823 komt er nieuwbouw gereed, een multifunctioneel gebouwtje op de zuidwal van de schans. Het dient doordeweeks als school en als ruimte waar catechisatie gegeven wordt, en op zondag is het ‘ten gebruike der gereformeerde en roomsch katholieke gemeente’. Om en om, de katholieken eerst tot half elf, dan de protestanten, dan de katholieken weer tot half drie en dan de protestanten. Zondag 1 februari 1835 loopt dat helemaal fout.

De voorzitter van ‘de Kerkenraad der Protestantsche Gemeente te Ommerschans’, die tevens directeur van het gesticht is, schrijft aan de landelijke leiding van de koloniën dat de gemeente zich die ochtend ‘te 10 1/2 uur, na dat vooraf de bel geluid heeft, naar de kerk heeft begeven’. Maar daar is de katholieke mis nog bezig, en nadat de protestantse bevolking ‘ruim 1/4 uur in koude en guur weder buiten de kerk had gestaan’, keert ze onverrichter zake en heel boos terug naar het gesticht. Volgens de kerkenraad zijn de katholieken tot wel tien minuten voor elf doorgegaan.

‘Ergerlijk toneel’

Dat wordt bestreden door de andere kant. De parochie Sint Vincentius a Paulo, vernoemd naar de heilige die over de armen en zieken waakt, doet het tijdelijk zonder pastoor en wordt waargenomen door een kapelaan als ‘deservitor’, plaatsvervanger. Hij laat de volgende dag weten dat de directie van de schans zich regelmatig ‘hatelijk of onverdraagzaam omtrent de R.K. Godsdienst’ gedraagt. Neem nu het ‘ergerlijk toneel’ van ‘gisteren, zondag den 1 februarij’. Toen liet de directie de klok luiden ‘meer dan twintig minuten vroeger dan half elf uur’.

Het had de kapelaan overvallen. ‘Ik was juist bezig de communie toe te dienen, toen de protestantsche bevolking aanrukte.’ Niet alleen ‘moeste ik de preek overslaan’, maar de ‘dienst der misse was nog in geenen deelen ten einde’. Hij beschouwt het als zijn plicht om, dan maar zonder preek, de dienst af te raffelen, en toen hij dat gedaan had, ‘was het nog tien minuten voor half elf uur’.

Als hij merkt dat de protestanten dan alweer weggegaan zijn, is hij eerst verbaasd en dan verontrust. Hij maakt zich zorgen hoe door zo’n gebeurtenis ‘de gemoederen der Protestanten en Roomsch Katholijken tegen elkanderen verbitterd moeten worden’. Hij vreest ‘onderlinge verwijdering’ en een einde aan de ‘verdraagzamheid, welke alhier onder de bevolking geheerscht heeft’ en hij vraagt de leiding te zorgen dat zo’n ‘ergerlijk, hatelijk en schandalig voorval’ niet meer plaatsvindt.

De hakken in het zand

Boeken van Wil Schackmann over de Koloniën van WeldadigheidBoeken van Wil Schackmann over de Koloniën van WeldadigheidBeide versies liggen dan bij de landelijke leiding, die allicht iets zou kunnen verzinnen om het met een sisser af te laten lopen. Bijvoorbeeld iedereen een horloge geven. Maar de directeur vindt het nodig om een paar dagen later een briefje aan de kapelaan te schrijven waarin hij in venijnige bewoordingen zijn kijk op de kwestie uiteenzet. Dat leidt bij de kapelaan tot een driftcollaps.

De beschuldiging ‘dat ik vorigen zondag de godsdienstoefening te laat heb laten uitgaan’, noemt hij een aantijging ‘welke niet gering mag beschouwd worden’ en waarover hij ‘zeer beleedigd’ is en die hij verlangt ‘bewezen te hebben’. Zolang die bewijzen er niet zijn beschouwt hij de directeur als ‘eene laaghartige ziel en lasteraar’. Om tot slot in juridische termen te dreigen met gerechtelijke stappen.

Nu is het oorlog op de schans. Dit komt niet meer goed. De kapelaan laat de landelijke ‘Directeur Generaal voor de zaken van de Roomsch Katholijke Eeredienst’ weten hoe verschrikkelijk er hier met katholieken wordt omgegaan. Die directeur-generaal schrijft een beschuldigende brief aan de landelijke leiding en die – allemaal protestanten – reageert dat het uitsluitend de schuld van de kapelaan is. De gezindten hebben de hakken in het zand gezet. En daarom zullen we nooit te weten komen of die zondag in februari de protestanten te vroeg kwamen of de katholieken te laat ophielden.

~ Wil Schackmann

Reeks: Verhalen uit de Koloniën van Weldadigheid
Overzicht van boeken van Wil Schackmann

Bron

Terpen en Wierdenland – Het Noord-Nederlandse kustgebied

Misschien is het lege landschap van Noord-Nederland wel op zijn mooist, nu er half december even sneeuw ligt op de winterse akkers. Hier aan ’s lands einde bepalen zo’n 500 wierden (Groningen) en terpen (Friesland) op veel plekken nog steeds het beeld. Nog in de vroege negentiende eeuw dachten velen dat dit landschap van nature heuvelachtig was … later in de eeuw groeven arbeiders honderden terpen en wierden af omdat de vruchtbare grond stevige prijzen kon opbrengen.

Terpen en WierdenlandTerpen en WierdenlandNaar schatting ging in Friesland 73% van de terpen verloren en in Groningen 46%. Maar de spade opende ook de aarden archieven van dit ooit rijke en welvarende gebied, zoals de invloedrijke Friese jurist/historicus Pieter Boeles rond 1930 zou schrijven. Talloze vondsten boden inzicht in deze welvarende nederzettinkjes die hier ver voor de jaartelling ontstaan waren. De beroemde opgravingen van Albert van Giffen zouden het wierdendorp Ezinge beroemd maken: hier lag dus het Pompeï van het Noorden, het Groningse Ilion, om het maar es op ronkende toon te zeggen. Dat rijke verleden is terug te vinden in heel veel lokale musea. Maar herbergt de geschiedenis van terpen en wierden ook nog een les voor de toekomst?

In het prachtig vormgegeven boek ‘Terpen- en Wierdenland’ neemt schrijver, journalist en historicus Erik Betten een lange aanloop om die vraag te beantwoorden. Hij onderscheidt in de geschiedenis van dit gebied een viertal wendingen, namelijk een eerste wending naar de zee toe, vanaf ongeveer 600 voor Christus; een tweede wending, dit keer van de zee af, toen de bewoners vanaf pakweg het jaar 1000 dijken gingen aanleggen; in de negentiende eeuw legden de overheden (de derde wending) nog meer nadruk op beheersing van het water; een vierde wending ziet Betten in prille pogingen om net als in de tijd van de terpenbouwers minder tegen maar meer mét de zee en de stijgende waterspiegel te leven. Kortom, wat heeft zich hier allemaal afgespeeld?

Wendingen

De eerste pioniers vestigden zich op de kwelderwallen dicht aan zee of aan de oeverwallen van rivieren als Eems, Fivel, Hunze, Riet, Lauwers en Boorne. De gevaren vielen mee, aldus Betten, want bij hoogwater overstroomden die kwelders zelden. Het water kon immers alle kanten op. Vuistregel was dat de kwelder die…

“…minder dan 50 keer per jaar onder water stond, bruikbaar was voor menselijk gebruik.”

Pas na de bouw van de eerste dijken zouden stormvloeden de kracht ontwikkelen om na een dijkdoorbraak ravages aan te richten.

De tweede wending had met de bedijking te maken. Dijken waren nodig ter bescherming van akkers tegen het steeds opdringerige water. Boeren trokken de uitgestrekte ‘wolden’ (lees: moerassige, onbewoonde wildernissen of venen) in het achterland in. De ontginningen zouden eeuwen duren en uiteindelijk vruchtbare landbouwgebieden opleveren. Maar eerst leidden ze tot rampen. Wat gebeurde er? In die ‘wolden’ en ‘wouden’ leidde het graaf- en spitwerk inclusief de talrijke sloten tot een enorme daling van het maaiveld. Dat maakte afvoer van rivierwater naar zee steeds moeilijker. Terwijl de wolden eerder veel hoger hadden gelegen dan de kust, was het nu andersom: het land slibde aan de kust op, terwijl het ontwaterde veen in het achterland als een plumpudding in elkaar zakte. De gevolgen laten zich raden: stormen en hoog water veroorzaakten rampen, zoals valt na te lezen in de magnifieke twaalfde- en dertiende-eeuwse kronieken uit de kloosters te Hallum en Wittewierum. Belangrijk rampen waren de Sint Julianavloed van 1164, Allerheiligen van 1170, de Sint Nicolaasvloed van 1196, de Sint Marcellusvloed van 1219, de Allerheiligenvloed van 1275, maar ook de Sint Maartensvloed van 1686 en de kerstvloed van 1717.

De Kerstvloed 1717 op een kaart uit 1720 van de Neurenberger cartograaf J.B, Homann. Volgens hedendaagse deskundigen heeft hij de omvang zwaar overdreven.Kaart van de gevolgen van de Kerstvloed van 1717 – Johann Baptist Homann

Het antwoord op de catastrofes lag in het verplaatsen van dorpen naar drogere gebieden maar ook steeds meer in het bedijken, eerst lokaal, later op grotere schaal. In de dertiende eeuw gaven de kloosters daar leiding aan want Friesland en Groningen erkenden geen grafelijk gezag. Het Friese recht voorzag enigszins in die leemte, maar de abten moesten soms de blaren op hun tong praten om een bovenlokaal antwoord te vinden op de problemen. Wat later zouden zijlen en grietenijen, dat wil zeggen, waterschappen, hun rol deels overnemen.

In de negentiende eeuw viel de derde wending: de zee, rivieren en beken werden een soort variabele in het werk van waterschappen, mechaniserende landbouwers en zich uitbreidende steden. De tijden veranderden. Toen in 1755 een enorme aardbeving en tsunami Lissabon troffen, werd dat ook in Noord-Nederland meteen gevoeld. De Groninger Courant van dinsdag 4 november van dat jaar meldde dat…

‘…op de voorgaande zaterdag bij stil weer plotseling schepen in de Groninger stadshaven tegen de kade gesmeten werden en … elkaars masten geraakt hadden. Bij Garnwerd was in het Reitdiep een schip als het ware van de ene naar de andere kant geworpen en in het Leekstermeer was het water zo hoog gestegen, dat het over het aan de kant staande riet, hetgeen de hoogte van een manslengte heeft, was heen gestoven’.

Pas een maand later werd overigens duidelijk dat de aardbeving in Lissabon de oorzaak was voor alle opschudding.

Die kwetsbaarheid zou dik honderd jaar later sterk afnemen. De afsluiting in 1877 van het Reitdiep, de zeearm die Groningen met zee verbond, zou de stad voortaan onbereikbaar maken voor de grillen van de zee. Dat proces van toenemende controle en beheersing zette in 1969 met de afsluiting van de Lauwerszee door. De Friese studenten die in 1960 in Leeuwarden hadden geroepen…

‘Potdomme, de dyk sil er komme’

…hadden hun zin gekregen, de vissers in Zoutkamp hadden een kater.

Zodenhuis in Firdgum - Rijksuniversiteit GroningenZodenhuis in Firdgum – Rijksuniversiteit Groningen

Ecobouw

Intussen doet zich een vierde wending voor, schrijft Betten, de wending naar zee toe. Wat te doen bij extreme neerslag en hogere zeespiegels? Kan dit kustgebied opnieuw pionier zijn in de omgang met de zee? Het antwoord op die vragen op basis van een aantal kleinschalige projecten in het kustgebied is nog niet al te overtuigend, maar geeft misschien wel een richting aan. Het zodenhuis van Firdgum biedt inzichten in ‘archeologisch geïnspireerde ecobouw’…; bij Hallum wordt buitendijks geëxperimenteerd met kwelderakkers en zilte teelt. De net opgerichte Franeker Academie gaat er onderzoek naar doen. In het Friese kustplaatsje Holwerd droomt een aantal dorpelingen over ‘Holwerd aan zee’ waarvoor de zeedijk moet plaatsmaken voor een stormvloedkering of schutsluis. Daarmee zou ‘werelderfgoed de Waddenzee’ weer ontsloten kunnen worden en Holwerd een plek veroveren op de toeristische kaart. Zo zijn er meer kleinschalige ideeën en initiatieven die gericht zijn op een ander leven met en bij de zee. Maar de ‘vierde wending’ moet toch nog wel wat meer momentum krijgen om echt te overtuigen.

Kijkboek

Wie minder zin heeft aan een boek over experimenten met en bij de zee moet zich van bovenstaande wendingen niet al te veel aantrekken want dit is ook gewoon een mooi boek over de oude geschiedenis van terpen en wierden, dat de kijkers en lezers nu al dit gebied in wil trekken. Mooie kaartjes geven aan hoe de kustlijn in de loop van een paar duizend eeuwen veranderde. Prachtige luchtfoto’s, plaatjes van liefelijke terpdorpjes en kleinschalig toerisme … lokken om eens te gaan kijken naar dit onbekende gebied met zijn historische schatten. Voor wie meer houdt van nog onopgeloste raadsels heeft dit kustgebied ook van alles te bieden. Ik noem er twee:

In sommige wierde- en terphuizen vonden de archeologen botfragmenten, waaruit zij afleiden dat dat de bewoners aan voorouderverering deden. Spectaculair was de vondst in het Groningse Englum waar archeologe Annet Nieuwhof een aantal menselijke schedels ontdekte met sporen van vraat door dieren. Werden de doden rond het jaar nul – grafvelden uit deze periode zijn nauwelijks teruggevonden – aan de elementen blootgesteld?

Een ander klassiek vraagstuk is het bijna spoorloos verdwijnen van de oorspronkelijke bewoners van de kust. Er zou archeologisch gezien sprake zijn van een ‘lege vierde eeuw’, vooral in het huidige Friesland en in iets mindere mate op de Groningse klei. Na een kleine eeuw zonder bewoning zouden de terpen en wierden vanuit het Oosten weer bevolkt zijn geraakt. De nieuwe bewoners waren anders, kenden ander aardewerk en andere begrafenisrituelen, bouwden andere huizen en droegen andere mantelspelden. De dominante Franken van de zesde en zevende eeuw noemden hen opnieuw ‘Friezen’, maar waren ze dat ook? En waarom lieten de nieuwkomers, die vermoedelijk eerder aan de Angelen en Saksen verwant waren, zich dat aanleunen? En waar zijn trouwens die oude Friezen van voor het jaar 300 gebleven? Gingen ze op in de volksverhuizingen?

Waddenzee - Zonsondergang bij Wierum (CC BY-SA 3.0 - Uberprutser - wiki)Waddenzee – Zonsondergang bij Wierum (CC BY-SA 3.0 – Uberprutser – wiki)

Rand

Kortom, een mooi boek om een bezoek voor te bereiden aan het hoge Noorden van ons land. Een beetje aandacht kan de regio goed gebruiken, want er zijn ook veel problemen die met één woord samen te vatten zijn: krimp. Dit ooit zo dichtbevolkte gebied is al eeuwenlang emigratiegebied, de kruidenier is allang vertrokken, in veel dorpen is het gemoedelijk maar is de welvaart achter gebleven. Dit kustgebied is ook steeds meer rand van Nederland geworden waar de wegen doodlopen op de Waddenzee en de jeugd wegtrekt. Ook zonder aardbevingen zou dit noordelijkste stukje Nederland miljarden nodig hebben om leefbaar te blijven.

~ Joost Eskes

Boek: Terpen en Wierdenland – Erik Betten

Bestel dit boek bij:

Bron

Daar kraait geen haan naar

De uitdrukking ‘daar kraait geen haan naar’ gebruiken we om aan te geven dat niemand enige aandacht zal schenken aan een bepaalde gebeurtenis. Waar komt deze uitdrukking eigenlijk vandaan?

Verloochening van Petrus - Jan van de Venne (Publiek Domein - wiki)Verloochening van Petrus – Jan van de Venne (Publiek Domein – wiki)Mensen met een beetje Bijbelkennis zullen bij de uitdrukking ‘daar kraait geen haan naar’ vermoedelijk denken aan gebeurtenis die in het evangelie van Matteüs wordt beschreven. De apostel Mattheüs zegt dan, nadat Jezus heeft aangekondigd dat hij door iedereen verlaten zal worden, dat hij zijn meester nooit zal afvallen. Jezus antwoordt dan:

“Voorwaar, Ik zeg u, dat gij in dezen zelfden nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.” Mattheüs 26:34 – online-bijbel.nl

Enkele uren later, als Jezus inmiddels gevangen genomen is, komt de voorspelling uit. Bang om ook opgepakt te worden beweert Petrus drie keer dat hij Jezus niet kent en helemaal niets met hem te maken heeft. Dan kraait er een haan en herinnert Petrus zich de woorden van Jezus.

“En Petrus werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitterlijk. Mattheüs 26:75 – online-bijbel.nl

Oud volksgeloof

Of de uitdrukking ‘daar kraait geen haan naar’ inderdaad is afgeleid van deze geschiedenis, staat niet vast. Mogelijk is er ook een verband met een oud volksgeloof waarbij een haan door te kraaien een moordenaar aanwees als er geen getuigen waren. Als er dan een misdaad in stilte was gepleegd zonder dat er getuigen waren, zei men wel eens:

“Daar zal geen haan naar kraaien.”

Ook interessant: Petrus: discipel van Jezus en christelijk apostel
Overzicht van Historische uitdrukkingen, spreekwoorden en scheldwoorden

Bronnen

-https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_0755.php#569
-Nederlands Bijbelgenootschap – Facebook

Bron

‘Wetenschap is pas af als ze is gecommuniceerd’

Afgelopen vrijdag was aan de Vrije Universiteit het Romeinensymposium. Jona Lendering was daar een van de sprekers. Op Historiek publiceren we de tekst van zijn lezing. Lendering pleit hierin voor betere wetenschapsvoorlichting, één die niet de zender maar de informatiebehoefte van de ontvangers als uitgangspunt neemt.

Veel geschreeuw en weinig wetenschap

Het is als met de kruipolie die maakt dat een machine soepel draait: alles gaat beter als de informatie waarop we ons baseren accuraat is. Onderzoekers speuren naar die informatie en is deze eenmaal verworven, dan is het zaak haar zo snel en adequaat mogelijk over te dragen aan zoveel mogelijk mensen. Wetenschap is pas af als ze is gecommuniceerd.

“In de

archeologie

ligt de nadruk vaak op iets dat is opgegraven en nauwelijks op de eigenlijke inzichten. Het gaat dus wel over vondsten maar niet over archeologie.”

Archeologen werken vanouds samen met musea en doen hun overdracht zo beroerd niet, maar er is verbetering mogelijk. Daarbij is de crux: het gaat om de informatiebehoefte van de ontvangers en niet om wat de zenders toevallig hebben te bieden. Bij zenders kunt u denken aan universiteiten, musea, stichtingen, re-enactors, journalisten, erfgoedhuizen en wat dies meer zij.

Ik denk dat ik over dit onderwerp iets kan zeggen omdat ik al twintig jaar de Oudheid uitleg: op mijn website staan binnenkort precies 4000 pagina’s, ik blog dagelijks, verzorg een nieuwsbrief, schreef boeken, treed op als reisleider en museumgids, organiseer met het RMO “Oog op de Oudheid”, doe journalistiek werk en verzorg cursussen, lezingen en lessen. Deze zomer heb ik gewerkt aan een project om 86.000 Oudheid-foto’s rechtenvrij online te plaatsen; momenteel begeleid ik profielwerkstukken en ook voer ik derde-lijns-gesprekken. En vooral: ik beantwoord veel mail. Denk aan twintig tot dertig vragen per week, duizend per jaar. Het is op deze ervaring dat ik het onderstaande baseer.

Een innovatief project

De limes is extreem innovatief omdat het een omkering is van het Gelderse geschiedbeeld. Dat is gevormd door de Nijmeegse geleerde Gerard Geldenhouwer, die in zijn Historia Batavica (1530; 1541) Nijmegen identificeerde als hoofdstad van de Bataven én aangaf dat “wij” in de Lage Landen afstammen van de Germanen. Ik blogde er al eens over.

Dit is het dominante beeld gebleven: je kunt de Bataafse mythe moeiteloos volgen via de ereboog voor prins Maurits naar Rembrandts “Eedgenootschap van Claudius Civilis” en de Bataafse Republiek, en daarvandaan langs Batavus Droogstoppel tot de Batavus-fietsen. Logisch, want via de afkeer van Latijnse persoonsnamen in middeleeuws Nederland, “Wat Walsch es valsch eyst” en de middelnederlandse literatuur gaat onze culturele identiteit (wat dat ook moge zijn) inderdaad terug op de Germanen. Dankzij de limes-projecten krijgt iemand die zich wil verdiepen in de Nederlandse Oudheid nu echter een omgekeerd beeld, waarin de boeman van weleer centraal staat. Dit is revolutionair.

Deze ommekeer heeft te maken met internationaal erfgoedbeleid en is deels politiek. Er is ook een interne, Nederlandse aanleiding: de in 2006 door de commissie-Van Oostrom opgestelde canon met vijftig vensters. Als je de principes (“rode draden”) uit dat project rustig bekijkt, zou het venster op de Oudheid logischerwijs de stad Nijmegen zijn geweest, maar het werd dus de limes. Omdat in de commissie geen archeoloog of oudhistoricus zat, heb ik Van Oostrom eens opgezocht om te vragen hoe de keuze was gemaakt. Hij antwoordde dat alle commissieleden dit onderwerp hadden gekend en daar zonder werkelijk debat mee hadden ingestemd. Dit is een voorbeeld van het psychologische mechanisme dat bij een vergadering niet over de belangrijkste thema’s wordt gesproken maar over onderwerpen waar iedereen van heeft gehoord.

Weerstand

Innovatie roept weerstand op. Mensen houden er immers niet van vertrouwde zaken op te geven. Zeker in een klimaat van groeiende wetenschapsscepsis is bij een innovatie als de limes een specifieke vorm van voorlichting vereist en daar is ook onderzoek naar gedaan.

Dat onderzoek is onvoldoende bekend. Oudheidkundigen hebben althans weinig gedaan om hun voorlichting te professionaliseren en kiezen vaak voor gemakzuchtige oplossingen: in de archeologie ligt de nadruk vaak op iets dat is opgegraven en nauwelijks op de eigenlijke inzichten. Het gaat dus wel over vondsten maar niet over archeologie. Verder wordt strijk en zet overdreven, zodat we onlangs lazen dat een ring was ontdekt van Pontius Pilatus.

Het vervelende is dat het publiek de overdrijving herkent, sceptisch is geworden en archeologen niet langer gelooft, zelfs als ze de waarheid spreken. Dat gebeurde in de Nijmeegse Aquaductenaffaire en zal zich herhalen zolang we niet professioneler worden.

De omgekeerde volgorde

Ons doel is dat nieuwe inzichten, bijvoorbeeld over de limes, zo snel en adequaat mogelijk terechtkomen bij zoveel mogelijk mensen. Een goed proces zou erop neerkomen dat er (1) een wetenschappelijke publicatie is met dat nieuwe inzicht, (2) een beslissing valt dit inzicht met het publiek te delen, (3) overleg plaatsvindt over de eigenlijke boodschap, (4) doelgroepen worden geïdentificeerd, (5) media bij de doelgroepen worden gezocht, (6) een communicatieplan wordt opgesteld dat (7) wordt uitgevoerd. Tot slot is er een evaluatie.

Bij de limes is het niet volgens dit ideale schema gegaan. Er was al veel gedaan toen het besluit viel de limes te promoten (Commissie-Van Oostrom, daarna werelderfgoedstatus-aanvraag). Hierop volgden meer uitwerkingen, met Hoge Woerd als hoogtepunt, maar ondertussen werd er nauwelijks gesproken over de boodschap en werd onnadenkend de verkeerde doelgroep gekozen (zo meteen meer). Pas vrij laat kwam het Interpretatief Kader, waarvan de opstellers rekening moesten houden met partijen en praktijken die in het ideale schema nooit een rol zouden hebben gespeeld. Dit is de cruciale fout geweest: niet vertrekken bij de informatiebehoefte van het publiek, niet zoeken welke expertise noodzakelijk was, maar uitgaan van het aanbod van partijen die al bekend waren. Mede hierdoor groeide een “tweede trechter” (zo meteen meer). De echte wetenschappelijke synthese is eigenlijk pas zojuist verschenen. We zijn dus begonnen bij stap zeven, eindigen bij stap één en zitten opgezadeld met voldongen feiten.

“Goede informatie is onvindbaar door het herhalen van dezelfde, platte boodschap.”

Dit is verre van ideaal. Nu is ook de ideale situatie onwenselijk, want ze zou betekenen dat de wetenschap de toon zet in het krachtenspel tussen de diverse belanghebbenden. Dat is echter geen open samenleving meer maar een technocratie. Omgekeerd geldt dat niemand erbij is gebaat als nieuwe inzichten niet snel en adequaat terechtkomen bij zoveel mogelijk mensen. De stem van de wetenschap klinkt bij de limes wel érg zacht – en dan bedoel ik zowel de stem van de oudheidkundige disciplines als de stem van de wetenschapscommunicatie.

Doelgroepen en lijnen

Je hoeft geen marktonderzoek te doen om te weten dat er mensen zijn met een oppervlakkige belangstelling en mensen met meer interesse. Het spreekt al even vanzelf dat sommigen de wetenschap vertrouwen en anderen er sceptisch tegenover staan. Dat blijkt ook uit de mails die ik dagelijks beantwoord; die gaan natuurlijk niet allemaal over de limes, maar de doelgroepen zijn ook daar aanwezig en de drie lijnen waarover ik wel vaker schrijf, zijn ook hier relevant.

Wetenschapspositief Wetenschapsnegatief
Hoge informatiebehoefte Tweede lijn Derde lijn
Lage informatiebehoefte Eerste lijn

Het probleem is dat vrijwel alle voorlichting over de limes zich richt op mensen met een lage informatiebehoefte en een positieve houding. Het is een schoolvoorbeeld van de eerste lijn: het vereenvoudigd presenteren van de feiten ofwel het bieden van een kennismaking.

Soms is dat inderdaad genoeg. Ik denk niet dat het verkeerd is kinderen een goed verhaal te vertellen en doe het zelf ook graag. Het probleem is echter dat kinderen over twee maanden hun Romeinenliefde hebben verruild voor een dinosaurussenpassie. Het beklijft niet, terwijl de opzet van de limes-projecten is een nieuwe visie op de Nederlandse Oudheid ingang te doen vinden. Het is beter je pas op kinderen te richten als je volwassenen iets hebt te bieden, want zij vormen de cruciale doelgroep: bij hen immers moet de bewustzijnsverandering zich voltrekken.

Het probleem is nu dat volwassenen al iets denken te weten en dat innovatie dus weerstand oproept. Die zul je moeten wegnemen en daaruit volgt dat je mensen die geïnteresseerd beginnen te raken, méér moet bieden: waarom is de omkering van het Gelderse geschiedbeeld een verbetering? Dat is de tweede lijn: de verdieping die noodzakelijk is om de cruciale doelgroep te overtuigen en scepsis de pas af te snijden. In de woorden van Tussen onderzoek en samenleving, het brave advies dat mag gelden als informele kwaliteitsnorm, is het doorslaggevend dat het wetenschappelijk proces inzichtelijk wordt gemaakt.

Doordat in de limesvoorlichting deze tweede lijn vrijwel geheel achterwege blijft, is het onvermijdelijk dat juist de meer geïnteresseerde mensen sceptisch worden. Ik herken dit in de mail: eigenlijk heb ik elke maand wel contact met iemand die steeds dezelfde informatie over de limes heeft gevonden, nergens de verdieping aantrof die hij zocht (of werd afgescheept met “je moet maar een congres bezoeken”) en heeft geconcludeerd dat het thema intellectuele diepgang ontbeert. Zo iemand keert zich tegen de limes. Ik wees hier al eerder op in mijn stukken “Limes en scepsis” en “Limesmoeheid” en waarschuwde ervoor in een preadvies voor het Interpretatief Kader.

Kanttekening: er zal altijd een groep blijven die ook na uitleg van het wetenschappelijk proces niet overtuigd worden wil. Dan speelt bijna altijd een bezorgdheid een rol. Ik heb weleens te maken gehad met iemand die waarde hechtte aan het kwakhistorische idee dat de weg op de Peutingerkaart loopt naar Antwerpen, omdat zijn huis stond bij een beschermde limes-locatie. Voor hem gold: liever pseudowetenschap dan een wetenschap die dreigt mijn huis onverkoopbaar te maken.

Voor zulke situaties is er de derde lijn: een persoonlijk gesprek waarin je een scheiding aanbrengt tussen de bezorgdheid en het wetenschappelijke probleem. Omdat de limes nauwelijks een tweede lijn kent, is onvermijdelijk dat weer een relletje zal ontstaan à la Nijmeegse Aquaductenaffaire en dat de limes-organisaties dan niet zijn voorbereid op de derde-lijns-gesprekken.

Samenvattend: doordat de limes-voorlichting niet is ontstaan door first things first te doen, is onnadenkend de verkeerde doelgroep gekozen. We moeten ons echter niet slechts richten op mensen met een lage informatiebehoefte, maar ook op mensen met een hoge behoefte. Zo behouden we de geïnteresseerden voor de goede zaak. Momenteel tonen we een limes die intellectueel geen diepgang heeft en verjagen we de cruciale doelgroep.

De Romeinse limes op vici.orgDe Romeinse limes op vici.org

Junk news en aanverwante problemen

Je hebt fake news en junk news. De eerste categorie is het bekendst: onjuiste informatie, niet per se moedwillig verspreid, zoals de opmerking eerder dit jaar in De Volkskrant dat er in Nederland geen Romeinse ruïnes zichtbaar zijn. Het waren niet alleen Heerlenaren die zich ergerden.

Ergerlijk als fake news is, is het minder problematisch dan junk news. Dat is een platte boodschap die zó vaak wordt herhaald dat mensen de echte informatie niet meer vinden kunnen. Bad information drives out good. Dit is hét centrale probleem voor de limes: waar je ook zoekt, je vindt steeds dezelfde flauwe informatie en het echte verhaal is onvindbaar. We bieden veel geschreeuw en tonen weinig wetenschap.

De onvindbaarheid van de juiste informatie wordt versterkt door de “tweede trechter”. Een trechter is een metafoor om aan te geven hoe je mensen naar inzicht brengt: je trekt eerst hun aandacht en leidt ze steeds verder naar de eigenlijke informatie. Je kunt ook de metafoor gebruiken van een ladder waarlangs je opklimt richting wetenschap.

Vanouds hebben we bladen als Archeologie Magazine en Hermeneus, de Week van de Klassieken, voortreffelijke musea en lesprogramma’s voor de scholen. Perfect is het niet, maar de mensen weten de weg naar deze informatie te vinden en de betrokkenen kunnen hun positie benoemen in het grote gebouw der humaniora. Ze kunnen duidelijk maken waarom de geesteswetenschappen maatschappelijk belangrijk zijn, waarom een vakopleiding nut heeft en welke betekenis archeologie heeft voor onze cultuur.

De limes-organisaties hebben deze structuur grotendeels genegeerd: naast de Week van de Klassieken is er een Romeinenweek gekomen. Je kon nog beweren dat de eerste ging over de Oudheid en de tweede over de Nederlandse Oudheid, maar volgend jaar is het thema “de vrouw”, waarbij dit onderscheid onmogelijk is. Het thema valt immers alleen te behandelen door de gegevens te halen uit Italië. Dan heb je twee keer hetzelfde evenement.

(Tussen haakjes wijs ik erop dat we hier een voorbeeld hebben van eclecticisme: je kunt een vraag niet beantwoorden, haalt informatie dus van elders en neemt maar aan dat wat daar en toen gold, ook voor jouw regio en tijdperk geldt. Als het doel is een zo breed mogelijk publiek zo snel mogelijk te voorzien van adequate informatie, is dat laatste mislukt. Het zal worden herkend en het zal de scepsis verder versterken.)

Andere voorbeelden van verdubbeling: online hebben we een educatief platform over de limes naast Quamlibet, het platform dat classici en historici al gebruiken. Het zou makkelijker zijn geweest alles op één al vertrouwd punt onder te brengen. Verder herhalen de diverse limes-websites vrijwel allemaal dezelfde informatie – allemaal eerstelijns en nooit Web 2.0. Afhankelijk van wie je vraagt zijn er nu vier of zes limes-fietsroutes. Ze zijn niet identiek maar het kon efficiënter.

Kortom: goede informatie is onvindbaar door het herhalen van dezelfde, platte boodschap. De dubbele trechter maakt het nog verwarrender. Het kan dus efficiënter.

Aanbevelingen

Triest als het is: er zijn voldongen feiten. Die zijn niet allemaal slecht maar er is ruimte voor verbetering. Het moge duidelijk zijn dat ik ervoor pleit dat we naast de eerste lijn een tweede lijn openen, opdat we geïnteresseerden niet langer afstoten. Dat betekent:

  1. Het wetenschappelijk proces moet uitgelegd. Hoe weten we wat we weten? Waartoe dient dat? Wat is het belang van kennis van archeologie, limes, humaniora? Dit uitleggen heeft als voordeel dat je belet dat een olijke staatssecretaris van Cultuur zich afvraagt wat ’ie moet met musea vol opgegraven potten en pannen.
  2. Leg uit waarom de omkering van het Gelderse geschiedbeeld excess empirical content oplevert en een verbetering is. Of misschien moet ik zeggen: excess educational content. Het voordeel is dat je scepsis vóór bent.
  3. Toon hoe de limes, als onderdeel van de geesteswetenschappen, helpt onze eigen denkbeelden te doorgronden. Gebruik de Romeinse noties over de grenzen van het imperium om de betrekkelijkheid van de eigentijdse (op de negentiende eeuw teruggaande) noties over territoriaal begrensde staten te begrijpen.
  4. Overschat je eigen kennis niet want de academische opleidingen zijn sinds de jaren tachtig te kort. Werk dus samen met wetenschapscommunicatoren, classici en historici. Bedenk hierbij dat het grote publiek de academische specialismen niet (h)erkent. (Een archeoloog die spreekt over veenlijken, krijgt te maken met een publiek dat deze vondsten interpreteert met behulp van Tacitus’ Germania en een classicus die spreekt over die tekst, krijgt vragen over het Meisje van Yde.) Het voordeel van samenwerking is dat ook anderen je inzichten verspreiden.
  5. Vermijd junk news en fuseer de trechters. Als de Romeinenweek samengaat met de Week van de Klassieken is het voordeel dat een evenement ontstaat dat er echt toe doet.
  6. Gezond wetenschapscommunicatiebeleid heeft als vertrekpunt de informatiebehoefte van de doelgroepen, niet wat de betrokken partijen toevallig hebben te bieden.

~ Jona Lendering

Jona Lendering is historicus, webmaster van Livius.org en docent bij Livius Onderwijs. Hij publiceerde verschillende boeken. Zie ook zijn blog: mainzerbeobachter.com

Bron

Het boetekleed aantrekken – Herkomst en betekenis

Wie het boetekleed aantrekt, neemt de schuld van een bepaalde gebeurtenis op zich. De uitdrukking verwijst naar een oud religieus gebruik waarbij men met behulp van een kleed boete deed en liet zien dat men een ‘schuldig’ was.

Boetekleed van een christen (CC BY-SA 4.0 - Anupam - wiki)Boetekleed van een christen (CC BY-SA 4.0 – Anupam – wiki)Binnen de katholieke kerk is het boetekleed vooral bekend onder de naam cilicium. Vaak was dit kleed gemaakt van ruw geitenhaar. Hij werd soms als boven, maar ook geregeld als onderkleed gedragen. Het gebruik gaat al zeker terug tot de vierde eeuw. Volgens sommige historici zochten gelovigen toen naar nieuwe manieren om uiting te geven aan de diepte van hun geloof. Kort hiervoor had keizer Constantijn de Grote het christendom aangenomen, waardoor de christenvervolgingen waren gestopt. Met behulp van het boetekleed kon men toch laten zien hoeveel het geloof voor hen betekende en dat men bereid was voor het geloof te lijden. Het boetekleed was namelijk niet erg comfortabel. Zeker wanneer het op de blote huid werd gedragen, zorgde het voor bijvoorbeeld schaafwonden.

Veel gelovigen (waaronder Franciscus van Assisi, Thomas More, Geert Grote en Moeder Teresa) trokken in de loop der eeuwen vrijwillig het boetekleed aan. Vooral dagen als Aswoensdag en Goede Vrijdag leenden zich goed voor het gebruik van het boetekleed.

Keizer Lodewijk de Vrome, een zoon van Karel de Grote, moest in de negende eeuw na een conflict openbaar boete doen. In de kerk van St. Médard van Soissons werd hij gedwongen zijn koninklijk gewaad te verwisselen voor het boetekleed. De aanwezige bisschoppen dreven Lodewijk vervolgens gehuld in het boetekleed de kerk uit.

Spijt

De beruchte Russische tsaar Ivan de Verschrikkelijke kreeg tegen het einde van zijn leven spijt van verschillende van de gruwelijke daden die hij in zijn leven beging. Hij trok daarom geregeld het boetekleed aan. Een afbeelding van zijn boetekleed is boven dit artikel te zien.

De boetekleden of -gordels waren overigens niet altijd gemaakt van (geiten)haar. Er zijn ook metalen varianten bekend.

Overzicht van Historische uitdrukkingen, spreekwoorden en scheldwoorden
Boekenrubriek: Taalgeschiedenis

Video over het boetekleed van Ivan de Verschrikkelijke

Bronnen

-https://www.dbnl.org/tekst/weil004kuns01_01/weil004kuns01_01_0003.php#c0781
-https://www.vandale.nl/gratis-woordenboek/nederlands/betekenis/boetekleed#.XJ3yxrdAq-s
-https://nl.wikipedia.org/wiki/Cilicium
-Macht en gezag in de negende eeuw – Mayke de Jong (p.70)

Bron

De aanslag op Hitler en Mussolini die nooit plaatsvond

In nog geen 120 pagina’s licht de Utrechtse cultuurhistoricus Asker Pelgrom de sluier van een paar belangrijke momenten uit het leven van de Italiaanse archeoloog en kunstkenner Ranuccio Bianchi Bandinelli. Deze zou in de vroege jaren ‘30 een drietal jaren doorbrengen aan de Universiteit in Groningen. In die periode ontmoette hij de voormalige Duitse Keizer in Doorn. Het is de eerste van de ‘ontmoetingen met de onderwereld’ waarover de titel van dit boekje spreekt.

Ranuccio Bianchi Bandinelli, portret met handtekening (Publiek Domein - wiki)Ranuccio Bianchi Bandinelli, portret met handtekening (Publiek Domein – wiki)Eenmaal terug in Italië kreeg Bandinelli in 1938 opdracht om Adolf Hitler en consorten bij gelegenheid van diens staatsbezoek rond te leiden langs musea en monumenten. Vijf jaar later sloot de Groningse Italiaan zich aan bij het verzet in zijn land, werd in ’44 communist, onderging een korte gevangenschap om na 1945 eerst topambtenaar voor Oudheden en Schone Kunsten en daarna directeur van het wetenschappelijk bureau van de Communistische Partij te worden; daarnaast schreef hij gezaghebbende studies over archeologie en kunstgeschiedenis.

In 1948 zou Bandinelli zijn dagboek over deze jaren publiceren en op de heikele opdracht van tien jaar eerder terugkijken. Waarom had hij – schreef hij – dat moment niet gebruikt om een aanslag te plegen op beide mannen en de geschiedenis veranderd?

Aanslag

Het antwoord op die vraag vormt het hoogtepunt van dit boekje: de enorme twijfel die zich van Bandinelli meester maakt als duidelijk wordt wat zijn taak in het staatsbezoek is. Als kunstkenner, zoon van een Duitse moeder en Italiaanse vader, met zijn perfecte Duits en goede manieren is hij geknipt voor deze rol, het imponeren van het zelfbenoemde genie van boven de Alpen met de rijkdom aan Italiaanse oudheden en kunstgeschiedenis en het souffleren van zijn eigen Duce, die zich tijdens de reisjes langs musea maar stierlijk verveelde. Had hij op een onbewaakt moment met een bom de wereld kunnen verlossen van dit monsterlijke duo? Bandinelli wikte en woog, maar het ontbrak aan contacten, aan georganiseerd verzet, niemand wist, zo schrijft hij in 1948, dat er in Duitsland tien jaar eerder al facties waren die van Hitler af wilden … en dat pas in 1944 daadwerkelijk zouden proberen.

Dit innerlijk gevecht, deze fantasie over de perfecte tirannenmoord, beschreef Bandinelli in zijn naoorlogse autobiografie en vormt na de inleiding het tweede deel van dit boek. Welk belang had hij erbij om dit hele verhaal na de oorlog weer op te rakelen? Dat is niet moeilijk in te zien: van de naoorlogse communist Bandinelli bestonden talloze foto’s waarin hij verkeerde met deze foute groten der aarde, Hitler en Mussolini en hun knechten in het kwaad. De bijna intieme plaatjes laten Bandinelli zien in een zwart uniform terwijl hij beide dictators uitlegt wat er achter al die kunstschatten schuilgaat. Hoe kon hij sindsdien zo’n metamorfose hebben gemaakt? Er moet hem na de oorlog veel aan gelegen zijn geweest om uit te leggen wat hem in 1938 had gedreven en waarom hij die opdracht niet had geweigerd of … zelfs had gebruikt voor een aanslag.

Benito Mussolini en Adolf Hitler in een auto, juni 1940. Bron: WikipediaBenito Mussolini en Adolf Hitler in een auto, juni 1940. Bron: Wikipedia

Die behoefte om zichzelf te rechtvaardigen wordt door Pelgrom wat te weinig toegelicht. Werd er gefluisterd over Bandinelli? Was hij chantabel met dat verleden? Had Bandinelli in 1938 echt gespeeld met de gedachte aan een aanslag? Het antwoord is niet met zekerheid te geven. Pelgrom laat zien hoe zijn hoofdpersoon soms geïmponeerd, soms ‘gefascineerd’ was door de rouwdouwer Mussolini en diens fascisme, zonder fascist te zijn. Aanvankelijk speelde hij het spel van het regime mee, zoals in zijn Nederlandse jaren, toen hij erkende dat het regime hem had ‘gestuurd’ als onderdeel van de ‘cultus van de romanità’, de verering van Italië in het buitenland. Net als anderen zal hij zijn best gedaan hebben om een carrière op te bouwen zonder al te vuile handen te maken. Het afleggen van de eed van trouw aan het regime ging hem begin jaren ’30 niet te ver. De opdracht van 1938, zo suggereert Pelgrom, wierp hem echter op zichzelf terug: wat te doen? De gedachte hield hem uit de slaap. Als rondleider kreeg hij ‘tot op de minuut inzage in het protocol voor zijn bezoek’. Hij gaat na of de politie hem in de gaten houdt, maar nee, ‘niets, de politie hield zich niet met mij bezig’.

Twijfel

Uiteindelijk ontbrak het aan overtuiging en organisatie. Zou een aanslag een oorlog kunnen voorkomen? Met de kennis van later viel het antwoord positief uit, maar, zo schrijft Bandinelli in 1948, tien jaar eerder had hij dat anders gezien. Toen zag hij een – korte – Tweede wereldoorlog als onvermijdelijk en zelfs zinvol als opmaat naar het socialisme. En hoe moest hij een aanslag plegen? Wie leverde hem explosieven? Dat hij zelf zo’n poging niet zou overleven was één ding, maar hoe kon hij zijn gezin redden? Zou het geen verdenking wekken als hij hen naar Nederland zou sturen? Het peinzen en piekeren liep dus op niets uit, schrijft hij, en wie zou hem dat kwalijk kunnen nemen? Daaronder “school wellicht, zonder dat ik het besefte, de huiver van een levend wezen voor de eigen ondergang”, schrijft hij verontschuldigend. Dan was er twijfel aan de zin van zo’n aanslag als de historische ontwikkeling toch niet afhing van individuele daden. En, zo erkende hij in 1948, wat toen in 1938 wél overeind bleef was de nieuwsgierigheid naar deze beide mannen. Wat voor pummels waren dat eigenlijk?

Zijne majesteit

Ex-keizer Wilhelm II in Doorn poserend in burgerkleding.(1933) - Publiek Domein / wikiEx-keizer Wilhelm II in Doorn poserend in burgerkleding.(1933) – Publiek Domein / wikiMet de schets van dit verschrikkelijke dilemma is het belangrijkste verhaal – dat van de aanslag die niet werd gepleegd – uit dit boek wel verteld, de rest is – vermakelijke – petite histoire. Hoe zat het met die benoeming in Groningen? Die was het gevolg van het streven van de schatrijke mecenas mevrouw Goekoop om de archeologie in Nederland op een hoger peil te brengen. Ze passeerde de vanuit Italië voorgedragen joodse kandidaat om de overkomst van de jonge, dynamische en wellevende Bandinelli te financieren. Het beviel hem wel in de Martinistad waar hij onder andere bevriend raakte met de Groningse Ploegschilder Johan Dijkstra, die een joyeuze tekening van hem maakte en met wie hij bleef corresponderen.

De belangrijkste ontmoeting in deze Nederlandse periode was zoals gezegd die met de verbannen Duitse keizer die voor 1914 zelf bij verschillende opgravingen was betrokken. Bandinelli geeft een mooie schets van het bekrompen adellijke milieu in Doorn, waar de ‘hofhouding’ de al meer dan tien jaar eerder afgezette en nu voornamelijk houthakkende vorst toch bleef begroeten met ‘Seine Majestät’. De zelfvoldane Keizer hield lange monologen zodat zijn beleefde gast eigenlijk geen kans kreeg ook maar een hap naar binnen te werken. Bandinelli schrijft badinerend:

“De gesprekstechniek van de Kaiser was tamelijk eenvoudig: hij stelde een vraag, hij wilde weten op welk punt zich een bepaalde kwestie bevond. … En wanneer hij het antwoord had gekregen, zei hij dat hij dat altijd al, reeds meer dan 20 jaar, van mening was of dat hij dat altijd al had geweten en had gezegd tegen de heren professoren.”

‘Alles zersteert’

Interessante details komen ook naar voren in de verslagen van de ontmoetingen met Hitler en Mussolini. Groter verschil dan tussen beide mannen was nauwelijks denkbaar, aldus onze waarnemer, want terwijl de Italiaan een groot machismo ten toon spreidde, bekeek de theedrinkende en droge koekjes happende Duitser, de kunstvoorwerpen bijna onderdanig, zijn handen devoot gevouwen voor zijn kruis. Dat was, zo grapte de Italiaan in de straat, het énige lid van het hele Duitse rijk dat nog altijd werkloos was.

Terwijl Mussolini zich verveelde bij de kunstwerken, ontroerden ze de theemuts Hitler. De matte Führer zou zijn museumgids na een bezoek aan de Villa Borghese toevertrouwen, dat als hij nog privépersoon zou zijn, hij

“hier wekenlang zou blijven. Soms spijt het me politicus te zijn geworden. En de zon hier! Bij mij thuis op de Obersalzberg sneeuwt het nog”.

Ontmoetingen in de onderwereld - Ranuccio Bianchi BandinelliOntmoetingen in de onderwereld – Ranuccio Bianchi BandinelliDan weer sloeg de emotie om in woede en schreeuwde de Duitser dat hij het de bolsjewieken nooit zou toestaan om een einde te maken aan deze grote kunst. “Wenn der Bolschewismus gekommen wär …” monkelde Hitler dan … waarbij Mussolini het refrein inzette „met een zekere lompheid en met schouderophalen, maar in zijn vlekkeloze Duits met Romagna-tongval: “Alles zersteert” (Alles verwoest)”. De scene is bijna slapstick, een sequentie uit de film ‘the Great Dictator’ van Charlie Chaplin, maar dan op basis van een serieuze getuige.

Kortom, een kostelijk boekje dat een intrigerend beeld geeft van deze ene man met zijn ontmoetingen in de onderwereld en dat levensgrote, té grote dilemma. Dat Pelgrom zich beperkt tot deze drie kwesties – Groningen, het bezoek aan Wilhelm II en de omgang met de As-dictators – is begrijpelijk, maar wel jammer, want de lezer blijft met vragen zitten. Hoe verliep Bandinelli’s leven in de periode tussen 1938 en 1943 toen hij de definitieve stap zette richting verzet en communisme en daarvoor ook risico’s nam. Daarover had de auteur best iets meer kunnen vertellen. Het blijft immers de vraag of Bandinelli, die tijdens de lange bezoeken aan musea en tentoonstellingen Hitler en Mussolini soms de mooiste verhalen opdiste, die hij zonodig ter plekke verzon, in zijn terugblik in 1948 niet ook een belang had bij het opleuken van zijn verhaal.

~ Joost Eskes

Boek: Ontmoetingen in de onderwereld – Ranuccio Bianchi Bandinelli
Ook interessant: De 43 hondenlevens van Adolf Hitler

Bestel dit boek bij:

Bron

Iemand de das omdoen – Herkomst en betekenis

Als iemand de das omgedaan wordt, is het lot voor diegene beslist. De teerling is geworpen. De uitdrukking ‘iemand de das omdoen’ kan afhankelijk van de context iets zwaars of minder zwaar betekenen. Waar komt deze uitdrukking vandaan.

Betekenis van iemand de das omdoen

F.A. Stoett (Bron: dbnl.org)F.A. Stoett (Bron: dbnl.org)Zo kan een lekke band iemand die ergens op tijd moet zijn, de das omdoen. Die persoon kan niet meer verder fietsen. Geen grote ramp, want banden kun je plakken. Erger is het als een economische crisis een bedrijf de das omdoet. Het bedrijf gaat failliet, het is over en uit met de onderneming en personeelsleden verliezen hun baan.

Mogelijke herkomst van ‘de das omdoen’

Waar komt iemand de das omdoen eigenlijk vandaan? Hierover lopen de meningen uiteen. Zo stelt de taalkundige F.A. Stoett in zijn Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (1923-1925) dat de term ‘das’ met worstelen te maken heeft. De das was volgens hem een speciale greep rond de nek van je tegenstander, die de partij moest opgeven wanneer hij op deze manier werd beetgepakt.

Volgens andere verklaringen duidt de das op de strop van een galg. Deze uitleg is te vinden in onder meer het Groot Uitdrukkingenwoordenboek van Van Dale uit 2006. Een das lijkt ook op een strop. Deze uitdrukking werd vermoedelijk – aldus Onze Taal – al vanaf de middeleeuwen gebruikt en lijkt de meest logische verklaring voor ‘de das omdoen’. In elk geval was in de achttiende eeuw ‘das’ in de dieventaal een benaming voor ‘strop’.

Dasjes

Ouderwetse halsdoen (CC BY 4.0- Elisabeth Eriksson / Nordiska museet - wiki)Ouderwetse halsdoen (CC BY 4.0- Elisabeth Eriksson / Nordiska museet – wiki)De website taalgedacht.nl meldt, anders dan Onze Taal, dat het woord ‘das’ pas in 1666 voor het eerst voorkwam in de Nederlandse taal. En wel op de volgende manier:

“De vroegste opschrijving die wij kennen is pas uit 1666, in het verkleinde meervoud dasjes ‘halsdoekjes’. Volgens de oudste gissing is das zo goed als gelijk aan de dierennaam das, omdat men vroeger de gewoonte had dassenvellen om de nek te dragen.”

In 1996 publiceerde de onderzoeker Dick Wortel een interessant artikel over de herkomst van ‘de das omdoen’. Hij schreef onder meer:

“Het woord strop ‘strop, strik’ is reeds Middelnederlands (…). De betekenis strop ‘strafwerktuig’, namelijk om iemand daarmee te wurgen of daaraan op te hangen, is eveneens vanaf de Middeleeuwen bekend. De vorm van de das lijkt op die van de strop van de galg. Das kan (…) dus de betekenis van ‘strop’ hebben. Reeds in de achttiende eeuw was das in de ‘dieventaal’ een woord voor strop.”

~ Enne Koops

Lees ook: Huzarenstukje: herkomst en betekenis
Boekentip: Boeken over taalgeschiedenis

Bronnen

Artikelen en internetsites

-Dick Wortel, ‘Over de etymologie van “das” en “iemand de das omdoen” ‘, Trefwoord 11, pag. 144-152.
-http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/das1
-https://onzetaal.nl/taaladvies/iemand-de-das-omdoen/
-https://taaldacht.nl/2014/02/23/das/

  • Doodstraf

Bron

Groot onderzoek naar Romeinse villa Voerendaal

In Voerendaal bevinden zich de resten van een monumentaal Romeins villa complex uit de tweede of derde eeuw na Christus. Deze villa Voerendaal-Ten Hove is verreweg de grootste van Nederland: de gevel van het Romeinse gebouw mat wel 190 meter. Afgelopen week presenteerden de provincie Limburg, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en het Limburgs Museum in Venlo plannen voor een groot onderzoek naar deze vindplaats.

Romeinse ijzeren sleutel, Villa Voerendaal-Ten Hove. In Romeinse huizen werd de huisraad opgeborgen in kasten en kisten, die waren voorzien van een slot (Limburgs Museum)Romeinse ijzeren sleutel, Villa Voerendaal-Ten Hove. In Romeinse huizen werd de huisraad opgeborgen in kasten en kisten, die waren voorzien van een slot (Limburgs Museum)De villa lag langs een belangrijke Romeinse weg, de Via Belgica, en was een belangrijk knooppunt in het netwerk van handel in agrarische producten. Vanwege die functie, en zijn omvang, is de villa volgens de deelnemende partijen van internationale betekenis.

Het is ook de enige villa waarvan vast is gesteld dat er een aquaduct (waterleiding) aanwezig was. Al sinds de negentiende eeuw worden er opgravingen verricht op het terrein, maar die onderzoeken zijn nooit eerder in samenhang bestudeerd. De RCE:

“Het is een archeologische schatkist die nu voor het eerst wordt geopend. Met het komende onderzoek kan eindelijk het verhaal van dit enorme Romeinse complex worden verteld. Een aanvankelijk klein, lokaal boerenbedrijfje groeide uit tot een grootschalig agrarisch complex dat graanvoorraden leverde aan Romeinse grenstroepen. Wie zorgde voor die verandering? Wie woonden er? Hoe leefden ze? Veel vragen waar archeologen na een grondige uitwerking en analyse van de eerder gedane vondsten een antwoord op hopen te geven.”

Het onderzoek gaat drie jaar duren en wordt financieel ondersteund door de rijksoverheid en de provincie Limburg.

Overzicht van boeken over het Romeinse Rijk

Bron

Dalia Grinkeviciute, een veertienjarig meisje in de Siberische Goelag

Het deze week verschenen

Schaduwen over de toendra

(Ambo|Anthos) van Dalia Grinkeviciute is het aangrijpende oorlogsdagboek van een veertienjarig meisje in een Siberische

goelag

. Op eenentwintigjarige leeftijd weet Dalia de goelag te ontvluchten en keert ze terug naar Litouwen. Daar zet ze haar ervaringen uit het strafkamp op papier. Ze begraaft de aantekeningen in haar achtertuin, uit angst voor represailles van de KGB. Pas in 1991, vier jaar na Dalia’s overlijden, wordt het dagboek bij toeval gevonden. Op Historiek een fragment uit het werk dat in Litouwen tot de literaire

canon

behoort en in één adem genoemd wordt met Solzjenitsyn, Primo Levi en

Anne Frank

.

Schaduwen over de toendra

In de zevende Joodse barak is Gamzienė gestorven. Een knappe Jodin van veertig. Voormalig fabrikante. In het Altajgebied woonden we in dezelfde barak. Ze was een sympathieke en hartelijke vrouw, en ze hield intens van haar zoon Nolja, een lange, slanke, zeer begaafde en intelligente achttienjarige jongen. Iedere avond zat ik met Nolja naast de kachel. In die tijd leden we nog geen honger en leefden we in de illusie van een spoedige terugkeer. Nolja sloot zijn ogen en zong met zijn diepe bas. […]

‘Hij is ziek, en omdat hij er al zo lang ligt zijn zijn tenen bevroren’

Tamulevičius gaat met zijn brigade naar de zevende barak om Gamzienė op te halen. Naast haar ligt haar zoon. Hij is ziek, en omdat hij er al zo lang ligt zijn zijn tenen bevroren. Nu heeft hij gangreen in zijn voeten. Luizen kruipen over het gezicht en de borst van Gamzienė, ze springen over op haar zoon en de man rechts naast haar. Tamulevičius heeft een stuk brood op haar borst ontdekt dat de stervende vrouw tussen haar lompen had verstopt. Ook op het brood krioelt het van de luizen. Tamulevičius steekt zijn hand uit en grist het brood weg, schudt snel de luizen eraf, en het verdwijnt in zijn mond. De lompen van Gamzienė zijn tegen de ijskoude stenen muur vastgevroren. […]

Goelag-barak (CC BY-SA 3.0 - 	Pudelek - wiki)Goelag-barak (CC BY-SA 3.0 – Pudelek – wiki)

Een zware, uitputtende, volkomen normale werkdag is voorbij. Ik zit bij de kachel, waarin zoals altijd de gestolen planken liggen te branden. Links en rechts worden straffen uitgedeeld, maar je moet nou eenmaal blijven stelen, en daarom gappen we om de beurt. We gaan altijd met z’n tweeën, zodat een de wacht kan houden. Alleen Nausėdienė gaat nooit mee, zij kan het niet opbrengen, haar hele wezen verzet zich ertegen – ze heeft zelfs nooit een staatsvod ontvreemd. Ze is niet veranderd. In het begin verbaasden we ons over haar, het zwarte schaap in onze ogen, later werden we er kregelig van dat ze zo gewetensvol was. Wij zouden zelfs nog het dak van Sventickis’ huis af hebben gesloopt. Ze werd niet boos op ons, maar trouw aan haar principes als ze was zei ze slechts: ‘Geloof me, ik kan het niet.’ En dus vielen we haar niet lastig, alleen al omdat ze nu eenmaal een bijzonder mens was.

Wachttoren van een Goelag-kampWachttoren van een Goelag-kamp – ccOp de eerste kerstdag, nog voor we met het hout de oever van de rivier hebben bereikt, steekt er een sneeuwstorm op. We kunnen niet met lege handen terugkeren. En onze terugkeer wordt een nachtmerrie. Het pad is dichtgesneeuwd, overal liggen bergen verse, zachte sneeuw waarin we wegzakken. We kunnen niet op onze benen blijven staan, wankelen, vallen en komen vast te zitten in ons tuig. De wind zwiept van opzij, smijt onze slee met hout om, rukt de balken van het tuig los, en alles vliegt in de gierende wind nog een paar meter verder door de lucht. We raken van het pad.

Op ons daalt de duisternis van de poolnacht neer. We zien elkaar in het donker niet meer en veranderen langzaam in standbeelden van sneeuw en ijs. Sneeuw in je handschoenen, je nek, je broek. Totoraitytės tenen bevriezen: ze heeft oude vilten laarzen vol gaten. Ze slingert in het touw heen en weer, kan niet meer trekken, kan nauwelijks nog lopen. We willen de boel al laten staan en op ons eigen houtje verdergaan – dat zou hoe dan ook beter zijn dan samen te creperen. Misschien dat iemand het in deze kerstnacht dan nog haalt? Maar Krikštanienė – die geweldige vrouw, die moedig is als een man, die nooit haar tegenwoordigheid van geest verliest – maant ons om bij elkaar te blijven. Korte tijd later bereiken we Konstantinovka, en met tegenwind in het gezicht slepen we ons langzaam voort naar Trofimovsk. De sneeuwstorm blaast ons nog een paar keer met slee en al omver, maar de berg, ons Golgota, is al snel bedwongen.

Vanagas keurt ons werk – hij schat het door ons meegebrachte hout met zijn blote oog en zegt dat we de hele boel naar het veld voor de school moeten brengen. De laatste tweehonderd meter tot het veld zijn de ergste. Dan houden we eindelijk stil en zijn lang bezig om ons van tuig en touwen te ontdoen. Wij met ons vijven, zonder een woord te zeggen, zwijgend.

‘Ik zal me overal doorheen slaan. Ik had nooit gedacht dat ik zo sterk aan het leven hing.’

Vanagas is allang terug in zijn keet. Of we het hout hier nou lossen of niet, niemand die het ziet. En dan moeten ze later maar het tegendeel bewijzen… Een moment later brengen we onze slee weer in beweging – naar onze barak. Nausėdienės hart zal zich waarschijnlijk samentrekken, maar god nog aan toe, ook zij zal het fijn vinden dat ze zich met kerst aan het petroleumvatkacheltje kan warmen. Onderweg stuiten we op directeur Mavrin, gehuld in een bontjas. Hij zal wel denken dat we het hout naar de ziekenbarak brengen. Binnen vijf minuten is onze slee leeg en het hout in onze barak. Het kacheltje gloeit. Drie roebel verdiend en eigen hout op de koop toe.

In de barak met zijn pantser van ijs struikel ik alweer ergens over… een weerzinwekkende damp… de stank van urine. We zijn door en door verkleumd, er zit rijp op onze gezichten – grote, witte vlekken. We wrijven ze in met sneeuw. Op mijn taille heb ik wonden.

Schaduwen over de toendra - Dalia Grinkeviciute (€21.99)Schaduwen over de toendra – Dalia Grinkeviciute (€21.99)Krikštanis wil het hout wel hakken. ‘Barniškienė, haal je kind hier weg, ik moet hout hakken.’ Achter me ligt het stamblok waarop we het hout hakken; er ligt iets wits op. Ik loop ernaartoe, buk me en vind op de tast het dode lichaam van een klein kind. De kleine Barniškiukas is vandaag gestorven.
‘Ik weet niet waar ik met hem naartoe moet.’
‘Schuif hem gewoon onder de brits.’
Een moment lang schemert er witachtig een kinderlichaam voor mijn ogen en verdwijnt dan. Albertas komt onze barak in. Hij wil afscheid nemen en geeft iedereen een hand. Ik zit bij het vuur. Albertas gaat naast me zitten, steekt een sigaret op en geeft me iets van zijn tabak. Ik draai ook een saffie. We zwijgen.

‘Ik ben blij, Dalia, dat ik deze hel straks achter me laat. In het kamp van Stolby zal het niet slechter zijn, erger kan niet. Mijn moeder is er niet meer. Die drie jaar strafkamp kom ik wel door. Daarna keer ik terug naar het leven. Dan zullen wij, Dalia, léven. Heerlijk leven. Ik zal me overal doorheen slaan. Ik had nooit gedacht dat ik zo sterk aan het leven hing.’
Albertas brengt zijn gezicht heel dicht bij het mijne en voegt er nadrukkelijk aan toe: ‘Wij zijn jong, wij zullen leven, wij gaan het redden.’

~ Dalia Grinkeviciute

Boek: Schaduwen over de toendra – Dalia Grinkeviciute
Ook interessant: De Goelag Archipel: een hard gelag

Bestel dit boek bij:

Bladervideo: Schaduwen over de toendra

Bron

Methode en belang van het onderzoek

Door het onderzoek naar zowel hedendaags als antiek genetisch materiaal is het mogelijk uitspraken te doen over bijvoorbeeld de relatie tussen de diverse leden van de Achttiende Dynastie van Egypte, waarvan de mummies over zijn. Ook kunnen we uitspraken doen over bepaalde antieke ziektes – Ötzi zou doodziek zijn geworden van melk – en het uiterlijk van mensen. Het belang van dit soort onderzoek voor het begrip van antieke migraties is groot en ik heb het behandeld in Wahibre-em-achet en andere Grieken, dat momenteel bij de corrector ligt en op 4 april wordt gepresenteerd.

Ook al spreken we van DNA-revolutie, dat is eigenlijk niet helemaal juist, want er is een tweede laboratoriumtechniek met een (minimaal voor migratie) even groot potentieel: het isotopenonderzoek. Dit vergt even wat uitleg maar de conclusies zijn echt leuk.

1.

Atoomkernen bestaan uit protonen en afhankelijk van het aantal daarvan hebben de elementen een naam. Eén proton is het element waterstof, twee protonen is helium en zo voort. Daarnaast zijn er in de atoomkernen neutronen en dat zijn er niet altijd even veel. De zevenendertig protonen van het element rubidium krijgen meestal gezelschap van achtenveertig neutronen – dat heet dan 85Rb omdat er in totaal vijfentachtig protonen en neutronen zijn – maar soms zijn er minder of meer neutronen. Atomen met een verschillende massa worden aangeduid als isotopen.

Marie CurieMarie Curie ontdekte dat allerlei isotopen instabiel zijn. Na verloop van tijd vallen ze uiteen in stabielere atoomkernen. Daarbij komt straling vrij. Zo verandert in de kern van 87Rb een neutron in een proton, waarna we te maken hebben met negenenveertig neutronen en achtendertig protonen, en dus met een ander element: het stabiele strontium. Of, om precies te zijn, 87Sr. Dit is een voorbeeld van wat bekendstaat als radioactief verval en de snelheid waarmee het gebeurt wordt meestal aangeduid als de halfwaardetijd. In het gegeven voorbeeld is die heel erg laag: voordat van een monster 87Rb de helft is omgezet in 87Sr, is een kleine vijftig miljard jaar verstreken. Dat is drie keer zou oud als het heelal, dus als iemand zou zeggen dat 87Rb eigenlijk stabiel is, dan heeft ’ie een punt. Desondanks zijn er gebieden waar het betrekkelijk veel voorkomt, namelijk als het afkomstig is uit lang geleden gevormd, rubidium bevattend gesteente, en zijn er ook gebieden waar het minder vaak voorkomt.

2.

Strontium heeft chemische eigenschappen die lijken op calcium. Daardoor kan in planten, die strontiumhoudende mineralen uit de bodem opnemen, in een molecuul de plaats van calcium zijn overgenomen door strontium en zo terechtkomen in de botten en het tandglazuur van plantenetende dieren. Aangezien de bodem niet overal hetzelfde is samengesteld, is ook de aanwezigheid van 87Sr niet dezelfde.

En nu de grote truc: je kunt iemands tandglazuur, dat zich vormt in de jeugd, vergelijken met iemands botten, die gedurende een heel leven worden gevormd en dus de omgeving documenteert waar hij is overleden. Als iemand nooit is verhuisd, is het percentage 87Sr (in verhouding tot een stabiele isotoop als 86Sr) hetzelfde. Is het echter anders, dan is hij verhuisd vanuit een gebied met een merkbaar andere samenstelling.

Een van de eerste keren dat dit soort onderzoek werd uitgevoerd, betrof het gebeente van enkele in Vlaanderen vereerde, vroegmiddeleeuwse heiligen, waarvan het heiligenleven vermeldde dat ze niet waren begraven in hun geboortestreek. Dat werd bevestigd door het isotopenonderzoek. Een ronduit verbluffende conclusie kon worden getrokken over een rund dat om het leven is gekomen tijdens de slag in het Teutoburgerwoud: het was geboren in Italië, over de Alpen gekomen toen de Romeinen oprukten naar de Donau, later teruggekeerd naar Italië en uiteindelijk dus aan zijn einde gekomen bij Kalkriese.

(Dit soort onderzoek is mogelijk omdat rundergebitten iets anders in elkaar zitten dan die van mensen, waardoor je er meer mee kunt doen dan alleen een vergelijking van geboorte- en sterfgebied. Het fijne weet ik hier ook niet van.)

3.

Wat geldt voor strontium, geldt ook voor lood, dat eveneens een aanwijzing biedt voor de ouderdom van deze of gene bodem. Andere elementen, zoals koolstof en zuurstof, zijn weer te verbinden met omgevingsfactoren als de nabijheid van de kust, fotosynthese of de hoogte. Als we het hebben over multi-isotoop-onderzoek, is er, zoals de naam al aangeeft, gekeken naar diverse elementen.

Mapping Migrations - Proefschrift van Lisette M. KootkerMapping Migrations – Proefschrift van Lisette M. KootkerZelfs in een kleine regio als Nederland zijn verschillen aan te wijzen en in het recente proefschrift van Lisette Kootker is een van de conclusies dat in de laatste eeuwen v.Chr. mensen over betrekkelijk grote afstanden hebben gereisd. Zo blijkt ongeveer de helft van de bevolking van het Nederlandse rivierengebied niet lokaal te zijn opgegroeid. Voor andere gebieden en tijdvakken was het weer anders.

Een voorbeeld dat het nieuws haalde: in 2015 identificeerde Nico Roymans bij Kessel, waar de Maas en Waal samenkomen, de resten van wat een antiek slagveld lijkt te zijn geweest. Tenminste vier van de mensen die hier gewelddadig om het leven zijn gekomen, blijken niet afkomstig uit het rivierengebied, wat past bij de hypothese dat dit de plaats is geweest waar Julius Caesar twee stammen uitmoordde die afkomstig waren uit Germanië. Nu was de helft van de bevolking daar niet in de regio geboren, dus we zouden wel meer gegevens willen hebben. Eigenlijk zouden we het liefst willen dat we niet vier maar veertig mensen konden onderzoeken en dat we niet concludeerden dat ze niet uit het rivierengebied kwamen, maar dat ze uit pakweg het Roergebied kwamen. Desondanks staat toch maar mooi vast dat deze mensen niet afkomstig waren uit de regio. Tien jaar geleden zouden we niet van zulke inzichten hebben durven dromen.

~ Jona Lendering

Jona Lendering is historicus, webmaster van Livius.org en docent bij Livius Onderwijs. Hij publiceerde verschillende boeken. Zie ook zijn blog: mainzerbeobachter.com

Het proefschrift van Kootker kunt u

hier

downloaden. De Nederlandse samenvatting is

daar

en begint op blz.254. Kootker is een van de spreeksters op “Oog op de Oudheid 2019”, op dinsdag 9 april in het RMO.

Bron

Proletariërs en proletariaat – Betekenis en herkomst

Het begrip proletariër is afkomstig uit de Romeinse Tijd. In de Oudheid vormden proletariërs de onderklasse van de Romeinse samenleving, het zogeheten proletariaat. Wat is de precieze betekenis en herkomst van het begrip proletariërs?

Betekenis van de term

Voorblad van het communistisch manifest van Karl Marx en Friedrich EngelsVoorblad van het communistisch manifest van Karl Marx en Friedrich EngelsProletariërs golden in de tijd van de Romeinen als de onderklasse van niet-adelijke personen. Zij vormden de klasse van de armen, bezitslozen, of iets letterlijker: proleten. Proleten waren mensen die niets anders hadden dan hun kinderen. Ze hadden geen burgerrechten en beschikten evenmin over eigen grond.

In het boek Wetenswaardig allerlei. Bijdragen tot algemeene kennis (1922) gaf Teunis Pluim (1864-1931) een kernachtige omschrijving van de proletariër:

“De Romeinsche koning Servius Tullius (578-534 v.Chr.) deelde de bewoners naar hun vermogen in vijf klassen in. Zij, die zóó weinig bezaten, dat zij niet eens in de laagste klassen vielen, werden proletariërs genoemd. Het woord is afgeleid van “proles” = nakomelingschap, daar zij alleen door hun kinderen (als soldaten) den staat van dienst konden zijn.”

De proletariërs vormden een klasse naast de klasse van patriciërs: de gegoede stand, de adel. Deze patriciërs hadden de bestuurlijke macht in handen en bezaten burgerrechten en grond. Tussen beide klassen in werd nog de klasse onderscheiden van de plebejers. Zij waren meestal boeren of vaklieden met een eigen stuk grond, hadden wel burgerrechten en werden beschermd door het Romeinse recht.

“Proletariërs aller landen verenigt u!”

Het begrip ‘proletariër’ werd in de negentiende eeuw beroemd toen Karl Marx en Friedrich Engels deze term gebruikten in hun Manifest van de Communistische Partij (1848) hun beschrijving van het communisme. Het manifest had de quote ‘Proletariërs aller landen verenigt u’ op de omslag staan en eindigde met dezelfde oproep aan arbeiders:

“Proletariërs aller landen verenigt u!”

Lees ook: Plebs & patriciër: herkomst en betekenis

Bronnen

Internet
-http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/proletarier
-http://romeinen.info/servius-tullius-de-tragische-koning-578-534-v-chr/
-https://www.encyclo.nl/begrip/proletari%C3%ABr
-https://www.ensie.nl/memo/proletarier

  • Oudheid
  • Rome
  • Taaltrivia

Bron

De Nederlandse opgraving op Tell Deir Alla (1960-1967)

De oudheidkundige beschikt over teksten en over vondsten. Die twee soorten data documenteren op verschillende manieren hetzelfde verleden. Ze zijn allebei lastig. De geschreven bronnen veronderstellen een wereld, een wereldbeeld en een vormentaal die grondig afwijken van de onze; ze zonder doordachte uitlegstrategie (“hermeneuse”) lezen is zoiets als bij de Ronde van Frankrijk gaan zoeken naar de man met de hamer. Archeologische vondsten zijn dan weer ambigu en zeggen alleen maar iets als je gerichte vragen stelt. Oudheidkunde is geen kwestie van “Data, data, speak to me!” De data zeggen pas iets als je een vraag en een methode hebt.

Daarbij komen de problemen van de wisselwerking tussen deze twee soorten bewijsmateriaal, zoals bij de chronologie. Die is voor de archeologie voor een deel gebaseerd op het aardewerk, dat aanvankelijk werd gedateerd aan de hand van geschreven bronnen. Simpel voorbeeld: als we daarin lezen dat de Assyriërs het koninkrijk Israël rond 724 v.Chr. onder de voet liepen, dan zal het Assyrische vaatwerk dat in Megiddo is opgegraven wel dateren van na dat jaar. De teksten bieden in deze redenering dus een ijkpunt voor de aardewerkchronologie. Lange tijd probeerden oudheidkundigen op deze wijze ook een chronologie te bouwen voor eerdere perioden in het Israëlisch-Palestijnse verleden, maar dat is niet gelukt. Inmiddels is de verhouding tussen tekst en vondst omgedraaid: de aardewerkchronologie wordt zoveel mogelijk gebaseerd op laboratoriumtechnieken, daarmee bepalen wetenschappers het verhaal over de Brons- en IJzertijd, en pas daarna wordt gekeken hoe de teksten daarbinnen passen.

Tell Deir Alla

Een eerste stap in die richting werd gezet in Tell Deir Alla in Jordanië, waar de Leidse onderzoeker Henk Franken (1917-2005) in de jaren zestig onderzoek deed, speciaal gericht op de aardewerkchronologie. Aan zijn werk is een heel leuk boek gewijd, We graven hier niet de Bijbel op! van Margreet Steiner en Bart Wagemakers.

In een eerste hoofdstuk wordt de politieke situatie geschetst: het VN-mandaat over Palestina was in 1948 beëindigd, de staat Israël was gesticht en Jordanië had de westelijke Jordaanoever geannexeerd. Ook al lag het centrale deel van de Jordaanvallei, waar Tell Deir Alla lag, nu binnen de grenzen van Jordanië, het was weleens makkelijker geweest om de bijbelse landen te bezoeken. Los daarvan was dit gebied wat achtergebleven. Eén van de voorwaarden die de eigenaar van de vindplaats stelde, was dat Nederland een waterzuiveringsinstallatie voor het dorp bouwden. Pas toen daarover een akkoord was bereikt, konden de archeologen hun tenten opslaan bij Tell Deir Alla. Dat van die tenten moet u overigens letterlijk nemen.

Robert Mortimer WheelerRobert Mortimer WheelerEen van de leuke trekken van dit onderzoek was dat de archeoloog van dienst als theoloog was geschoold. Franken was echter bijgeschoold door Katherine Kenyon, die aan de overkant van de rivier in Tell es-Sultan opgroef, het antieke Jericho. Zij is degene die de door de Britse archeoloog Mortimer Wheeler ontwikkelde kwadrantenmethode introduceerde in wat destijds nog de bijbelse archeologie heette. Hierbij wordt een terrein verdeeld in een reeks vierkante opgravingsputten, waardoor het horizontale vlak van de eigenlijke opgraving eenvoudig valt te relateren aan het profiel in de vier aangrenzende dammetjes. Hier werd een nieuwe wetenschappelijke standaard geïntroduceerd en Franken had zich geen betere inleiding tot de archeologie kunnen wensen.

Nu wilde hij een eigen opgraving en dus begon het bureaucratische spel. De diverse subsidiënten hadden elk zo hun belangen, de Jordaanse autoriteiten en de landeigenaar eveneens, terwijl Franken wilde werken met een duidelijke wetenschappelijke vraag: hij streefde naar een betere aardewerkchronologie. Deze onderzoeksopzet was niet helemaal onbijbels – ze heeft te maken met het vaststellen van de historiciteit van de Intocht van Jozua – maar was toch vooral archeologisch. Vandaar de titel van het boek van Steiner en Wagemakers: We graven hier niet de Bijbel op!

Het zou ironisch genoeg wel gebeuren, en wel op twee manieren. Eén daarvan viel te voorzien. Franken wilde een goede chronologie hebben omdat alleen als de archeologie een eigen verhaal kon vertellen, de wetenschap een kader had om de wereld en het verleden te begrijpen waarnaar de Bijbel verwijst. Lang voordat de koolstofdatering een werkelijk duidelijke chronologie voor de Levant bood – en sommige kwesties zijn nog altijd niet opgelost – begreep Franken het eigenlijke wetenschappelijke probleem.

Bileam

Toen het onderzoek eenmaal liep, vond Franken wat hij niet zocht: een muur waarop met inkt een tekst was geschreven die een bijbels personage noemde, namelijk Bileam. Dit was de man die door de koning van de Moabieten was ingehuurd om een vervloeking uit te spreken over de Hebreeën, die van Egypte op weg waren naar het Beloofde Land. Op het moment suprême kon Bileam, zo lezen we in Numeri, alleen maar een zegen uitspreken die later messiaans zou worden uitgelegd. Nu door de archeologie bekend was hoe de toenmalige wereld eruit zag, beschikken we over een kader om de bijbelse teksten te lezen. Het lijkt er sterk op dat de joodse auteur van Numeri, die wel contacten zal hebben gehad met het heiligdom in Jeruzalem, een kans zag een sneer uit te delen naar de concurrentie aan de overzijde van de Jordaan.

We graven hier niet de Bijbel op! beschrijft de opgraving in de jaren zestig. Het deed me plezier en verdriet te zien dat sommige zaken destijds echt beter waren dan nu. De huidige, tot irrelevantie doorgespecialiseerde sub-sub-sub-disciplines waren er nog niet. De theoloog die werkte als archeoloog is niet het enige voorbeeld; Steiner en Wagemakers vermelden ook archeologen van het Biologisch-Archeologisch Instituut in Groningen, vooral bekend om onderzoek in het noordwesten van Europa, die kwamen werken in het Nabije Oosten.

We graven hier niet de Bijbel op! De Nederlandse opgraving op Tell Deir Alla (1960-1967)We graven hier niet de Bijbel op! De Nederlandse opgraving op Tell Deir Alla (1960-1967)Kortom, onderzoek naar mijn hart. En ook een boek naar mijn hart, want de lezer krijgt niet alleen wat conclusies toegeworpen maar maakt kennis met het eigenlijke onderzoek. Ik beken dat ik graag iets meer zou hebben gelezen over de wijze waarop de bewoners van het dorpje reageerden op de aanwezigheid van de Nederlandse equipe, omdat ik weet dat er behoorlijk wat wordt geroddeld, omdat er cultuurconflictjes zijn en omdat de bevolking haar eigen manieren heeft om met archeologen om te gaan. Ik kan me echter voorstellen dat Steiner en Wagemakers het te ver vonden voeren ook nog een Jordaanse dorpssociologie op te nemen.

Kortom, We graven hier niet de Bijbel op! is een aanrader en het beste Nederlandse boek over archeologie uit 2018.

~ Jona Lendering

Jona Lendering is historicus, webmaster van Livius.org en docent bij Livius Onderwijs. Hij publiceerde verschillende boeken. Zie ook zijn blog: mainzerbeobachter.com

Boek: We graven hier niet de Bijbel op!

Bron

Heimwee naar Bourgondië

Als de lezer het nieuwe boek van Bart van Loo over de geschiedenis van de Bourgondiërs als ‘aartsvaders’ van de Lage landen dichtslaat, dan blijven er twee gevoelens over. Het eerste is dat hij of zij een heerlijk boek heeft gelezen, verteld door ja, een rasverteller, zoals de achterkaft van het boek al aankondigt. Met zijn aanstekelijke humor en fijne beeldspraken doet Van Loo dat verhaal over al die exotische Bourgondische vorsten met hun archaïsche namen (Filips de Stoute, Jan zonder Vrees, Filips de Goede, Karel de Stoute, Maria de Rijke) nog eens helemaal uit de doeken. Het leest lekker weg. Daarover verderop meer. Het andere gevoel is dat de Vlaamse schrijver, Frankrijkkenner en humorist, ook een boodschap heeft: wat jammer dat Bourgondië definitief voorbij is, het had ook heel anders kunnen lopen. Er zit in Bart van Loo’s dikke turf, vooral in de slothoofdstukken, een beetje spijt, een beetje heimwee misschien wel.

Vlaams verdriet

Karel de StouteKarel de StouteWat als het nu es anders gelopen was en aan het einde van de vijftiende eeuw vorstin Maria de Rijke alias Maria van Bourgondië niet van haar paard gedonderd was? Wat als haar zoon Filips de Schone in 1506 niet al op zijn 28ste was overleden? Had het Bourgondische rijk met als kern Vlaanderen, Brabant, Zeeland en Holland dan kunnen voortbestaan? Had de scheiding tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden kunnen worden vermeden? Zou dan ‘Vlaanderen’ niet het belangrijkste gewest zijn gebleven? Of … wat als na de val van Napoleon – zo’n vierhonderd jaar later – die tweede poging om beide lage landen terug te rijgen in dat ene Bourgondische gewaad niet in 1831/39 was stuk gelopen op Belgische branie en Hollandse houterigheid? Met dat heimwee biedt Van Loo een typisch Vlaams perspectief op die eerste staatsvorming in de lage landen: het had allemaal anders kunnen lopen, die Bourgondische eenwording was al met al zo gek nog niet, de scheiding tussen Noord en Zuid was vermijdbaar, pijnlijk en spijtig.

Dat Vlaamse verdriet is voor een Noord-Nederlander moeilijk invoelbaar. Hier is heimwee afwezig. Na dat eerste staatsontwerp met dat stempel van de Bourgondiërs volgde immers een tweede, dat van de Republiek der Zeven Provinciën. Dat ontwerp beviel boven de grote rivieren uitstekend. Het Groot Privilege van 1477 als eerste ‘grondwet’ van de Lage Landen werd vrijwel vergeten, in de zestiende eeuw moeiteloos ingeruild voor de Acte van Verlatinghe en de Unie van Utrecht. Weliswaar werd in 1815 de hereniging met het zuiden geaccepteerd maar over de nieuwe scheiding in 1839 mokte en murmelde alleen koning Willem I heel lang. Misschien dat de geschiedenis van Bourgondië daarom voor Nederlanders exotisch blijft, te Frans, sterk Vlaams, maar … Nederlands?

Bornholm

Dan naar het verhaal, dat zoals gezegd zeer leesbaar is. Maar … het duurt wel even voor Van Loo op gang komt. De neiging om alles te willen vertellen is nooit zo’n goed idee voor een historicus. Van Loo keert terug naar de jaren rond het begin van de jaartelling toen de eerste proto-Bourgondiërs zich vanaf het Deense Oostzee-eiland Bornholm door Polen en Duitsland spoedden om eeuwen later aan de oevers van de Rhône en Saone eindelijk hun tenten op te slaan. Daar breidden ze hun rijk uit, krompen dan weer eens in, liepen een zware nederlaag op tegen de Hunnen, maar verspreidden desondanks hun genen dermate succesvol dat het Scandinavische haplogen Q – aldus Van Loo – er nog altijd terug te vinden is. We hebben dan nog zo’n duizend jaar te gaan voor we bij het eigenlijke verhaal zijn. De aanloop is kortom lang.

Valois-Bourgondië op haar sterkst, ±1475 (CC BY-SA 4.0 - Marco Zonali - wiki)Valois-Bourgondië op haar sterkst, ±1475 (CC BY-SA 4.0 – Marco Zonali – wiki)Maar dan krijgt deze geschiedenis ook wel vaart. Ik pik er een paar elementen uit. Typerend voor Bourgondië bij al die voortdurende uitbreidingen en opsplitsingen, erfopvolgingskwesties en -drama’s, huwelijken, oorlogen en dynastieke zorgen was het uiterlijk vertoon. Ze beheersten de fijne kneepjes van grandeur, propaganda, indruk maken en imponeren tot in hun vingertoppen. Kosten speelden geen rol, de rijke steden van Vlaanderen trokken hun beurzen wel als ze tenminste niet genadeloos door de hertogelijke mangel gehaald wilden worden. De reiskaravaan waarmee ze langs hun vele hoven trokken, was een kijkspel van je welste. Fouragisten namen meubelen, wandtapijten en beddengoed mee, sleepten waterkannen aan, pookten het haardvuur op, legden stro op de vloer en regelden logies voor het hooggeëerd gevolg; een tweede ploeg pakte bij vertrek alles weer in en ruimde op. Narren en minstrelen zorgden voor een lach en een traan, een maarschalk roste de paarden, bakkers, schenkers, fruiteniers dienden culinaire hoogstandjes op; herauten rechtvaardigden al die pracht en pronk door te verwijzen naar de juiste titels en genealogische huzarenstukjes van hun meesters.

Ander punt: een Vlaams schrijver kan ook niet om taal heen. De Bourgondiërs spraken Frans en zouden Vlaanderen een taalregime opleggen dat pas in de negentiende eeuw werd afgeschud. Toch was taal ook in de late middeleeuwen al wel een dingetje. Zo nodig verzoetten de hertogen hun fiscale aanslagen op de Vlaamse burgers door een mondje Diets te spreken. Toch zouden de lokale talen al in de dertiende eeuw uit hun schulp kruipen. Vlaanderen ging daarin voorop: van de 2000 Middelnederlandse teksten van voor 1300 is 70% Vlaams, 7% Hollands en 11% Brabants. Eind dertiende eeuw populariseerde Jacob van Maerlant, de man die “met twee handen tegelijk kon schrijven”, de volkstaal verder. Met de ijver voor het eigene kwam de afkeer van het vreemde. Van Maerlant muntte “wat wals is, vals is”, hij vond de Franse dichters van zijn tijd maar fantasten, al liet hij zich ook door hen inspireren. De flamingant Hendrik Conscience maakte er in de negentiende eeuw van: “Wat wals is vals is. Slaat al dood”. Het is een echo van de geschiedenis die voor de meeste Nederlandse lezers nieuw zal zijn.

Misogyn

Miniatuur van Christine de Pizan, aan het werk in haar studeerkamer (Publiek Domein - wiki)Miniatuur van Christine de Pizan, aan het werk in haar studeerkamer (Publiek Domein – wiki)Voor de Bourgondiërs waren prinsessen vooral instrumenten om hun aanzien en rijkdom te vergroten – zo snel als enigszins kon zochten ze geschikte, rijke partners. Eenmaal getrouwd was het taak van de dames zo snel mogelijk zonen te baren en verder niet te veel te mekkeren. Bourgondië was een ‘fallocratische maatschappij’, schrijft Van Loo. Toch namen Filips de Stoute en Jan zonder Vrees rond 1390 Christine de Pisan in dienst. Ze schreef gedichten, filosofische en politieke essays en nam het voor vrouwen op, die waren, schreef ze, vaak “intelligenter, vlugger van begrip en scherpzinniger dan menig man”.

Natuurlijk was ze een uitzondering. Naast minachting en onderdrukking vierde ook de hoofse liefde triomfen. Die bleef adellijke dames op een voetstuk zetten, waar jonge ridders om heen zwierven; bevallige jongedames wierpen hen hun adellijke zakdoeken toe.

Vaders en zonen

Het meest dramatische deel van het boek is het slot, als van Loo toekomt aan de verhouding tussen de succesvolle hartenjager Filips de Goede en zijn even getalenteerde maar hyper kuise en snel gekrenkte zoon Karel de Stoute. Hoogtepunt is als Filips na een vermetel ‘nee’ van zijn zoon uit het lood geslagen is, er vandoor gaat en dagen onbereikbaar is. Hij stuurt zijn paard en zichzelf letterlijk het bos in. Vader en zoon verzoenden zich maar het vertrouwen was weg. Filips zou in de jaren daarna geleidelijk de greep op zijn rijk verliezen en min of meer dementeren. Eenmaal aan de macht zou de getroebleerde Karel Russische roulette gaan spelen met zijn rijk: tot drie keer dolven zijn legers het onderspit tegen Zwitserse landsknechten. Karel luisterde niet naar raadgevers, meer dan wat dan ook zon hij op wraak en eerherstel. Het kostte hem, in de slag bij Nancy van 5 januari 1477, uiteindelijk het leven. Het was een klap die de dynastie niet meer te boven kwam. De Franse koning zag zijn kans schoon en pikte het Franse stamland van het Bourgondische rijk meteen in. Zo ging dat in die dagen.

Groot Privilege

Karel’ s dochter Maria de Rijke moest na de dood van haar vader meteen concessies doen aan de steden die de dure oorlogen zat waren en tekende nog in hetzelfde jaar het Groot Privilege: het gaf de Staten Generaal, die al in 1464 voor het eerst bijeen gekomen waren, veel macht. Maria trouwde met Maximiliaan van Oostenrijk, een Habsburger, die keizer van het Duitse rijk zou worden. Maria en zoon Filips de Schone overleden jong, Filips vrouw Johanna de Waanzinnige was niet regeringsbekwaam. In 1515 kreeg Karel V de macht. Karel voelde zich nog Bourgondiër, maar moest zich er bij neerleggen dat de zuidelijke provincies Frans bleven. Zijn zoon Filips II had er geen boodschap meer aan. Bourgondië werd daarmee uitgeboend.

De Bourgondiërs - Bart Van LooDe Bourgondiërs – Bart Van LooEr komt nog veel meer langs: het mecenaat van schrijvers, schilders (Van Eyck!), miniaturisten; de leescultuur, de gildes en de lakenhandel, de opkomst van Brugge, Gent en Antwerpen en – met mate – ook steden en landsdelen uit het Noorden. Van Loo vertelt een boeiend verhaal en stelt – zie begin – goede vragen. En dat alles in een … ja, Bourgondische stijl, met alle pracht en praal en verbale overdaad die daar bij horen. Af en toe leiden de krullen af van de lijn in het verhaal, er valt wel eens een haar te veel in de boter. Misschien moet die lezer ook helemaal geen al te gestroomlijnd verhaal willen, maar zich laten meevoeren op de stroom van alle meanders, die Van Loo’s grote voorganger Johan Huizinga al zo mooi typeerde als ’s ‘levens felheid, toen de wereld vijf eeuwen jonger was’.

~ Joost Eskes

Boek: De Bourgondiërs – Bart van Loo

Bestel dit boek bij:

Bart Van Loo over zijn boek ‘De Bourgondiërs’:

Bron

Middeleeuwse liefdesring gevonden in Utrecht

Bij het Meldpunt Archeologie van Landschap Erfgoed Utrecht is onlangs een bijzondere vondst gemeld: een gouden liefdesring uit de Middeleeuwen. Een dergelijke ring is volgens de instelling nog niet eerder in Nederland gevonden. Het gaat hierbij om een ‘black letter posy ring’ gemaakt in de periode 1375-1550. Een soort liefdespoëziering met een dichtregel of motto in gotisch schrift dat voornamelijk in Engeland werd gemaakt en gebruikt.

De teksten die in deze ringen werden gegraveerd waren vaak lieve teksten – in het genre ‘denk aan mij’, ‘vergeet niet wie je lief hebt’ of ‘ik houd alleen van jou’ – maar soms treft men er ook grappige, cynische of meer cryptische teksten in aa

n. De nu gevonden ring valt in die laatste categorie en is zelfs zo cryptisch dat onderzoekers nog niet weten of het raadsel van de liefdesring opgelost gaat worden.

Raadsel

Aan de binnenzijde van de ring staan de woorden Amours portent mon cuer à mon ami, ofwel ‘Liefde voert mijn hart naar mijn lief’ gegraveerd. Er is hier gebruik gemaakt van de mannelijke uitgang voor ami en niet de vrouwelijke (à mon amie) wat betekent dat de liefde aan een man gericht is. Maar in de Middeleeuwen werden deze liefdesringen in principe door een man aan een vrouw gegeven, bijvoorbeeld als trouwring, en werd dus een vrouwelijke uitgang gebruikt.

Foto van de ring (Alexander van de Bunt, Landschap Erfgoed Utrecht)Foto van de ring (Alexander van de Bunt, Landschap Erfgoed Utrecht)

Niet alleen de tekst maar ook de gebruikte afbeeldingen en dichtregel roepen vragen op. Er is tot nu toe nog geen overgeleverd Frans gedicht gevonden waar deze versregel aan te koppelen is. En ook bestaan er geen parallellen van de tekstregel of de afbeeldingen met andere posy-ringen die bijvoorbeeld te zien zijn in het British Museum. Landschap Erfgoed Utrecht:

“Kijkend naar de afbeelding rijst de vraag: gaat het hier om een type jachthond als teken van trouw, of over een panthere d’amour – een liefdespanter met Christelijke betekenis? Op dit moment worden er een aantal theorieën of interpretaties verder onderzocht en gebundeld tot een artikel. Maar of het raadsel van deze geliefden ooit helemaal opgelost wordt? Wie zal het zeggen.”

De vindplaats wordt op verzoek van de anonieme vinder niet bekend gemaakt.

Ook interessant: De ring van Polykrates – Het verhaal volgens Herodotus
Overzicht van boeken over de Middeleeuwen

Bron

De onheilspellende radioactieve wolk uit Tsjernobyl

Bij uitgeverij Ambo|Anthos verschijnt deze week het boek

Nacht in Tsjernobyl

van Adam Higginbotham. De auteur beschrijft hierin het verhaal van de grootste kernramp ooit. In de vroege morgen van 26 april 1986 ontploft een van de vier reactoren van de kerncentrale in

Tsjernobyl

. Duizenden mensen sterven; miljoenen in Oost-Europa en ver daarbuiten worden blootgesteld aan gevaarlijke radioactieve straling. De ramp betekende een keerpunt in het denken over nucleaire energie, luidde indirect ook de ondergang van de Sovjet-Unie in en markeerde daarmee het einde van de

Koude Oorlog

. Op Historiek een fragment uit het boek, over de onheilspellende wolk die na de ramp over Europa trok.

De dood van een wereldrijk: De wolk

Hemelwaarts gedragen door een zuil van verzengende hitte uit de verwoeste kern en verplaatst door behulpzame winden, had de onzichtbare stralingswolk sinds zijn ontsnapping uit het kadaver van eenheid vier duizenden kilometers afgelegd.

Beschadigde reactor in Tsjernobyl (Soviet Authorities - wiki)Beschadigde reactor in Tsjernobyl (Soviet Authorities – wiki)Vrijgekomen in het geweld van de explosie, was hij de stille nachtlucht in gerezen tot een hoogte van zo’n 1500 meter. Daar werd hij gegrepen door krachtige winden uit het zuiden en zuidoosten, die hem met snelheden tussen de 50 en 100 kilometer per uur noordwestwaarts door de Sovjet-Unie meesleurden, richting de Oostzee. De wolk bevatte het instabiele xenon-133, microscopische fragmentjes van bestraald grafiet en deeltjes die uit zuivere radioactieve isotopen bestonden, waaronder jodium-131 en cesium-137, die zoveel hitte genereerden dat ze de lucht om zich heen verwarmden en als honderdduizenden minuscule luchtballonnetjes voortzweefden. In het hart van de wolk zat circa 20 miljoen curie aan radioactiviteit. Toen de Sovjetwetenschappers op zondag 27 april eindelijk regelmatige luchtmetingen gingen doen op de plaats des onheils was het onzichtbare monster al weggeglipt, zodat ze niets wisten over zijn omvang of intensiteit. Hun metingen brachten slechts zijn staart aan het licht. Binnen 24 uur had hij Scandinavië bereikt.

Zondag 27 april 1986, 12:00 uur. Rosø, Denemarken

Zondag rond het middaguur legde een automatisch meetapparaat in het Nationaal Laboratorium van Risø, ten noorden van Roskilde, geruisloos de aankomst van de wolk in Denemarken vast. Maar het was zondag en de metingen bleven onopgemerkt. Een soldaat op het meetstation Kajaani van de Finse strijdkrachten mat die avond een abnormale toename in de achtergrondstraling. Hij meldde dat aan het operationeel centrum in Helsinki, maar er werd verder geen actie ondernomen. Laat op de avond stuitte de pluim boven Zweden op regenwolken, en dat vocht begon zijn besmettende stoffen te absorberen en te concentreren.

Toen de regen uiteindelijk uit de wolken viel, rond de stad Gävle, zo’n 200 kilometer ten noorden van Stockholm, was hij zwaar radioactief.

Maandag 28 april 1986, 07:00. Forsmark, Zweden

Op maandagochtend 28 april zat Cliff Robinson even voor zeven uur te ontbijten in de koffiekamer van de kerncentrale Forsmark, 65 kilometer ten zuidwesten van Gävle aan de Botnische Golf. Robinson, een negenentwintigjarige Brits-Zweedse technicus in het radiochemisch lab van de centrale, ging iedere ochtend naar zijn werk in een bus die ook bouwvakkers naar Forsmark bracht, waar ze een grote ondergrondse opslagplaats voor kernafval aan het bouwen waren.

‘De twee mannen snapten er niets van en besloten dat het apparaat kapot was’

Toen Robinson zijn koffie ophad, ging hij naar de kleedkamer om zijn tanden te poetsen. Op de terugweg liep hij langs een stralingsmeetpunt en het alarm ging af. De technicus, nog half in slaap, snapte het niet. Hij was net aangekomen en nog niet in het reactorblok geweest; hij kon onmogelijk besmet zijn. Er kwam een lid van het stralingsbeschermingspersoneel op het alarm af, aan wie Robinson uitlegde wat er was gebeurd. Hij liep nog eens door de detector. Ook nu weer rinkelde de bel. Maar bij de derde poging bleef de monitor stil. De twee mannen snapten er niets van en besloten dat het apparaat kapot was. Misschien stond de alarmdrempel verkeerd ingesteld. De stralingscontroleur liet Robinson gewoon weer aan de slag gaan. Het apparaat kon later worden gerepareerd.

De radioactiviteit in Tsjernobyl wordt gemeten. Bron: Publiek domein.De radioactiviteit in Tsjernobyl wordt gemeten. Bron: Publiek domein.

Toevallig hield Robinson zich in het laboratorium bezig met het meten van radioactiviteit binnen het gebouw van Forsmark 1 en in zijn uitstoot. De reactor was pas zes jaar oud maar werd geplaagd door technische foutjes. Lekkende splijtstofstaven hadden die winter al voor kleine hoeveelheden radioactiviteit in de omgeving gezorgd. Zijn maandagochtendroutine bracht hem eerst naar de hoogste niveaus van de centrale om monsters uit de ontluchtingsschoorsteen te nemen en die in het lab te analyseren. Dat duurde even. Rond negen uur ging hij weer naar beneden voor nog een kop koffie. Maar toen hij het stralingsmeetpunt naderde, werd zijn weg geblokkeerd door een lange stoet medewerkers, die allemaal het alarm activeerden. Nu stond Robinson pas echt versteld. Hij nam een schoen van een collega, stopte die in een plastic zak om kruisbesmetting te voorkomen en ging terug naar het lab. Hij zette de schoen op de germaniumdetector, een gevoelig apparaat dat gammastralen meet, en dacht te moeten gaan wachten.

‘Robinsons hart stond stil. Hij had nog nooit zoiets gezien’

Maar de resultaten kwamen verschrikkelijk snel, ze explodeerden in steile, groene pieken op het computerscherm. Robinsons hart stond stil. Hij had nog nooit zoiets gezien. De schoen was ernstig vervuild met het gehele spectrum aan splijtingsproducten dat gewoonlijk alleen in de kern van Forsmark 1 te vinden was: cesium-137, cesium-134 en kortlevende isotopen van jodium, maar ook een aantal andere elementen, waaronder kobalt-60 en neptunium-239. Hij besefte dat deze alleen konden zijn ontstaan doordat splijtstof aan de lucht was blootgesteld. Robinson belde onmiddellijk zijn baas, die het ergste vreesde en hem terugstuurde naar de ontluchtingsschoorsteen om nieuwe luchtmonsters te nemen.

Om 09.30 uur werd Karl Erik Sandstedt, de manager van de centrale, gewaarschuwd over de besmetting. Maar de leidinggevenden van Forsmark waren net zo verbijsterd als Robinson was geweest. Ze konden de besmetting niet tot een bron in de centrale herleiden, en toch kwamen de stralingsniveaus op de grond buiten overeen met wat bij dit weer te verwachten was bij een groot lek in een van Forsmarks reactors. Om halftien liet Sandstedt alle toegangswegen naar de centrale afsluiten. Plaatselijke autoriteiten deden uit voorzorg een waarschuwing uitgaan: de bevolking werd via de radio opgeroepen uit de buurt van Forsmark te blijven en de politie zette wegversperringen op. Dertig minuten later was Robinson nog steeds in het lab bezig met zijn nieuwe monsters toen hij in heel het gebouw sirenes hoorde loeien: de hele centrale werd geëvacueerd.

Een bord dat waarschuwt voor radioactiviteit bij een café in Pripyat - Publiek domein - wikiEen bord dat waarschuwt voor radioactiviteit bij een café in Pripyat – Publiek domein – wiki

Tegen die tijd waren er bij nucleaire en defensie-instanties in Stockholm echter meldingen binnengekomen over vergelijkbaar hoge besmettingsniveaus op een onderzoeksinstituut in Studsvik, 200 kilometer van Forsmark verwijderd. Luchtmonsters uit Stockholm vertoonden ook verhoogde straling en een isotopensamenstelling met deeltjes grafiet, wat op een rampzalig ongeval in een civiele reactor wees, maar een van een heel andere soort dan die van Forsmark. Tegen 13.00 uur had het Zweeds Nationaal Instituut voor Defensieonderzoek ook de heersende weerpatronen in het Oostzeegebied in kaart gebracht, met behulp van meteorologische berekeningen die waren ontwikkeld om het Gedeeltelijke Kernstopverdrag te helpen handhaven. Hieruit bleek onomstotelijk dat de radioactieve besmetting helemaal niet in Forsmark was ontstaan. Ze kwam van ergens buiten Zweden. En de wind blies vanuit het zuidoosten.

Maandag 28 april 1986, 11:00 uur. Moskou, Rusland

Rond elf uur ’s ochtends zat Gejdar Alijev in zijn kantoor in het Kremlin toen de telefoon ging en hij naar een noodvergadering van het Politbureau werd ontboden. Als vicepremier was Alijev een van de machtigste mannen van de Sovjet-Unie. Als voormalig hoofd van de Azerbeidzjaanse KGB, en als een van de twaalf stemmende leden van het Politbureau, was hij medeverantwoordelijk voor het nemen van ingrijpende beslissingen omtrent de koers van het wereldrijk. Maar op maandagochtend had zelfs Alijev slechts vagelijk iets gehoord over een kernongeval in Oekraïne. De Sovjetpers repte met geen woord over Tsjernobyl, en ook radio en tv zwegen erover. De autoriteiten in Kiev spanden zich zonder aansporing van Moskou al in om te voorkomen dat wetenschappers er lucht van zouden krijgen. Nadat instrumenten op het Botanisch Instituut in Kiev op zaterdag een scherpe toename van straling hadden geregistreerd, verschenen er KGB-agenten die de apparaten verzegelden…

‘…om paniek en de verspreiding van provocatieve geruchten te voorkomen’.

Tegen de tijd dat secretaris-generaal Gorbatsjov de noodvergadering bijeenriep om te bespreken wat er was gebeurd, besefte Alijev niettemin dat de straling weldra tot ver buiten de grenzen van de Sovjet-Unie zou worden opgemerkt.

Reuzenrad in Tsjernobyl / Pripjat - ccReuzenrad in Tsjernobyl / Pripjat – cc

De twaalf mannen, onder wie Alijev, premier Ryzjkov, chef Propaganda Aleksandr Jakovlev, Gorbatsjovs opkomende conservatieve opponent Jegor Ligatsjov en Viktor Tsjebrikov, hoofd van de KGB, troffen elkaar niet in de gebruikelijke vergaderzaal van het Politbureau, maar in het sombere kantoor van secretaris-generaal Gorbatsjov op de derde verdieping van het Kremlin. Ondanks een recente opknapbeurt, tapijten met prachtige patronen en een gewelfd plafond waaraan kristallen kroonluchters hingen, was de kamer spelonkachtig en onaangenaam. Iedereen was nerveus.
Gorbatsjov vroeg simpelweg:

‘Wat is er gebeurd?’

Vladimir Dolgich, de secretaris van het Centraal Comité die over de energiesector ging, vertelde wat hij wist op grond van zijn telefoongesprekken met Sjtsjerbina en de experts in Pripjat.. Hij beschreef een explosie, de verwoesting van de reactor en de evacuatie van de stad. De luchtmacht zette helikopters in om de verwoeste reactor onder zand, klei en lood te bedelven. Een wolk straling dreef zuidwaarts en westwaarts, en had Litouwen al bereikt. Informatie was nog steeds schaars, en tegenstrijdig: de strijdkrachten zeiden het een, wetenschappers iets anders. Nu moesten ze beslissen wat – en óf – ze de Sovjetbevolking op de hoogte moesten brengen van het ongeval.

Voor Gorbatsjov was dit een plotselinge en onverwachte test van de nieuwe openheid en het transparante bestuur die hij het Partijcongres een maand eerder had beloofd; sindsdien was glasnost niets meer dan een slogan geweest. ‘We moeten zo snel mogelijk met een verklaring komen,’ zei hij. ‘We mogen niet talmen.’

Nacht in Tsjernobyl – Adam HigginbothamNacht in Tsjernobyl – Adam HigginbothamDe oude reflexen van geheimhouding en paranoia zaten echter diep ingesleten. De waarheid over ongevallen die wellicht het Sovjetprestige aantastten of paniek onder de bevolking zaaiden, was altijd onderdrukt: de explosie in Majak in 1957 had officieel nog steeds niet plaatsgevonden; toen een piloot van de Sovjetluchtmacht in 1983 per abuis een jumbojet van Korean Air neerhaalde, waarbij alle 269 inzittenden omkwamen, ontkende de Sovjet-Unie aanvankelijk iets van het incident af te weten. En Gorbatsjovs greep op de macht bleef zwak en kwetsbaar voor het soort reactionaire revolutie dat Chroesjtsjov de kop had gekost. Hij moest voorzichtig zijn.

Hoewel het later in het officiële verslag van de vergadering leek alsof vrijwel iedereen vond dat er een openbare verklaring over het ongeval moest komen, beweerde Gejdar Alijev dat dat misleidend was. Volgens het verslag van de vicepremier bepleitte hij directe en totale eerlijkheid: heel Europa zou weldra weten dat er iets vreselijks was gebeurd, en deze ramp was gewoon te groot om weg te moffelen.

~ Adam Higginbotham

Boek: Nacht in Tsjernobyl – Adam Higginbotham
Ook interessant: Kernramp van Tsjernobyl (1986)

Bestel dit boek bij:

Animatie van de verspreiding van de Tsjernobyl-wolk:

Bron

Geduld, een beetje geluk en speurzin van een detectoramateur

In Nederland zijn tal van verzamelaars te vinden. Sommigen van deze speurzoekers gaan met een metaaldetector op stap. Zo ook Joost Klaassen. Al sinds zijn jeugd is Joost geïnteresseerd in geschiedenis. Ruim vijftien jaar geleden pakte hij voor het eerst de metaaldetector op. Dat ging wel eens bijna verkeerd, maar leverde ook prachtige vondsten op.

Interesse voor overblijfselen uit de oorlog

Aanvankelijk was Joost Klaassen, afkomstig uit Ermelo, aangesloten bij een club voor liefhebbers van metaaldetectie. Maar uiteindelijk vond hij dat te saai. ‘Het afzoeken van akkervelden aan de andere kant van Nederland om een paar muntjes te vinden’, aldus Klaassen, ‘is niet aan mij besteedt.’ Klaassen was meer geïnteresseerd in spullen en resten uit de Tweede Wereldoorlog, zoals munitie, wapens, helmen en soldatenriemen.

Pistool uit de collectie van Klaassen - Foto: Enne KoopsHet Canadese Enfield-pistool uit de collectie van Klaassen – Foto: Enne Koops

Klaassens zoektocht heeft hem naar de Veluwe, de regio rond Arnhem, Duitsland en Frankrijk gevoerd. En heeft veel opgeleverd. Een kijkje in zijn collectie laat zien dat hij – uiteraard gedemonteerde – granaathulzen, mortiergranaten, handgranaten en bommen heeft gevonden. Ooit stuitte hij met een neef op een landmijn, die ze tijdens het uitscheppen bijna activeerden. Een Duitse kogel zette Klaassens huis bijna in brand. Sinds dit soort incidenten is Klaassen voorzichtig geworden.

Prachtige vondst: een oude bijl van 4000 jaar oud

Prehistorische bijlkop uit de collectie van Klaassen - Foto: Enne KoopsPrehistorische bijlkop uit de collectie van Klaassen – Foto: Enne KoopsDe metaaldetector heeft nog veel andere vondsten opgeleverd. Een topstuk uit Klaassens collectie is een bijlkop uit de prehistorie. De bijl is door een professor onderzocht en blijkt 4000 jaar oud te zijn. Klaassen laat het puntgave bijltje, dat hij in de buurt van Ermelo vond, zien en glimt van trots. Naast deze bijl heeft hij talloze oude munten – voor Klaassen ‘bijvondsten’, omdat hij vooral munitie en wapens interessant vindt – uit de grond gehaald. Onder andere munten uit de Patriottentijd en de tijd van Napoleon. Maar ook oude VOC-munten die hij bij Hierden vond.

Schietstoelen en mitrailleurs

Klaassen leidt ons de kamer binnen waar zijn verzameld materiaal uitgestald staat. Diverse spullen, met name de wapens, zijn tweedehands aangekocht of zijn aan hem geschonken. In de collectie bevinden zich een stuk of tien geweren uit de Eerste Wereldoorlog en Tweede Wereldoorlog, twee enorme machinegeweren en enkele helmen (onder andere een Wehrmacht-helm die hij vond in het Reichswald). De wapens zijn allemaal onklaar gemaakt volgens EU-richtlijnen en voorzien van certificaten. Een topstuk uit Klaassens collectie is een Canadese Enfield-pistool dat in de regio van Putten is gebruikt rond de bevrijding. Hij kreeg het van een kennis, die het tijdens de Tweede Wereldoorlog had gevonden.

Deel van een vliegtuigvleugel als televisietafel (Foto Enne Koops)Deel van een vliegtuigvleugel als televisietafel (Foto Enne Koops)

Boeiend is verder de schietstoel uit een straaljager, die hij op Marktplaats kocht, en een stuk vliegtuigvleugel dat hij – in de woonkamer – als tafel gebruikt. Al met al laat Klaassens collectie zien wat veel geduld, een beetje geluk en speurzin allemaal kunnen opleveren.

~ Enne Koops

Lees ook: Archeologie in Nederland digitaal op de kaart
Overzicht van Boeken over archeologie en archeologische opgravingen

Granaat uit de collectie van Klaassen - Foto: Enne KoopsGranaat uit de collectie van Klaassen – Foto: Enne Koops

Bronnen

-Interview met dhr. Joost Klaassen te Ermelo, 20 februari 2019

Bron

April – Maand van de hofmakerij

Als je erop let, zie je de vogels elkaar nu volop het hof maken. Na de donkere en koude wintermaanden krijgen niet alleen de vogels, maar ook de mensen steeds meer interesse voor hun letterlijk opbloeiende omgeving en zeker ook voor hun medemensen. Het fenomeen ‘rokjesdag’ lijkt daar toch ook min of meer een uiting van te zijn.

Grasmaand

De maand april ontleent zijn naam aan het Latijnse woord ‘aperire’, wat ‘openen’ betekent. Dit verwijst naar het seizoen waarin de bomen en bloemen tot bloei komen en zich weer openen. Het is niet voor niets, dat deze maand van oudsher ook wel grasmaand of kiemmaand wordt genoemd. April is deze keer dus niet vernoemd naar een Romeinse godheid, zoals dat bij de drie voorafgaande maanden wel het geval is. Wél was deze maand in de Romeinse tijd gewijd aan Venus, de godin van de liefde. Ter ere van haar vonden er in deze maand grote feesten plaats.

Casper Luyken, Aprilis, uit serie Twaalf maanden van het jaar, 1700. Gravure en ets, gouache. Collectie Amsterdam Museum A_44731Casper Luyken, Aprilis, uit serie Twaalf maanden van het jaar, 1700. Gravure en ets, gouache. Collectie Amsterdam Museum A_44731

Serenade

Casper Luyken naar Jan Luyken, De musikant, 1694. Ets uit Het menselyk bedryf. Collectie Amsterdam Museum, A_15813.jpgCasper Luyken naar Jan Luyken, De musikant, 1694. Ets uit Het menselyk bedryf. Collectie Amsterdam Museum, A_15813.jpgDe ontluikende liefde is ook het thema, dat Casper Luyken voor zijn maandprent April gekozen heeft. Heel romantisch brengt een charmant geklede man onder het raam van zijn geliefde een serenade aan haar. Volgens het gedicht onder de prent kan de man in deze lieflijke nacht niet slapen en daarom verstoort hij haar rust met zijn muziek. Hij zal dit dagelijks voor haar blijven doen, totdat zij in het ‘verenveld’ oftewel in bed genoeglijk samen zullen zijn.

De verliefde jongeman begeleidt zichzelf op een speciale luit, een aartsluit zo te zien. Deze heeft niet, zoals een gewone luit, een achterover geknikte knoppenkast. De muzikant, uit het welbekende ‘beroepen’-boek Het Menselyk Bedryf (1694) van Jan en Casper Luyken, bespeelt wel een gewone luit. Het sterrenbeeld, dat in dit geval de stier zou moeten zijn en dat Casper Luyken bij de meeste maandprenten in een van de bovenhoeken heeft geplaatst, ontbreekt hier.

Aprilgrappen

De uitbeelding van de maand April door Cornelis Troost daarentegen is verbonden met de traditionele voor-de-gek-houderij op 1 april. De twee jongens hebben reuze lol. De één wijst op de vrouw die bij de boom staat te plassen. Iemand heeft een kruis op haar rug getekend. De andere jongen plast met een boogje in de mand van de op dat moment weerloze vrouw. De vrouw rechts heeft zonder het te merken een briefje met een ongetwijfeld spottende tekst op haar jak gespeld gekregen. En doet de pruikenmaker met de boosaardige grijns ook aan 1 april door een knecht de verkeerde de kant op te sturen?

~ Amsterdam Museum – Nel Klaversma

Zie hier berichten over andere maanden van het jaar

Cornelis Troost, April Straattafereel met aprilgrappen, 1742, gewassen pentekening. Collectie Amsterdam Museum TA 10327Cornelis Troost, April Straattafereel met aprilgrappen, 1742, gewassen pentekening. Collectie Amsterdam Museum TA 10327

  • Amsterdam
  • Nel Klaversma
  • Taalgeschiedenis

Bron

400 jaar oude zilveren pronkbeker gevonden in Palmhoutwrak

In het Rijksmuseum is dinsdag een topstuk gepresenteerd dat is gevonden in het zogeheten Palmhoutwrak, een schip dat in de zeventiende eeuw in de buurt van Texel verging. Enkele jaren geleden werd in dit wrak ook al een adellijke garderobe aangetroffen.

De pronkbeker (Foto provincie Noord-Holland)De pronkbeker (Foto provincie Noord-Holland)Voor de kust van Texel, bij Oudeschild liggen honderden scheepswrakken, onder andere uit de Gouden Eeuw. Wachtend op lading of goede wind vergingen zij in storm en noodweer. Onder het zand bleven de wrakken en hun inhoud soms goed bewaard. Een van die wrakken is het Palmhoutwrak dat in 2009 werd ontdekt en sinds die tijd wordt onderzocht. Eerder werden in het wrak, waarvan de originele naam onbekend is, bijvoorbeeld al een garderobe inclusief exclusieve japon, poederdoos en een deel van een oosters tapijt gevonden.

Nu is ook de vondst van een zilveren pronkbeker bekendgemaakt. De beker is vermoedelijk rond het einde van de zestiende eeuw in Neurenberg gemaakt. Hij is versierd met florale patronen, vazen en ornamenten. Op de deksel is een sculptuur te vinden van de Romeinse oorlogsgod Mars, alleen zijn schild is verloren gegaan. De beker werd in drie stukken gevonden en was deels platgedrukt. Daarnaast was het voorwerp door het zoute water bedekt geraakt met een donkere laag van corrosiebulten. Restauratie-experts hebben de aanslag verwijderd en de losse delen weer aan elkaar bevestigd.

Tentoonstelling

De afgelopen jaren zijn honderden persoonlijke bezittingen, drink- en eetgerei, toiletartikelen, handelswaar, kleding, kanonnen en ander wapentuig, maar ook accessoires van het schip zoals een serie houten lantaarns in het wrak aangetroffen en naar boven gehaald. Deskundigen beschouwen de eerder genoemde japon en de zilveren drinkbeker als de absolute topstukken. Alle vondsten zijn nu opgenomen in een gedetailleerd rapport getiteld ‘Wereldvondsten uit een Hollands schip’.

Gezien de lading vermoeden onderzoekers dat het schip een zogeheten straatvaarder was: een zwaar bewapend fluitschip dat handel dreef in het Middellandse Zeegebied.

De provincie Noord-Holland is eigenaar van de collectie. De objecten uit het Palmhoutwrak, waaronder de beroemde jurk, zijn naar verwachting in 2022 te zien in een permanente tentoonstelling in Museum Kaap Skil op Texel. Tot die tijd gaat het onderzoek naar de vondsten verder. De deze week gepresenteerde pronkbeker is vanaf 9 maart tijdelijk te zien in het museum op Texel.

Overzicht van Boeken over de Gouden Eeuw

Video over de ontdekking

  • Scheepswrakken
  • Texel

Bron